34 552 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017)

Nr. 16 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 26 oktober 2016

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het in artikel IV, onderdeel C, opgenomen artikel 12ba wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «programmatuur» telkens vervangen door «een aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht, programmatuur» en wordt «onderdeel b, onder 4°» telkens vervangen door: onderdeel b, onder 4°, een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5°.

2. In het vijfde lid wordt «waarin het eerstgenoemde immateriële activum is opgegaan en het nieuwe immateriële activum is voortgevloeid» vervangen door: en het nieuwe immateriële activum is voortgevloeid.

2

Het in artikel IV, onderdeel C, opgenomen artikel 12be wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ter zake van een immaterieel activum dat ingevolge artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 7°, samenhangt met een immaterieel activum als bedoeld in het eerste lid en dat met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 7°, als kwalificerend immaterieel activum is aangemerkt.

3. Het eerste lid vindt geen toepassing voor zover de belastingplichtige doet blijken dat het immateriële activum, bedoeld in dat lid, in de jaren, bedoeld in dat lid, onderdeel b, met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, aanhef en onder 1°, 3°, 4°, 5°, 6° of 7°, als kwalificerend immaterieel activum wordt aangemerkt.

3

In artikel XI, onderdeel 2, wordt «13,07 per 1.000 kilogram» vervangen door: € 13,07 per 1.000 kilogram.

4

Na artikel XI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIA

In de Invorderingswet 1990 wordt in artikel 25, achtste lid, onderdeel a, «onderdelen a tot en met g, i of j» vervangen door: onderdelen a tot en met g, i, j of k.

5

Na artikel XIIIA worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIIIB

In de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt in hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, «zes jaar» vervangen door: zeven jaar.

ARTIKEL XIIIC

De Belastingwet BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 8.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.27a Vergrijpboete na verzuimboete

1. Indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd. Als nieuwe bezwaren als bedoeld in de eerste volzin kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.

2. Bij het opleggen van een vergrijpboete als bedoeld in het eerste lid vermeldt de inspecteur waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.

3. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete.

4. Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid als bedoeld in artikel 8.25, eerste lid.

B

Artikel 8.65 komt te luiden:

Artikel 8.65 Bestuurdersaansprakelijkheid

1. In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen, verschuldigd door:

a. een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders;

b. een niet op de BES eilanden gevestigd lichaam: de leider van zijn vaste inrichting op de BES eilanden dan wel zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger;

c. een lichaam dat is ontbonden: ieder van de met de vereffening belaste personen – met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar – voor zover het niet betalen van de belasting-, premie- of accijnsschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, met dien verstande dat geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding drie jaren zijn verstreken.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

4. Degene die op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting, premie of accijns niet is voldaan.

C

Na artikel 8.65 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.65a Bestuurdersaansprakelijkheid volledig rechtsbevoegd lichaam

1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

2. Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van de in dat lid bedoelde belastingen, premies of accijnzen in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.

3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belasting, premie of accijns het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

4. Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat het niet betalen aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan:

a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belasting-, premie- of accijnsschuld is ontstaan;

b. degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;

c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

6. De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder belasting, premie of accijns uitsluitend verstaan de belasting, premie of accijns die het lichaam als inhoudingsplichtige of als ondernemer is verschuldigd.

8. Indien de bestuurder van het lichaam ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld ter zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar en kan de ontvanger deze vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, vierde en vijfde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is van overeenkomstige toepassing.

6

Artikel XIV komt te luiden:

ARTIKEL XIV

Artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel k, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing indien de toepassing van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van die wet het gevolg is van:

a. een vóór 20 september 2016, 15.15 uur, ingediend verzoek als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; of

b. het met terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur, aan de belastingplichtige toerekenen van de betreffende aandelen of winstbewijzen waarop tot dat tijdstip artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat tot dat tijdstip luidde, van toepassing was.

7

Artikel XVI wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

m. artikel XIIIB toepassing vindt voordat hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt toegepast.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Artikel XIA werkt terug tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur.

TOELICHTING

I. Algemeen

In deze nota van wijziging zijn wijzigingen opgenomen met betrekking tot verschillende onderwerpen. Het gaat om enkele technische aanpassingen van de maatregelen omtrent de innovatiebox, een maatregel in het kader van de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi), wijzigingen in het fiscale stelsel voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) en om het herstel van een omissie bij de afvalstoffenbelasting.

Innovatiebox

Deze nota van wijziging bevat enkele technische aanpassingen in de innovatiebox in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969). Met de eerste aanpassing worden een exclusieve licentie op een aanvullend beschermingscertificaat en een exclusieve licentie op de aanvraag van een octrooi of kwekersrecht gelijkgesteld met een aanvullend beschermingscertificaat respectievelijk de aanvraag van een octrooi of kwekersrecht. De tweede aanpassing betreft een verduidelijking voor de situatie dat een belastingplichtige een immaterieel activum heeft doorontwikkeld. De beide andere aanpassingen zien op het terugnemen van het innovatieboxvoordeel wanneer de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht ter zake van een immaterieel activum wordt afgewezen. In de eerste plaats wordt geregeld dat de kwalificerende voordelen uit hoofde van een immaterieel activum dat samenhangt met de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht en op die grond als kwalificerend immaterieel activum wordt aangemerkt voor de toepassing van de innovatiebox worden teruggenomen wanneer vaststaat dat de betreffende aanvraag niet wordt toegewezen. In de tweede plaats wordt geregeld dat het innovatieboxvoordeel slechts wordt teruggenomen voor zover in de aan de afwijzing of intrekking van de aanvraag voorafgaande jaren het immateriële activum ook niet op andere wettelijke gronden als kwalificerend immaterieel activum wordt aangemerkt.

Beëindiging uitstel van betaling conserverende belastingaanslag bij fictieve vervreemding inbreng vbi

Bij een (fictieve) vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen wordt het verleende uitstel van betaling van een eventueel opgelegde conserverende belastingaanslag beëindigd. Abusievelijk is dit nog niet geregeld voor de in het voorstel van wet opgenomen fictieve vervreemding van aandelen als gevolg van de toepassing van de vbi-maatregel. Dit gebeurt alsnog met deze nota van wijziging.

Voorkomen samenloop maatregelen vbi en afgezonderd particulier vermogen (APV)

Indien in een APV aandelen in een vbi of in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam worden gehouden en deze aandelen door het niet meer van toepassing zijn van de toerekeningsstop tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, moet door samenloop met de voorgestelde vbi-maatregel direct worden afgerekend over de aanmerkelijkbelangclaim op deze aandelen. Deze afrekening is voor deze situatie niet beoogd en wordt door deze nota van wijziging voorkomen.

Wijzigingen in het fiscale stelsel voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Het kabinet stelt voor de toepassing van de lagere tarieven van de algemene bestedingsbelasting (ABB) die van toepassing zijn in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius (de bovenwinden) nogmaals met een jaar te verlengen, ditmaal tot 1 januari 2018. Deze lagere tarieven zijn opgenomen in de Belastingwet BES en zijn lager dan de tarieven die van toepassing zijn op Bonaire. De reden voor de tijdelijk lagere ABB-tarieven was de andere startpositie van de bovenwinden ten opzichte van Bonaire. Bonaire kende voorheen – soms hoge – invoerrechten en een omzetbelasting (OB) van 5%; een OB die ook van toepassing was bij invoer. Die invoerrechten en OB zijn vervallen bij de introductie van de ABB op Bonaire met een ABB-tarief van 8% voor de invoer van goederen. De bovenwinden kenden echter geen invoerrechten en hadden voor ondernemers alleen een belasting op bedrijfsomzetten van 3%. Daarom werd besloten dat op de bovenwinden tijdelijk lagere ABB-tarieven zouden gaan gelden.

Aanvankelijk is in de Invoeringswet fiscaal stelsel BES vastgelegd dat deze lagere tarieven automatisch – na het verstrijken van een periode van vijf jaar – per 1 januari 2016 zouden komen te vervallen. In verband met de door de Evaluatiecommissie Caribisch Nederland uitgevoerde evaluatie, die ook het fiscale stelsel betrof, is de looptijd van het verlaagde ABB-tarief voor Sint Eustatius en Saba echter met een jaar verlengd. Achtergrond van de thans voorgestelde verlenging is dat inmiddels is gebleken dat de uitkomsten van de evaluatie – anders dan bij de vorige verlenging nog werd verwacht – niet eerder dan in 2018 tot fiscale wijzigingen kunnen leiden in het fiscale stelsel van Caribisch Nederland. In dat kader zal op dat moment ook een definitief standpunt worden ingenomen over de structurele tariefstructuur voor de bovenwinden. Tegen die achtergrond wordt daarom de hiervoor genoemde verlenging van de toepassing van de lagere ABB-tarieven voorgesteld.

Voorts bevat deze nota van wijziging nog een tweetal wijzigingen in het formele belastingrecht van de BES-eilanden. Enerzijds gaat het om de introductie van de mogelijkheid om een vergrijpboete op te leggen nadat door de inspecteur al in een eerder stadium een verzuimboete is opgelegd. Anderzijds gaat het om een uitbreiding van de bestuurdersaansprakelijkheid ingeval er belastingen, accijnzen of premies niet zijn betaald en dit te wijten is aan de bestuurders van de betreffende lichamen.

Budgettaire gevolgen

Het met één jaar verlengen van het lagere tarief van de ABB zoals dat geldt op Sint Eustatius en Saba leidt tot een eenmalige derving van circa € 1 miljoen. De wijzigingen in het formele recht voor de BES-eilanden leiden vanaf 2017 gezamenlijk tot een structurele meeropbrengst van € 0,25 miljoen op jaarbasis. Dit brengt met zich dat het budgettaire effect van de in deze nota van wijziging opgenomen maatregelen voor de BES-eilanden over een periode van vier jaar bezien per saldo op (afgerond) nihil kan worden gesteld.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

De voorstellen in deze nota van wijziging zijn – waar nodig – beoordeeld met de uitvoeringstoets nieuwe stijl. Voor alle voorstellen uit deze nota van wijziging geldt dat de Belastingdienst die uitvoerbaar en handhaafbaar acht per de voorgestelde inwerkingtredingsdatum. De gevolgen voor de uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoetsen die als bijlage zijn bijgevoegd1. Voor de wijzigingen in de belastingen op milieugrondslag en de invorderingswet geldt dat de eerder uitgebrachte uitvoeringstoetsen onverkort van kracht zijn.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel IV, onderdeel C (artikel 12ba van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Ingevolge het in het voorstel van wet opgenomen artikel 12ba, vierde lid, van de Wet Vpb 1969 wordt met een octrooi, een met octrooi vergelijkbaar recht of programmatuur gelijkgesteld een exclusieve licentie om een octrooi of kwekersrecht, programmatuur, een in een lidstaat van de Europese Unie afgegeven vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddelen of een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie, te gebruiken op een bepaalde wijze, voor een bepaalde termijn of in een bepaald geografisch gebied. Met deze gelijkstellingen wordt het mogelijk gemaakt om de innovatiebox te gebruiken in gevallen waarin een van de voornoemde juridische tickets is afgegeven aan een ander dan de belastingplichtige die het immateriële activum heeft ontwikkeld. Gebleken is dat de in genoemd artikel 12ba, vierde lid, opgenomen opsomming van gelijkstellingen niet volledig is. Deze nota van wijziging voegt aan deze opsomming toe de exclusieve licentie om een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in het voorgestelde artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet Vpb 1969 te gebruiken.

Daarnaast wordt aan genoemde opsomming de exclusieve licentie om de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht te gebruiken, toegevoegd. De gelijkstelling voor de toepassing van de in het voorstel van wet opgenomen afdeling 2.3 van de Wet Vpb 1969 van de exclusieve licentie op een octrooi, een met octrooi vergelijkbaar recht of programmatuur is bedoeld voor ondernemingen die octrooien, met octrooi vergelijkbare rechten alsmede programmatuur centraal beheren. Bij die ondernemingen ligt het voor de hand dat ook de aanvraag voor octrooien en kwekersrechten centraal plaatsvindt. Om die reden wordt met deze aanpassing ook de exclusieve licentie op de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht gelijkgesteld met de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht. Met deze gelijkstelling wordt het mogelijk gemaakt om de innovatiebox ook te gebruiken in gevallen waarin de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht is gedaan door een ander dan de belastingplichtige die het immateriële activum heeft ontwikkeld.

Het in het voorstel van wet opgenomen artikel 12ba, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 ziet op de situatie dat een aangekocht immaterieel activum door de belastingplichtige is doorontwikkeld. Met de wijziging van genoemd lid wordt verduidelijkt dat slechts het doorontwikkelde deel van het immaterieel activum voor toepassing van de innovatiebox wordt aangemerkt als kwalificerend immaterieel activum. Voor zover de voordelen uit het doorontwikkelde deel voortvloeien worden deze in aanmerking genomen bij de berekening van de kwalificerende voordelen. Uiteraard dient daarbij ook aan de overige voorwaarden van de in het voorstel van wet opgenomen afdeling 2.3 van de Wet Vpb 1969 te worden voldaan. Het voorgaande betekent ook dat indien het doorontwikkelde activum wordt aangemerkt als kwalificerend activum voor toepassing van de innovatiebox slechts de uitgaven ten aanzien van het doorontwikkelde deel van het immateriële activum in aanmerking komen bij het bepalen van de nexusbreuk.

Onderdeel 2

Artikel IV, onderdeel C (artikel 12be van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Ingevolge het in het voorstel van wet opgenomen artikel 12be van de Wet Vpb 1969 worden, indien in enig jaar komt vast te staan dat de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht ter zake van een immaterieel activum wordt afgewezen, de kwalificerende voordelen van alle aan dat jaar voorafgaande jaren ter zake van dat immaterieel activum «teruggenomen». Met «terugnemen» wordt bedoeld dat als winst in aanmerking wordt genomen 20/H gedeelte van de betreffende kwalificerende voordelen, waarbij H staat voor het in dat jaar geldende percentage van het hoogste tarief. De belastingplichtige heeft dan achteraf bezien ter zake van dat immateriële activum immers geen recht op toepassing van de innovatiebox. Met deze nota van wijziging wordt geregeld dat genoemd artikel 12be ook toepassing vindt ter zake van een immaterieel activum dat als kwalificerend immaterieel activum is aangemerkt, omdat het immateriële activum ingevolge het in het voorstel van wet opgenomen artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 7°, van de Wet Vpb 1969 samenhangt met de aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht. De mogelijkheid kan zich echter voordoen dat gedurende de aanvraagperiode het immateriële activum op basis van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, 3°, 4°, 5°, 6° of 7°, van de Wet Vpb 1969 als kwalificerend immaterieel activum voor toepassing van de innovatiebox wordt aangemerkt. In dat geval is het niet de bedoeling dat het geheel aan kwalificerende voordelen ter zake van dat immateriële activum wordt teruggenomen, maar slechts voor zover die voordelen zijn toe te rekenen aan de jaren waarin het immateriële activum niet als kwalificerend immaterieel activum voor toepassing van de innovatiebox wordt aangemerkt.

Voorbeeld

Een belastingplichtige is in 2016 een grotere belastingplichtige en heeft in dat jaar een immaterieel activum voortgebracht waarvoor een octrooi is aangevraagd. Voor het speur- en ontwikkelingswerk dat heeft geleid tot dit immateriële activum is aan de belastingplichtige een S&O-verklaring afgegeven. Het boekjaar van de belastingplichtige is gelijk aan het kalenderjaar. In 2016 en 2017 worden respectievelijk 500 en 800 als kwalificerende voordelen in aanmerking genomen voor toepassing van de innovatiebox. Vanaf 2018 wordt de belastingplichtige aangemerkt als kleinere belastingplichtige. In 2018 en 2019 worden respectievelijk 600 en 700 als kwalificerende voordelen in aanmerking genomen voor toepassing van de innovatiebox. In 2020 komt vast te staan dat de octrooiaanvraag ter zake van het voortgebrachte immateriële activum wordt afgewezen. Toepassing van de innovatiebox kan ter zake van dat immateriële activum in 2020 nog steeds plaatsvinden, omdat de belastingplichtige als kleinere belastingplichtige wordt aangemerkt en alsdan sprake is van een kwalificerend immaterieel activum vanwege de afgegeven S&O-verklaring. Alleen de kwalificerende voordelen die in aanmerking zijn genomen in 2016 en 2017, in totaal 1.300, dienen als winst tegen 20/H in aanmerking te worden genomen. In die jaren was achteraf bezien geen sprake van een kwalificerend immaterieel activum.

De belastingplichtige dient te doen blijken dat het immateriële activum inderdaad met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, 3°, 4°, 5°, 6° of 7°, van de Wet Vpb 1969 als kwalificerend immaterieel activum kan worden aangemerkt.

Onderdeel 3

Artikel XI, onderdeel 2 (artikel 28 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

In het voorstel van wet is in de wijzigingsopdracht opgenomen in artikel XI, onderdeel 2, verzuimd het euroteken op te nemen. Deze omissie wordt bij de onderhavige nota van wijziging hersteld.

Onderdeel 4

Artikel XIA (artikel 25 van de Invorderingswet 1990)

Artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) ziet op beëindiging van het uitstel van betaling voor conserverende belastingaanslagen die zijn opgelegd aan aanmerkelijkbelanghouders ter bescherming van een Nederlandse aanmerkelijkbelangclaim. Het uitstel van betaling wordt beëindigd indien een van de in de artikelen 4.12 of 4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g, i of j, tweede lid, derde lid of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) genoemde omstandigheden zich voordoet. Abusievelijk is in het voorstel van wet aan artikel 25, achtste lid, van de IW 1990 geen verwijzing toegevoegd naar de fictieve vervreemding ingevolge het in het voorstel van wet opgenomen artikel 4.16, eerste lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001. Daarmee zou deze fictieve vervreemding onbedoeld niet behoren tot de omstandigheden die ingevolge artikel 25, achtste lid, van de IW 1990 leiden tot beëindiging van het uitstel van betaling van de conserverende belastingaanslag. Met de onderhavige wijziging van het voorstel van wet wordt deze omissie hersteld. Om anticipatiegedrag te voorkomen wordt voorgesteld deze wijziging terug te laten werken tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur, zijnde het tijdstip van publicatie van deze nota van wijziging.

Onderdeel 5

Artikelen XIIIB en XVI (hoofdstuk III, artikel II, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES)

De aanpassing van hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES strekt ertoe om het niveau van de lagere tarieven van de ABB die van toepassing zijn in de openbare lichamen Saba en Sint Eustatius (de bovenwinden) ongewijzigd te laten tot 1 januari 2018. Genoemde tarieven zijn opgenomen in de Belastingwet BES en zijn tijdelijk 2%-punt lager dan de tarieven die van toepassing zijn op Bonaire. In hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES, zoals dit ingevolge artikel XLVI van het Belastingplan 2016 met ingang van 1 januari 2016 is komen te luiden, is bepaald dat deze van de ABB-tarieven op Bonaire afwijkende lagere tarieven zes jaar na de inwerkingtreding van de Belastingwet BES komen te vervallen. Daarmee zouden de tarieven op de bovenwinden, zonder deze nu voorgestelde verlenging, met ingang van 1 januari 2017 worden gelijkgesteld aan de voor Bonaire geldende ABB-tarieven.

Artikelen XIIIC (artikelen 8.27, 8.65 en 8.65a van de Belastingwet BES)

Via het in het voorstel van wet op te nemen artikel XIIIC worden twee wijzigingen aangebracht in hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES.

De eerste wijziging betreft het introduceren van de mogelijkheid dat de inspecteur, nadat een verzuimboete is opgelegd, onder omstandigheden ook een vergrijpboete kan opleggen. Bij aangiftebelastingen kan wegens het niet – of niet tijdig – doen van de aangifte of de betaling een verzuimboete worden opgelegd. Indien een dergelijke verzuimboete is opgelegd kan er twijfel over bestaan of ingeval later geconstateerde feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven aan een belastingplichtige ter zake van hetzelfde feit een vergrijpboete kan worden opgelegd. Teneinde zeker te stellen dat dat kan, wordt voorgesteld dit in hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES op te nemen. Dit biedt de inspecteur de mogelijkheid om op de BES-eilanden een aanvullende boete op te leggen indien er een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan en er sprake is van opzet of grove schuld. In Nederland is dit punt via de introductie van artikel 67q van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) per 1 januari 2012 opgelost.

De tweede wijziging betreft een verruiming van de bestuurdersaansprakelijkheid. Uit boekencontroles door de Belastingdienst / Caribisch Nederland is gebleken dat verhaalsmogelijkheden worden misgelopen doordat de thans in hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES opgenomen bestuurdersaansprakelijkheid een te beperkte reikwijdte heeft. Op dit moment geldt de bestuurdersaansprakelijkheid uitsluitend voor de loonbelasting. Ook indien andere belastingen, accijnzen en premies niet of niet volledig (kunnen) worden betaald, dienen bestuurders van het betreffende lichaam aansprakelijk te kunnen worden gesteld indien het niet voldoen van de schuld aan hen is te wijten. In verband daarmee wordt voorgesteld de bestuurdersaansprakelijkheid uit te breiden tot alle belastingen, accijnzen en premies die verschuldigd zijn door vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen.

In samenhang met de uitbreiding van de reikwijdte van de bestuurdersaansprakelijkheid wordt conform de systematiek van de in Nederland geldende artikelen 33 en 36 van de IW 1990, in de Belastingwet BES opgenomen dat de bestuurdersaansprakelijkheid niet in alle gevallen kan worden ingeroepen. Deze systematiek komt erop neer dat bestuurders van een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid en bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is, niet aansprakelijk zijn voor zover zij bewijzen dat het niet aan hen te wijten is dat de belasting, premie of accijns niet is voldaan.

Bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is zijn niet aansprakelijk indien de betalingonmacht van het lichaam tijdig en op juiste wijze aan de ontvanger is gemeld en aannemelijk is dat geen sprake is (geweest) van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de melding. Indien deze melding niet, niet tijdig, of niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden, vindt omkering van de bewijslast plaats en wordt vermoed dat de bestuurder aansprakelijk is, met dien verstande dat de bestuurder dit vermoeden kan weerleggen indien hij aannemelijk maakt dat het niet, niet tijdig, of niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is.

Onderdeel 6

Artikel XIV (Overgangsrecht)

In het voorgestelde artikel 4.16, eerste lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001 wordt bepaald dat ook sprake is van een (fictieve) vervreemding ingeval een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van die wet tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, van die wet. Dit tot de reguliere voordelen gaan behoren van een forfaitair voordeel kan ook het gevolg zijn van de voorgestelde aanpassing van de toerekeningsstop bij APV’s. Dit is het geval indien in een APV-aandelen in een vbi of in een kwalificerende buitenlands beleggingslichaam worden gehouden en de toerekeningsstop voor deze APV niet meer van toepassing is. In dat geval moet door de samenloop van beide voorgestelde wijzigingen direct worden afgerekend over de aanmerkelijkbelangclaim op deze aandelen. Deze afrekening is niet beoogd en wordt door deze nota van wijziging voorkomen door in het in artikel XIV opgenomen overgangsrecht artikel 4.16, eerste lid, onderdeel k, van de Wet IB 2001 niet toe te passen indien de aandelen in een vbi of kwalificerend buitenlands beleggingslichaam tot een aanmerkelijk belang gaan behoren als gevolg van de voorgestelde APV-maatregel.

Onderdeel 7

Artikel XVI (Inwerkingtreding)

In het via deze nota van wijziging aan artikel XVI, eerste lid, toe te voegen onderdeel m wordt vastgelegd dat artikel XIIIB toepassing vindt voordat hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt toegepast, op basis van welke bepaling – zonder de in artikel XIIIB opgenomen aanpassing – vanaf 1 januari 2017 op de bovenwinden geen verlaagde ABB-tarieven meer zouden gelden.

Met de toevoeging van een lid aan de hiervoor genoemde inwerkingtredingsbepaling wordt geregeld dat de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van artikel 25, achtste lid, van de IW 1990 terugwerkt tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur, zijnde het tijdstip van publicatie van de nota van wijziging. Hiermee wordt anticipatiegedrag voorkomen.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven