34 534 Voorstel van wet van de leden Klaver, Asscher, Beckerman, Jetten, Dik-Faber, Yesilgöz-Zegerius, Agnes Mulder en Geleijnse houdende een kader voor het ontwikkelen van beleid gericht op onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de Nederlandse emissies van broeikasgassen teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken (Klimaatwet)

Nr. 44 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VAN RAAN C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 20

Ontvangen 19 december 2018

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel 2, tweede lid, wordt «streven Onze Ministers die het aangaat naar een» vervangen door «is de» en wordt «van 49%» vervangen door «49%».

Toelichting

Dit amendement schrapt het vrijblijvende karakter van dit tussendoel in 2030. In Nederland is de CO2-uitstoot onverminderd hoog. «De Nederlandse Staat heeft tot op heden te weinig gedaan om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen en doet te weinig om deze achterstand in te halen, althans op korte termijn», stelt het Gerechtshof Den Haag in de uitspraak over de «Urgenda-zaak». «Doelstellingen voor 2030 en daarna kunnen niet wegnemen dat een gevaarlijke situatie dreigt te ontstaan die vereist dat nu wordt ingegrepen.» De Verenigde Naties waarschuwt dat het na 2030 zelfs niet meer mogelijk is om de opwarming van de aarde nog onder de twee graden te houden. Zij spreken van de noodzaak van «ongekende en urgente actie»

Het Gerechtshof heeft in de uitspraak overwogen dat: de dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering een «reële dreiging, waardoor er een ernstig risico bestaat dat de huidige generatie ingezetenen zal worden geconfronteerd met verlies van leven en/of verstoring van het gezinsleven» is.

Indieners zijn van mening dat, gezien de reële bedreiging van klimaatverandering en de lakende houding van de Staat, een vrijblijvend karakter niet gepast is. CO2-reductie dient zo snel mogelijk in gang te worden gezet.

Van Raan Ouwehand Wassenberg Teunissen Akerboom

Naar boven