Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634478 nr. 6

34 478 Aanpassing van enige bepalingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de reparatie van enige onvolkomenheden

Nr. 6 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 juni 2016

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I, onderdeel F, komt te luiden:

F

In de artikelen 1.62, tweede en derde lid, 1.63, tweede lid, 1.65, eerste lid, en 1.72, eerste lid, wordt «de artikelen 1.45 tot en met 1.59» vervangen door: de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59.

2

Na artikel I, onderdeel F, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Fa

In artikel 1.61, eerste lid, wordt «de artikelen 1.45 tot en met 1.59» vervangen door: de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59.

3

Artikel I, onderdeel G, onder 1, komt te luiden:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 1.45, derde lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.

4

Na artikel I, onderdeel H, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Artikel 1.72 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de houder» vervangen door: degene.

2. In het tweede lid vervalt: van de houder.

5

Artikel I, onderdeel L, komt te luiden:

L

In de artikelen 2.20, tweede lid, 2.21, tweede lid, en 2.23, eerste lid, wordt «de artikelen 2.5 tot en met 2.16» vervangen door: de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16.

6

Na artikel I, onderdeel L, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

La

In artikel 2.19, eerste lid, wordt «de artikelen 2.5 tot en met 2.16» vervangen door: de artikelen 2.2, tweede lid, 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16.

Lb

In artikel 2.20, eerste lid, wordt na «de toezichthouder» ingevoegd: houdt toezicht op de naleving van artikel 2.2, tweede lid, en.

7

Na artikel I, onderdeel N, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Na

Artikel 2.27 vervalt.

8

Artikel I, onderdeel O, komt te luiden:

O

Artikel 2.28 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de houder» vervangen door «degene» en «de artikelen 2.5 tot en met 2.16» door: de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16.

2. In het tweede lid vervalt: van de houder.

3. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Dit artikel is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.

9

Het in artikel II, onderdeel D, voorgestelde artikel 1.61, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels;.

10

Het in artikel II, onderdeel J, voorgestelde artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de bij of krachtens de artikelen 2.2, tweede lid, 2.4, eerste lid, 2.4c, tweede en derde lid, en 2.5 tot en met 2.16;

11

Aan artikel III wordt een zin toegevoegd, luidende: In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum.

Toelichting

Onderdelen 1 tot en met 6, 8, 9 en 10

Met het wetsvoorstel is artikel 1.45, derde lid, per abuis uit de opsomming van de artikelen gehaald waarop de toezichthouder toeziet. Dit wordt met deze onderdelen van de nota van wijziging hersteld. In artikel 1.61, eerste lid, en 1.62, eerste lid, wordt toegevoegd dat de toezichthouder toezicht houdt op de naleving van artikel 1.45, derde lid. Voor de artikelen over peuterspeelzaalwerk wordt dit eveneens aangepast in de artikelen 2.19, eerste lid, en 2.20, eerste lid. In artikel 1.72, eerste lid, is «de houder» vervangen door «degene» om daarmee duidelijk te maken dat het college eveneens een bestuurlijke boete kan opleggen indien er nog geen aanvraag is gedaan of geen positieve beslissing op een aanvraag tot exploitatie is gegeven. Deze wijziging is ook doorgevoerd in artikel 1.72, tweede lid. Voor de artikelen over peuterspeelzalen worden dezelfde wijzigingen voorgesteld voor artikel 2.28, eerste en tweede lid.

Onderdelen 7 en 8

Met deze onderdelen wordt een technische wijziging opgenomen in het wetsvoorstel. Artikel 2.27 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat afdeling 4 van hoofdstuk 2 slechts van toepassing is op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Dit heeft tot gevolg dat artikel 2.28a, dat onder meer bepaalt dat vermeldingen omtrent handhaving worden opgenomen in het register peuterspeelzaalwerk zodra de besluiten onherroepelijk zijn, niet van toepassing is op gesubsidieerde peuterspeelzalen. Dit is niet bedoeld en wordt ook niet zo toegepast in de praktijk. Met deze onderdelen wordt dit hersteld en geregeld dat artikel 2.28a eveneens voor gesubsidieerde peuterspeelzalen geldt.

Onderdeel 11

In het onderhavige wetsvoorstel is in artikel I, onderdelen B, onder 2 en 3, C en R voorgesteld enige bepalingen aan te passen met betrekking tot het recht op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag, waardoor er meer flexibiliteit ontstaat bij de vaststelling daarvan. Het parlement is bij de invulling daarvan betrokken via een zogenoemde voorhangprocedure die op grond van artikel 3.11 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen geldt ten aanzien van wijzingen van bepalingen uit het Besluit kinderopvangtoeslag. De voorgenomen wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag ten behoeve van het jaar 2017 is inmiddels bij het parlement voorgehangen (brief d.d. 27 mei 2016). Genoemd besluit moet in verband met de uitvoering daarvan door de Belastingdienst/Toeslagen uiterlijk medio oktober worden gepubliceerd in het Staatsblad en voor genoemde onderdelen per 1 januari 2017 in werking treden. Dit betekent dat het wetsvoorstel, dat mede de grondslag biedt voor genoemd besluit, rekening houdend met de Wet raadgevend referendum, uiterlijk op 20 oktober 2016 door beide kamers der Staten-Generaal moet zijn aanvaard. Om enige uitloop mogelijk te maken, wordt via deze nota van wijziging voorgesteld zo nodig toepassing te geven aan artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher