I
Artikel I, onderdeel C, onderdeel 3, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het tweede lid wordt «2019» vervangen door «2021» en wordt voor
«voor zover die huurwoningen» ingevoegd: voor zover de belastingplichtige een toegelaten
instelling is als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en.
2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
-
b. zijn opgenomen in een plan dat beoogt uitvoering te geven aan een activiteit in het
kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet,
en.
3. In het derde lid wordt «vijf jaren» vervangen door: twintig jaren.
III
In artikel I, onderdeel K, wordt in artikel 2.4 het genoemde percentage «0,569%» verhoogd
met 0,001 procentpunt.
IV
In artikel I, onderdeel K, worden na artikel 2.4 twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 2.4a
Met ingang van 1 januari 2020 wordt in artikel 1.7 het genoemde percentage verhoogd
met 0,001 procentpunt.
Artikel 2.4b
Met ingang van 1 januari 2022 wordt in artikel 1.7 het genoemde percentage verhoogd
met 0,001 procentpunt.
Met dit amendement wordt geregeld dat toegelaten instellingen in krimpgebieden zijn
vrijgesteld van de afdracht van verhuurderheffing indien zij particuliere woningen
opkopen en aan hun sociaal verhuurbezit toevoegen. Door dit amendement worden drie
doelen bereikt: de onverkoopbaarheid en de leegstand van particuliere woningen in
krimpgebieden worden teruggedrongen en er wordt tegemoet gekomen aan de vraag naar
sociale huurwoningen in deze krimpgebieden. Het is onwenselijk deze vrijstelling,
zoals voorgesteld in het wetsvoorstel van de Minister, enkel te laten gelden voor
huurwoningen die deel uitmaken van een complex waarin de woningcorporatie bezit heeft,
omdat dit in de praktijk nauwelijks blijkt voor te komen. Vaak gaat het om complexen
met uitsluitend (slecht) particulier bezit. Dit amendement beperkt de op te kopen
woningen tot woningen die deel uitmaken van een herstructureringsplan, daarmee draagt
het bij aan de uitvoering van dit plan om op termijn vraag en aanbod in de woningmarktregio
weer met elkaar in evenwicht te brengen.
Voorts wordt met dit amendement bereikt dat de vrijstelling zal gelden voor huurwoningen
die de belastingplichtige in eigendom verwerft tussen 1 januari 2017 en 31 december
2021, in plaats van tussen 1 januari 2017 en 31 december 2019. De termijn van opkoop
binnen de komende drie jaren is te kort en zet het aankoopproces onder druk. Daarom
wordt de termijn opgerekt naar vijf jaar.
Ten slotte wordt met dit amendement bewerkstelligd dat de vrijstellingstermijn niet
voor vijf jaar nadat de huurwoning in eigendom is verworven zal gelden, maar voor
20 jaar. Deze termijn van 20 jaar is nodig omdat toegelaten instellingen tot doel
hebben tot sloop over te kunnen gaan. Voor een toegelaten instelling is, zoals blijkt
uit opgestelde businesscases uit de krimpregio’s, opkoop slechts dan rendabel indien
zij voor een periode van 20 jaar van verhuurderheffing is vrijgesteld.
Onderzoek heeft uitgewezen dat, alleen al voor de krimpregio Limburg, er de komende
10 jaar zo’n 2.000 extra sociale huurwoningen nodig zijn. Momenteel staan er in deze
regio al 5.000 particuliere woningen leeg en zijn er schrijnende situaties van mensen
die vanwege leeftijd of gezondheid zouden moeten verhuizen maar gevangen zijn in hun
eigen huis omdat ze het niet kunnen verkopen. Gunstig neveneffect van dit amendement
is dat het bijdraagt aan de leefbaarheid in de betreffende wijken.
Dit amendement heeft geen invloed op de geraamde opbrengst aan verhuurderheffing,
aangezien de gewenste experimenten zonder vrijstelling geen doorgang kunnen vinden.
Er is derhalve geen dekking vereist.
De opgenomen tariefsmutaties in de artikelen 2.4 en 2.5 betreffen de effecten ten
opzichte van het huidige wetsvoorstel. Dit betekent een verhoging met 0,001%-punt
per 1 januari 2018, een verhoging van nog eens 0,001%-punt per 1 januari 2020 (in
totaal dan 0,002%-punt ten opzichte huidig wetsvoorstel) en een verhoging van 0,001
per 1 januari 2022.