Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt: de plaatsvervangend voorzitter,.
2. In het tweede lid wordt «De» vervangen door «De plaatsvervangend voorzitter, de»
en wordt «geven» vervangen door: stellen.
B
Artikel 1.9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt «artikel 7a:1603i» vervangen door: de artikelen 7a:1603b
en 7a:1603i.
2. Er wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:
5. De huurcommissie doet uitspraak indien ingevolge artikel 1.25, vijfde lid, verzet
is gedaan tegen een uitspraak van de voorzitter.
C
Aan artikel 1.13, derde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij eilandsverordening
kan het maximale huurverlagingspercentage worden vastgesteld.
D
Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1603, derde lid, wordt na «De volgende artikelen» ingevoegd: van deze
onderafdeling en onderafdeling 3.
2. Artikel 1603w wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt «1603» vervangen door «1602» en vervalt: vijfde tot en
met.
b. Het tweede lid komt te luiden:
2. De termijn van opzegging bedraagt:
a. voor de huurder ten minste een jaar;
b. voor de verhuurder ten minste een jaar.
c. Na het tweede lid wordt onder vernummering van het derde tot vierde lid een lid
ingevoegd, luidende:
3. Een opzegging die in strijd met artikel 1603n, eerste en derde lid, of het tweede
lid, onderdeel a, is gedaan en een opzegging die op een kortere termijn is gedaan
dan die van het tweede lid, onderdeel b, gelden niettemin als waren zij gedaan tegen
de voorgeschreven dag en met inachtneming van de voorgeschreven termijn. Elk beding
waarbij in strijd met het tweede lid, onderdeel a, een langere opzegtermijn of waarbij
in strijd met het tweede lid, onderdeel b, een kortere opzegtermijn wordt overeengekomen
of waarbij van artikel 1603n, eerste tot en met derde lid en zevende lid, wordt afgeweken,
is nietig. Eveneens is nietig elk beding dat de huur zonder opzegging doet eindigen.
d. In het vierde lid (nieuw) wordt «De in het eerste lid genoemde artikelen zijn»
vervangen door: Hoofdstuk 1 van de Wet maatregelen huurwoningmarkt Caribisch Nederland
is.
E
Het opschrift van hoofdstuk 4 en de artikelen 4.1 tot en met 4.5 vervallen.
F
In artikel 5.4 vervalt: met uitzondering van de artikelen 4.3 en 4.5 die in werking
treden zeven jaar na het tijdstip waarop artikel 4.2 in werking treedt.
Toelichting
Onderdeel A
Met deze voorgestelde wijziging wordt geregeld dat ook de plaatsvervangend voorzitter
een vergoeding ontvangt volgens bij eilandverordening te stellen regels. Gelet op
de verwachte aard en de omvang van de werkzaamheden is een bezoldiging en een rechtspositieregeling
niet nodig.
Voorts is nog een redactionele wijziging doorgevoerd.
Onderdeel B
De voorgestelde wijziging onder 1 is wetstechnisch van aard. De voorgestelde wijziging
onder 2 behelst de taak die de huurcommissie heeft zodra partijen tegen een voorzittersuitspraak
in verzet gaan.
Onderdeel C
In het voorgestelde artikel 1.13, derde lid, tweede volzin, is bepaald dat bij eilandsverordening
een maximaal huurverlagingspercentage kan worden vastgesteld. Op deze wijze kan de
eilandsraad ongewenste effecten op het gebied van de huurverlaging vanwege de inwerkingtreding
van het wetsvoorstel tegengaan.
Onderdeel D
De voorgestelde wijzigingen zijn wetstechnisch van aard.
Onderdelen E en F
Hoofdstuk 4 van het wetsvoorstel voorziet in een zodanige verruiming van het werkgebied
voor toegelaten instellingen, dat zij in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden
ook werkzaamheden mogen verrichten voor derden in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba. In de Veegwet wonen wordt voorgesteld dat toegelaten instellingen
in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden dergelijke werkzaamheden mogen
verrichten voor derden in het algemeen (Kamerstukken II 2015/16, 34 468, nr. 7, p. 4). Aangezien thans in artikel 40 van de Woningwet is bepaald dat toegelaten
instellingen feitelijk werkzaam mogen zijn in de genoemde openbare lichamen, dus na
inwerkingtreding van de Veegwet wonen ook voor derden die zich daar bevinden, is hoofdstuk
4 van onderhavig voorstel overbodig geworden.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk