Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201934491 nr. 10

34 491 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen)

Nr. 10 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 15 februari 2019

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Onderdeel XX komt te luiden:

XX

Artikel 261 komt te vervallen.

b. In onderdeel CCC vervalt het vierde lid, onder vernummering van het vijfde lid tot het vierde lid.

c. Na onderdeel CCC wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

CCCA

Na artikel 298 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 298a

1. Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.

2. Het in het voorgaande lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op commissarissen.

2

Artikel XII komt te luiden:

Artikel XII Wijziging van de Woningwet

De Woningwet wordt als volgt gewijzigd:

a. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervallen de eerste en tweede volzin.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot derde lid.

b. Artikel 32 komt te vervallen.

Toelichting

Onderdeel a en onderdeel 2

Bij de eerste nota van wijziging zijn abusievelijk twee onderdelen uit het wetsvoorstel komen te vervallen. Het gaat om:

(i) Onderdeel XX dat artikel 2:261 BW liet vervallen. Artikel 2:261 BW kan vervallen omdat dit artikel overbodig is in het licht van de ontstentenis- en beletregeling van de BV in artikel 2:252 lid 4 BW (vgl. onderdeel a);

(ii) Artikel XII waarmee is voorzien in de aanpassingswetgeving van de Woningwet (vgl. onderdeel 2).

Met deze nota van wijziging worden beide onderdelen weer in het wetsvoorstel ingevoegd.

Onderdelen b en c

In het voorgestelde artikel 2:298 BW was in lid 4 opgenomen dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder door de rechter niet kan worden uitgesproken. Met deze bepaling wordt recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om bestuurd te worden door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is (vgl. Kamerstukken II, 34.491 nr. 3, p. 18). Door de plaatsing in dit artikellid zou de indruk kunnen ontstaan dat deze bepaling alleen zou gelden in geval van rechterlijk ontslag op grond van artikel 2:298 BW, terwijl ontslag van een stichtingsbestuurder of commissaris ook op andere wijze kan plaatsvinden. Vanwege de algemene strekking is ervoor gekozen om dit voorschrift in een apart artikel 2:298a BW te plaatsen.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker