Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201934534 nr. D

34 534 Voorstel van wet van de leden Klaver, Asscher, Beckerman, Jetten, Dik-Faber, Yesilgöz-Zegerius en Agnes Mulder houdende een kader voor het ontwikkelen van beleid gericht op onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken (Klimaatwet)

D BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 maart 2019

Op 5 februari jl. heeft de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat/ Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het voorlopig verslag vastgesteld over het voorstel van wet van de leden Klaver, Asscher, Beckerman, Jetten, Dik-Faber, Yesilgöz-Zegerius en Agnes Mulder, houdende een kader voor het ontwikkelen van beleid gericht op onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken (de Klimaatwet). In deze brief zal ik reageren op de vragen in het voorlopig verslag die zijn gericht aan de regering.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering omgaat met een eventueel tekort in het behalen van de doelen, welke rol wettelijke normering daarbij speelt.

Wanneer bij de uitvoering van het klimaatbeleid blijkt dat de doelen niet worden gehaald, zal worden bijgestuurd. In de initiatief-Klimaatwet is hiervoor een transparante verantwoordings- en beleidscyclus opgenomen. Wanneer bijsturing noodzakelijk zou blijken, is wettelijke normering één van de mogelijke instrumenten die kan worden ingezet. De mogelijkheid om specifieke wettelijke normen te stellen aan bijvoorbeeld industriële processen, mobiliteit of de gebouwde omgeving wordt echter niet in dit wetsvoorstel geregeld. Mocht dit aan de orde zijn, dan zal dit via andere wetgeving worden geregeld. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan de aankomende Omgevingswet.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Overeenkomst van Parijs voorschrijft dat nationale doelen in wetgeving worden verankerd en of een verankering van doelen ook onder de Omgevingswet zou kunnen.

Op grond van de Overeenkomst van Parijs moeten landen een doelstelling voor hun nationale broeikasgasreductie indienen. Er is echter geen verplichting om die doelstellingen ook in wetgeving vast te leggen. Het wordt in de Omgevingswet mogelijk om doelstellingen voor bestuursorganen vast te leggen. Dat zou in theorie ook een doel voor broeikasgasreductie kunnen zijn. De initiatiefnemers hebben er echter voor gekozen om een eigenstandige wet te maken. Ik merk in dit kader ook op dat het realiseren van broeikasgasreductie een breder palet aan maatregelen vraagt dan enkel de maatregelen die onder de Omgevingswet mogelijk zijn.

De leden van de PVV-fractie vragen welke methode voor het berekenen van temperatuurstijging meer betrouwbaar is.

De temperatuur wordt mondiaal, op vele plaatsen, al lange tijd gemeten door instituten die vergelijkbaar zijn met het KNMI in Nederland. Als het gaat om voorspellingen, dan baseren wetenschappers zich op uitgebreid gevalideerde klimaatmodellen waarover tussen wetenschappers brede consensus bestaat.

De leden van de PVV-fractie vragen ook wat het gewenste klimaat is en hoe de regering denkt dit te handhaven.

In de Overeenkomst van Parijs heeft Nederland zich verbonden aan de doelstelling om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2°C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5°C. Het beperken van de temperatuurstijging en het zoveel als mogelijk voorkomen van de gevolgen van klimaatverandering is een wereldwijde opgave. Naast een ambitieus nationaal klimaatbeleid streeft de Nederlandse regering naar een verhoging van de ambitie op mondiaal en Europees niveau, zodat de doelstelling uit de Overeenkomst van Parijs wordt behaald.

De leden van de PVV-fractie vragen of de regering van mening is dat andere investeringen uit het verleden in wind en zon ook dienen te worden meegenomen in het berekenen van de kostprijs die dit klimaatvoorstel de Nederlandse burger gaat kosten? Zo nee, waarom niet? Kan er onderscheid worden gemaakt tussen de kosten die de overheid via belasting oplegt en de kosten die burgers en bedrijven moeten bijdragen? Zo nee, waarom niet?

Om te bepalen wat de kosten van een (nieuwe) maatregel zijn, wordt alleen gekeken naar de kosten van de betreffende maatregel en niet naar de kosten van eerder ingezette maatregelen. Bij de doorrekening van het ontwerpKlimaatakkoord heeft het CPB ook de kosten van het bredere klimaat- en energiebeleid in kaart gebracht. Daarin werken ook verplichtingen uit het verleden door. In rapportages over de economische effecten van het klimaat- en energiebeleid, zoals de doorrekeningen van het PBL en het CPB, kan een onderscheid gemaakt worden tussen de kosten voor de samenleving, de kosten voor de schatkist en de kosten voor burgers en bedrijven. Deze verschillende kostensoorten hangen uiteraard met elkaar samen, maar zijn niet volledig met elkaar vergelijkbaar.

De leden van de fractie van de Partij van de Dieren vragen welke afrekenbare doelen de regering heeft gesteld bij de uitvoering van de Urgenda-uitspraak, en of de wet past binnen de ruimte die de Urgenda-uitspraak laat?

De rechtbank en het gerechtshof hebben de Staat verplicht om in het jaar 2020 de emissies van broeikasgassen te beperken met 25% ten opzichte van 1990. De regering heeft aangegeven dit vonnis uit te zullen voeren. De 25%-reductie waartoe de Staat verplicht is, ziet op het jaar 2020, terwijl de doelstellingen van uit deze initiatiefwet zien op 2030 en 2050. In dat licht is de vraag «of de wet past binnen de ruimte die de Urgenda-uitspraak laat» niet relevant.

De leden van de SGP-fractie vragen wat de kosten zijn van het bereiken van de doelen in 2030 en 2050 en of het behalen van deze doelen haalbaar is?

Het PBL heeft bij de doorrekening van het ontwerpKlimaatakkoord uitgerekend dat de nationale kosten van het voorgestelde beleid 1,9 miljard in 2030 bedragen. Daarmee is duidelijk dat het 2030-doel betaalbaar is.

De kosten voor het doel in 2050 zijn in eerdere studies van PBL begroot op ongeveer 2% van het BBP.

De leden van de SGP-fractie vragen een reactie op de keuze om het wetsvoorstel te behandelen voordat de inhoud van het Klimaatakkoord bekend is?

Zowel de Tweede als de Eerste Kamer hebben eigenstandig de keuze gemaakt om het wetsvoorstel nu te behandelen. Er is op zichzelf geen bezwaar om het wetsvoorstel te behandelen, ook al is de specifieke invulling van het klimaatbeleid via het Klimaatakkoord nog niet definitief bekend. Het wetsvoorstel legt immers de (streef)doelen vast en de werkwijze die gevolgd wordt om te borgen dat de doelen gehaald en gemonitord kunnen worden, maar gaat niet in op specifieke maatregelen. Het is daarom goed mogelijk om apart overeenstemming te bereiken over het ambitieniveau en de te volgen werkwijze, voorafgaand aan de invulling ervan met de te nemen maatregelen.

De leden van de SGP-fractie vragen of een gerechtelijke uitspraak over beleidsdoelstellingen consequenties kan hebben voor het wettelijk vastleggen van doelstellingen.

Nederland voldoet met dit wetsvoorstel aan alle internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen, maar het uiteindelijke oordeel of de wet voldoet aan rechtstreeks werkende verdragsbepalingen is aan de rechter.

De leden van de SGP-fractie vragen of bij het nemen van maatregelen rekening moet worden gehouden met het Europese speelveld.

Bij het nemen van maatregelen is het handhaven van een gelijk speelveld een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet, zoals het kabinet al eerder heeft aangegeven. Mede daarom (i) heeft het kabinet in het kader van het Klimaatakkoord een onafhankelijke speelveldtoets laten uitvoeren en (ii) zet het kabinet in op de verhoging van het Europese reductiedoel of het opzetten van een kopgroep van omringende landen met een hoger reductiedoel.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes