Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734508 nr. 10

34 508 Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut

Nr. 10 AMENDEMENT VAN HET LID AMHAOUCH

Ontvangen 15 februari 2017

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel IV, eerste lid, wordt «2027» vervangen door: 2019.

II

In artikel V, eerste lid, wordt «2027» vervangen door: 2019.

III

In artikel VI, eerste lid, wordt «2027» vervangen door: 2019.

Toelichting

Met dit amendement wordt de overgangstermijn teruggebracht tot twee jaar. Al in 2004 heeft de Kamer zich bij de motie-De Pater-van der Meer (Kamerstukken II, 29 800 B, nr. 9) uitgesproken tegen de heffing van precario op de ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven, omdat deze wijze van belastingheffing in strijd is met de eis van herkenbaarheid en lokale democratische afwegingen doorkruist. In 2005 kondigde de regering aan de gedoogplicht van gemeenten voor kabels van telecombedrijven in gemeentegrond voor de precariobelasting, te zullen doortrekken naar kabels en waterleidingen in de gemeentegrond van nutsbedrijven (Kamerstukken II, 26 213, nr. 17). Naar de mening van de indiener hebben gemeenten voldoende tijd gehad om zich voor te bereiden op een beperking van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting. De indiener acht het ongewenst dat burgers van gemeenten die geen precario heffen nog tien jaar lang bijdragen aan de begroting van gemeenten die wel precario heffen.

Amhaouch