Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634506 nr. 2

34 506 Voorstel van wet van het lid Van Laar houdende de invoering van een zorgplicht ter voorkoming van de levering van goederen en diensten die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen (Wet zorgplicht kinderarbeid)

Nr. 2 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te voorkomen dat mensen in Nederland goederen en diensten die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen kunnen kopen en dat het gelet daarop wenselijk is de zorgplicht van ondernemingen om te voorkomen dat zij goederen en diensten leveren die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen wettelijk te verankeren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. kinderarbeid:

arbeid, verricht door:

  • 1°. personen jonger dan 13 jaar; of

  • 2°. personen ouder dan 12 jaar en jonger dan 16 jaar, voor zover het arbeid betreft die de ergste vormen van kinderarbeid betreffen, bedoeld in artikel 3 van het op 17 juni 1999 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (Trb. 1999, 177);

b. eindgebruiker:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het goed gebruikt of verbruikt of de dienst afneemt;

c. onderneming:

een onderneming in de zin van artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een onderneming als bedoeld artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

d. de verantwoordelijke:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die, alleen of tezamen met anderen, het bestuur van de onderneming vormt;

e. toezichthouder:

de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;

f. Onze Minister:

de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

g. bindende aanwijzing:

een zelfstandige last die wegens een overtreding wordt opgelegd.

h. zelfstandige last:

de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen, bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ter bevordering van de naleving van wettelijke voorschriften.

Artikel 2 Toezicht

  • 1. De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

  • 2. De artikelen 3, 4, 5, 6a, tiende lid, 6b, de leden 1, 2 en 3, 7, 8, 10, 11, 12a tot en met 12g en 12j tot en met 12n, 12o, eerste lid, en 12q tot en met 12w van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3 Verklaring

  • 1. Een onderneming die in Nederland is gevestigd en goederen of diensten levert aan een eindgebruiker in Nederland of die stelselmatig goederen of diensten levert aan een eindgebruiker in Nederland, verklaart dat zij gepaste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 4 betracht om te voorkomen dat die goederen of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand komen.

  • 2. De onderneming zendt de verklaring bij inschrijving in het handelsregister onverwijld naar de toezichthouder. De onderneming die niet in het Europese deel van Nederland is gevestigd en die niet wordt ingeschreven in het Handelsregister, zendt de verklaring naar de toezichthouder op het moment dat de onderneming stelselmatig goederen levert aan eindgebruikers in Nederland.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen uitzonderingen worden toegestaan voor het tijdstip waarop de verklaring wordt aangeleverd en kunnen nadere regels worden gesteld over inhoud en vorm van de verklaring.

  • 4. Onder het leveren van goederen, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan het enkel vervoeren van goederen.

Artikel 4 Gepaste zorgvuldigheid

  • 1. Een onderneming betracht in ieder geval gepaste zorgvuldigheid door:

    • a. onderzoek te doen of er een redelijk vermoeden bestaat dat de te leveren goederen of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen;

    • b. een plan van aanpak op te stellen indien het onder a bedoelde onderzoek uitwijst dat een redelijk vermoeden bestaat dat de te leveren goederen of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen.

  • 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op bronnen die voor de onderneming redelijkerwijs kenbaar en raadpleegbaar zijn.

  • 3. Het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid, onder b, dient in overeenstemming met internationale richtlijnen te worden opgesteld en bevat maatregelen die voorkomen dat de onderneming goederen of diensten levert die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek en aan het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Onze Minister treedt in overleg met de sociale partners om ondernemingen kinderarbeid op doelmatige en doeltreffende wijze te laten bestrijden en ondernemingen daarbij te ondersteunen.

  • 6. Onze Minister kan een gezamenlijk plan van aanpak dat tot doel heeft om daarbij aangesloten ondernemingen gepaste zorgvuldigheid te laten betrachten om te voorkomen dat goederen of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand komen, en dat tot stand komt tussen één of meer maatschappelijke organisaties, organisaties van werknemers of organisaties van werkgevers, goedkeuren. Een onderneming die handelt in overeenstemming met een door Onze Minister goedgekeurd gezamenlijk plan van aanpak, betracht gepaste zorgvuldigheid.

Artikel 5 Bestuurlijke boete

  • 1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de tweede categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van overtreding van artikel 3, tweede lid.

  • 2. Voor het niet betrachten van gepaste zorgvuldigheid in overeenstemming met de verklaring, bedoeld in artikel 3, eerste lid, kan de toezichthouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de geldboete van de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete is opgelegd.

  • 3. Artikel 23, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing op de eerste twee leden van dit artikel.

  • 4. De toezichthouder legt geen bestuurlijke boete op wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, dan nadat hij een bindende aanwijzing heeft gegeven. De toezichthouder kan de overtreder een termijn stellen waarbinnen de aanwijzing moet opgevolgd.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing indien de overtreding opzettelijk is gepleegd of het gevolg is van ernstig verwijtbare nalatigheid.

Artikel 6 Opschorting boete

De werking van een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, op het bezwaar respectievelijk het beroep is beslist.

Artikel 7 Strafbaarstelling

  • 1. De verantwoordelijke voor een onderneming die binnen een tijdvak van vijf jaar tweemaal is beboet op grond van artikel 5, tweede lid, wordt gestraft met een geldboete van de zesde categorie, of indien de verantwoordelijke een natuurlijke persoon is, met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

  • 2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

  • 3. Met de opsporing van de in dit artikel omschreven feiten zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren.

Artikel 8 Evaluatie

Onze Minister zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, maar niet eerder dan 1 januari 2020.

Artikel 10 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet zorgplicht kinderarbeid.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,