Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734506 nr. F

34 506 Voorstel van wet van het lid Kuiken houdende de invoering van een zorgplicht ter voorkoming van de levering van goederen en diensten die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen (Wet zorgplicht kinderarbeid)

F NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING1

Vastgesteld 26 juni 2017

De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de antwoorden van de initiatiefnemer en de regering, maar in hun optiek zijn een paar wezenlijke elementen van het voorstel nog onvoldoende helder. De genoemde leden hebben daarom nog een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de beantwoording door de regering en de initiatiefnemer van de in het voorlopig verslag gestelde vragen. De genoemde leden benadrukken dat zij groot belang hechten aan het tegengaan van alle vormen van kinderarbeid en dus het doel van deze wet onderschrijven dat consumenten het recht hebben te weten of de producten die zij aanschaffen vrij zijn van kinderarbeid. Toch blijven de leden van de D66-fractie vragen hebben over de nadere uitwerking van de wet en de effecten op het tegengaan van kinderarbeid.

2. Kinderarbeid op de Nederlandse markt

De leden van de CDA-fractie merken op dat, gevraagd naar de mate waarin door kinderarbeid tot stand gekomen producten op de Nederlandse markt worden aangenomen, de initiatiefnemer aangeeft dat een dergelijke inschatting niet kan worden gemaakt. Dat antwoord is naar de mening van de genoemde leden wel erg mager, te meer daar de Eerste Kamer wetsvoorstellen onder meer op effectiviteit dient te beoordelen. Kan de initiatiefnemer bij benadering aangeven, om welke orde van grootte het gaat?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de initiatiefnemer vervolgens meer in detail een inschatting kan geven waarom, en in hoeverre, zijn wetsvoorstel helpt bij het verkleinen van de hierboven gevraagde inschatting.

3. De rol van bedrijven

De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemer aangeeft dat bedrijven in voorkomende gevallen moeten «aantonen dat zij redelijkerwijs voldoende doen om kinderarbeid te voorkomen in hun productieketens». Kan de initiatiefnemer een opsomming geven van het soort handelingen dat van bedrijven wordt verwacht om te kwalificeren als «redelijkerwijs voldoende gedaan hebbend»? En wat is de inschatting van de initiatiefnemer als het gaat om de kosten die bedrijven hiervoor moeten maken?

Daarnaast horen de leden van de CDA-fractie graag wat de initiatiefnemer vindt van het oordeel van de regering om bepaalde categorieën bedrijven uit te sluiten van de zorgplicht. Ook vragen de genoemde leden graag aan de regering een inschatting om hoeveel bedrijven het gaat.

De leden van de D66-fractie gaan graag in op de mogelijkheid die de wet biedt om categorieën ondernemingen vrij te stellen van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Op basis van welke criteria worden categorieën ondernemingen eventueel vrijgesteld van het bepaalde bij of krachtens deze wet? Kunnen de initiatiefnemer en de regering inzicht verschaffen in de criteria die een rol kunnen spelen bij het verlenen van een dergelijke vrijstelling? Kunnen de initiatiefnemer en de regering tevens voorbeelden geven van mogelijke categorieën ondernemingen die voor een vrijstelling in aanmerking komen?

In het verlengde van het voorgaande vragen de leden van de D66-fractie zich af welke gevolgen de onderhavige wet heeft voor met name kleine bedrijven, wiens capaciteiten en mogelijkheden om een vergaande due dilligence ten aanzien van hun productketen te verrichten minder ver reiken. Op welke wijze houdt de toezichthouder rekening met de grootte van het bedrijf en zijn mogelijkheden? De ondernemer van een tankstation met bijbehorende winkel heeft bijvoorbeeld een veelvoud aan producten in het assortiment liggen, afkomstig van eveneens een veelvoud aan toeleveranciers. De leden van de D66-fractie horen graag wat de reikwijdte en omvang is van de onderzoeksplicht en de gepaste zorgvuldigheid die een dergelijke onderneming moet betrachten in de zin van de onderhavige wet.

De leden van de D66-fractie merken op dat onder meer VNO-NCW stelt dat de bereidheid van bedrijven om deel te nemen aan de IMVO-convenanten minder zou kunnen worden indien het voorliggende initiatiefvoorstel wordt aangenomen. De onduidelijkheid over de invulling van het wetsvoorstel en de AMvB heeft als mogelijk effect dat bedrijven zullen wachten op de invoering van het initiatiefvoorstel en niet deel zullen nemen aan een IMVO-convenant. Graag horen de leden van de D66-fractie hoe de initiatiefnemer en de regering tegen deze zorgen aankijken.

De leden van de D66-fractie gaan daarnaast graag in op de administratieve lasten die voortvloeien uit het wetsvoorstel. In de beantwoording van de vragen in het voorlopig verslag heeft de initiatiefnemer gesteld dat de regering onderzoek heeft gedaan naar de administratieve lasten. In dat onderzoek werd geconcludeerd dat de administratieve lasten per onderneming € 98 tot € 787 zijn. Het genoemde onderzoek is echter noch door de regering, noch door de initiatiefnemer bij de stukken gevoegd. Het is voor de leden van de D66-fractie niet duidelijk waarop de voornoemde berekening is gebaseerd. De leden van de D66-fractie zouden er prijs op stellen het genoemde onderzoek te kunnen raadplegen. Kunnen de initiatiefnemer en/of de regering het genoemde onderzoek waarin wordt geconcludeerd dat de mogelijk administratieve lasten € 98 tot € 787 euro per onderneming zijn alsnog ter beschikking stellen?

4. Toezicht

De leden van de CDA-fractie horen graag in hoeverre de initiatiefnemer zich ervan heeft vergewist dat de toezichthouder in staat is om het wetsvoorstel eventueel uit te voeren. Hoe stelt de initiatiefnemer zich voor dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zich een gefundeerd oordeel vormt over eventuele kinderarbeid, die ver buiten Nederland, en veel eerder in de keten plaatsvindt?

In het voorlopig verslag hebben de leden van de D66-fractie enkele vragen gesteld ten aanzien van de rol en werkwijze van de toezichthouder, welke deels onbeantwoord zijn gebleven. De leden van de D66-fractie begrijpen dat er nog geen beslissing is genomen over wie die toezichthoudende rol zou moeten krijgen? Komt dit omdat de eerder genoemde ACM hier geen rol voor zichzelf ziet weggelegd? Welke alternatieven zien de regering en de indiener en hoe kijken deze instanties zelf tegen die mogelijke rol aan? Immers, het succes van deze wet hangt ook samen met een toezichthouder die daadwerkelijk in staat is deze rol te vervullen.

De leden van de D66-fractie merken daarbij op dat de bevoegdheden van een toezichthoudende instantie ten aanzien van de buitenlandse ondernemingen waar de kinderarbeid (mogelijk) plaatsvindt zeer beperkt zijn. Op welke wijze controleert de aan te wijzen toezichthouder of een gedane klacht gegrond is indien zij daartoe onderzoek dient te doen naar of bij een buitenlandse onderneming in de keten? Ziet de initiatiefnemer hierin een rol voor Nederlandse en of Europese ambassades en het Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen?

Daarnaast horen de leden van de D66-fractie graag hoe specifiek en gedetailleerd de verklaringen die aan de toezichthouder gestuurd worden, moeten zijn. Kan de methode die gebruik wordt in de Modern Slavery Act, die het Verenigd Koninkrijk in 2015 heeft aangenomen, als een voorbeeld dienen? De genoemde leden zien hierop graag een reactie van de regering en de initiatiefnemer.

De leden van de D66-fractie gaan ook graag in op de beschrijving van het begrip belanghebbende. Een natuurlijk persoon of een rechtspersoon wiens belangen geraakt zijn door het doen of nalaten van een onderneming bij de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet heeft de mogelijkheid om daarover een klacht in te dienen bij de toezichthouder. De voorgaande beschrijving van een belanghebbende in de zin van deze wet lijkt niet aan te sluiten bij de definitie van het begrip belanghebbende zoals neergelegd in artikel 1:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Kunnen de initiatiefnemer en de regering toelichten of er bewust is gekozen voor een andere invulling van het begrip belanghebbende in deze wet of dat de definitie niet wezenlijk verschilt van de definitie zoals neergelegd in de Awb?

Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat aan de voornoemde mogelijkheid voor consumenten om een klacht in te dienen, de wet het vereiste stelt dat de natuurlijk persoon of de rechtspersoon een «concrete aanwijzing» moet hebben dat een onderneming het bepaalde bij of krachtens deze wet niet naleeft. De wet geeft geen inzicht in wat er precies moet worden verstaan onder het begrip concrete aanwijzing. Kunnen de initiatiefnemer en de regering aangeven hoe het begrip concrete aanwijzing moet worden ingevuld, zo vragen de leden van de D66-fractie? Op welke wijze kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon over een dergelijke concrete aanwijzing beschikken?

5. Relatie tot andere wetgeving en AMvB

De leden van de CDA-fractie merken op dat ook andere wet- en regelgeving over dit onderwerp op stapel staat. Waarin ligt in de optiek van de initiatiefnemer de meerwaarde van het eveneens invoeren van zijn wetsvoorstel? En wat is er tegen om te wachten op de implementatie van deze andere regelgeving over dit onderwerp?

De leden van de D66-fractie constateren dat het succes van deze wet voor een heel groot deel zal afhangen van de nadere uitwerking in een AMvB. De vraag is of er al een overzicht is van welke belangrijkste punten van uitvoering in de AMvB geregeld moeten worden en welke punten echt in de hoofdwet horen te staan. Graag horen de leden van de D66-fractie hierop een reactie van de indiener en de regering.

De leden van de vaste commissie zien de reactie van de initiatiefnemer graag binnen vier weken met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Schrijver

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk


X Noot
1

Samenstelling: Kox (SP), (vice-voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Van Kappen (VVD), Kuiper (CU), Schaap (VVD), (vice-voorzitter), Strik (GL), Knip (VVD), Barth (PvdA), Faber-van de Klashorst (PVV), De Graaf (D66), De Grave (VVD), Hoekstra (CDA), Martens (CDA), Schrijver (PvdA), (voorzitter), Van Beek (PVV), Van Apeldoorn (SP), Dercksen (PVV), D.J.H. van Dijk (SGP), Knapen (CDA), Lintmeijer (GL), Van Rij (CDA), Schaper (D66), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), Overbeek (SP), Sini (PvdA) en Baay-Timmerman (50PLUS).