Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734473-(R2069) nr. A

34 473 (R2069) Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling

A VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING1

Vastgesteld 1 december 2016

Het wetsvoorstel Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut voor de Organisatie van de Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling (UNIDO), heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het Statuut voor de Organisatie van de Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling. Blijkens de toelichting horende bij het voorstel is de regering van mening dat de effectiviteit van UNIDO onvoldoende is en UNIDO ook geen breder Nederlands belang dient, noch een onmisbare schakel in het mondiale ontwikkelingssysteem is. De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen die ze graag aan de regering voorleggen.

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het regeringsvoornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut voor de Organisatie van de Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling. Zij hebben zorg over het signaal dat uitgaat van dit voornemen en hebben daarom een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met bevreemding kennis genomen van het wetsvoorstel ter opzegging van het UNIDO Statuut. Dit drie jaren nadat de Eerste Kamer in een plenair debat d.d. 12 november 2013 vele vraagtekens bij het soortgelijke wetsvoorstel 33462 plaatste. De aan het woord zijnde leden beschouwen zowel het partij worden bij een multilateraal verdrag als het opzeggen daarvan als een onderwerp waar niet lichtvoetig mee moet worden omgegaan. Ongetwijfeld deelt de regering dit standpunt. Vanuit dit fundamentele uitgangspunt willen de leden de regering graag nog enkele vragen stellen over de spoedprocedure, de Nederlandse beoordeling van het functioneren van UNIDO, het precedent van het opzeggen door Nederland van het lidmaatschap van een multilaterale organisatie en het consulteren van de overige gebiedsdelen van het Koninkrijk. Zij wijzen in dat verband ook op de kritische bewoordingen die de Raad van State heeft geuit bij zowel het vorige als het huidige wetsvoorstel.

De fractie van GroenLinks heeft kennis genomen van het voornemen van de regering tot opzegging van het lidmaatschap van UNIDO. Deze fractie heeft daarbij een aantal vragen.

Scorekaarten en beleidsprioriteiten

Blijkens de toelichting horende bij het voorstel is de regering van mening dat de effectiviteit van UNIDO onvoldoende is en UNIDO ook geen breder Nederlands belang dient, noch een onmisbare schakel in het mondiale ontwikkelingssysteem is. De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen die ze graag aan de regering voorleggen.

Graag vernemen de leden van de D66-fractie op welke wijze de genoemde «scorecards» zijn gebruikt bij de afweging dit verdrag op te zeggen en hoe dit zich verhoudt tot andere VN-organisaties die op hetzelfde niveau functioneren. Ook zouden deze leden willen vernemen op welke wijze de regering of haar vertegenwoordigers in de afgelopen drie jaar actief betrokken zijn geweest in gesprekken en contacten met vertegenwoordigers van de UNIDO om deze efficiëntie te vergroten.

De Minister deelt mede dat, gezien «de noodzaak tot prioriteitsstelling en efficiënte inzet van middelen,» Nederland zich alleen in beperkte mate heeft ingespannen om de effectiviteit van UNIDO te verbeteren.2 De leden van de fractie van D66 zijn met de Minister van mening dat er kritisch moet worden gekeken naar de effectiviteit en resultaten van VN-taakorganisaties. UNIDO heeft volgens eigen zeggen3 alleen niet kunnen bijdragen aan de scorecards via «up-to-date and balanced information» die de regering nu gebruikt om aan te tonen dat de organisatie niet voldoende efficiënt en effectief functioneert. Kan de regering toelichten hoe zij tegen deze observatie aan kijkt? Daarnaast heeft de UNIDO ook interne maatregelen doorgevoerd voor verbetering van transparantie (zie de open data platform website4) en interne controlemechanismen zoals een «Independent Office for Internal Oversight» en een «Audit Advisory Committee» opgezet. Heeft de regering dergelijke ontwikkelingen bij UNIDO meegewogen in haar voornemen tot opzegging van het Statuut, zo vragen de aan het woord zijnde leden? Hoe beoordeelt de regering de opzegging in het licht van deze hervormingen binnen de organisatie?

In de memorie van toelichting, zo merken de leden van de SP-fractie op, memoreren de betrokken ministers de behandeling in 2013 van een wetsvoorstel van gelijke strekking dat de regering introk naar aanleiding van het debat in de Eerste Kamer. Zoals de regering terecht stelt, was een van de redenen voor de Eerste Kamer om niet akkoord te gaan, het ontbreken van een feitelijke onderbouwing van de stelling dat UNIDO onvoldoende presteert. Met het verschijnen in 2015 van «de multilaterale scorekaarten» is die onderbouwing er nu wel, zo stelt de Minister.

De leden van de SP-fractie hebben vragen met betrekking tot deze genoemde scorekaarten (zowel wat betreft de aard van de feitelijke onderbouwing alsook met betrekking tot de consistentie van de erop gebaseerde evaluatie); de vermeende ineffectiviteit van UNIDO; het ontbreken van voldoende relevantie; de inspanningen van de regering in de afgelopen drie jaar om verbetering te bewerkstelligen; en het bredere kader van de Nederlandse rol in de context van het VN-systeem.

De leden van de SP-fractie vragen zich af welke inspanningen de regering in de afgelopen drie jaar precies heeft gedaan om tot verbetering van de situatie bij UNIDO te komen. In de Nota naar Aanleiding van het Verslag lezen de aan het woord zijnde leden dat de regering alleen indirect via de EU heeft gecommuniceerd met UNIDO over verbetering van het functioneren van de organisatie. Is dit een juiste lezing of heeft de regering ook in rechtstreeks contact met UNIDO gesproken over haar zorgen met betrekking tot de effectiviteit van de organisatie? Zo ja, kan de regering aangeven wanneer, met welke inzet, en met welk resultaat? Zo niet, kan de regering dan aangeven waarom niet? In aansluiting hierop vragen de leden van de SP-fractie zich ook af of het klopt dat de regering geen hoor en wederhoor toepast voordat zij haar beoordeling van multilaterale instellingen in scorekaarten vaststelt? Als dit juist is, kan de regering dan aangeven waarom dit basale principe in dit geval niet van toepassing zou behoeven te zijn?

Ook met betrekking tot de vraag naar de samenhang tussen UNIDO-activiteiten en de zwaartepunten in het Nederlandse beleid hebben de leden van de SP-fractie enkele vragen.

In de overzichtstabel van de regering5 staat bij UNIDO slechts een kruisje (private sectorontwikkeling) terwijl de regering elders aangeeft dat UNIDO ook relevante activiteiten ontplooit op de terreinen voedselzekerheid, water, gendergelijkheid en met name ook klimaat.

Zowel uit de omschrijving in de scorekaart zelf, als uit nadere informatie die van en over UNIDO is verkregen, komt het beeld naar voren dat UNIDO wellicht aanzienlijk relevanter is dan uit het overzicht blijkt, zo constateren de leden van de SP-fractie.

De Nederlandse regering heeft bij herhaling benadrukt hoe belangrijk de SDGs en de Agenda 2030 zijn voor het Nederlandse beleid, en UNIDO speelt daarin ook volgens uitspraken van de Nederlandse regering een belangrijke rol. Een maand geleden (27-10-2016) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich bij monde van de Centre for the Promotion of Imports (CBI) Programme Manager lovend uitgelaten over de rol van UNIDO bij een project voor ontwikkeling van de leerindustrie in Ethiopië. Het CBI spreekt daarbij uit dat «we are ready to work in synergy with UNIDO for increasing the effectiveness of our interventions» 6. Kan de regering aangeven hoe deze verschillende geluiden gerijmd kunnen worden, en hoe uit dit beeld toch de conclusie getrokken kan worden dat opzegging van het verdrag noodzakelijk is? Hoe verdraagt dit zich met de noodzaak om tot consistent beleid te komen?

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de beoordeling van de regering van het functioneren van een aantal multilaterale organisaties via de zogenaamde scorekaarten7. Zij hebben opgemerkt dat UNIDO, tezamen met een aantal andere multilaterale organisaties waaronder de Wereldgezondheidsorganisatie, niet hoog scoort op deze Nederlandse meetlat, zij het dat die score net niet onvoldoende is. Zonder te willen treden in een discussie over de gebruikte methode en de geraadpleegde bronnen, vragen de leden zich af of een beoordeling van de effectiviteit van een mondiale organisatie op basis van thans geldende (en veelal per kabinetsperiode wisselende) Nederlandse beleidsprioriteiten wel een volledig en juist beeld van het functioneren van UNIDO kan verschaffen zeker nu, zoals de regering herhaaldelijk heeft gerapporteerd, UNIDO als een posterioriteit en geen prioriteit van Nederlands ontwikkelingsbeleid is te beschouwen. Deelt de regering de opvatting van de aan het woord zijnde leden dat dit voor een internationale organisatie het gevaar in zich bergt zich voortdurend te moeten aanpassen aan zich wijzigende doelstellingen van de regeringen van 170 lidstaten?

Om die reden vragen deze leden dan ook of de mate van doeltreffende verwezenlijking van de collectief door de lidstaten en UNIDO-leiding uitgezette koers niet belangrijker is dan de bijdrage aan de specifieke beleidsdoelstellingen van een enkele lidstaat?

In dit verband vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering om een reactie van de regering op de voortrekkersrol van UNIDO bij het bevorderen van SDG 9 (de bevordering van inclusieve en duurzame industriële ontwikkeling) en haar Medium-Term Programme Framework 2016–2019?

Heeft de regering, naast de in het vorige debat van de Eerste Kamer aangehaalde positieve beoordelingen van de Norwegian Agency for Development Cooperation (NORAD) en de Department for International Development (DFID), kennis kunnen nemen van de evaluatie van de Europese Unie op basis van een mede door Ernst&Young verrichte studie? Wat is haar oordeel hierover?

Is de regering ervan op de hoogte dat UNIDO in de afgelopen twee jaren recordbedragen (in 2015 bijna 490 miljoen euro) additionele vrijwillige bijdragen heeft weten te genereren voor haar operationele activiteiten?

Daarnaast merken de leden van de PvdA-fractie op dat duurzame en inclusieve industriële ontwikkeling heel dicht ligt bij private sectorontwikkeling, een begrip dat wel volop in het huidige beleid van de regering figureert. UNIDO is met name actief op het gebied van energie, waterbeheer en groene groei, met als doel armoedebestrijding, bevordering van de werkgelegenheid en versterking van de particuliere sector met speciale aandacht voor het midden- en kleinbedrijf en het bestrijden van jeugdwerkloosheid. Ook al behoren deze onderwerpen misschien niet tot de huidige prioriteiten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, vindt de regering desalniettemin dat dit internationaal belangrijke onderwerpen zijn?

Na het aanhouden van het wetsvoorstel in 2013 heeft de regering UNIDO opnieuw beoordeeld op de criteria organisatie-effectiviteit en relevantie voor de Nederlandse beleidsprioriteiten, zo constateren de leden van de GroenLinks-fractie. De uitkomsten zijn vastgelegd in een scorekaart 2015. Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden deze scorekaart om een eigen beoordeling te kunnen maken van de ontwikkelingen sinds 2012.

Voor zover de leden van de fractie van GroenLinks van de organisatie UNIDO hebben begrepen, is de Nederlandse regering niet het gesprek aangegaan met UNIDO om de werkzaamheden effectiever en meer in overeenstemming met de Nederlandse beleidsprioriteiten te brengen. Na aanhouding van het wetsvoorstel tot opzegging wegens gebrek aan steun in de Eerste Kamer in 2013 zou dat een logische stap zijn geweest. Ook heeft de regering volgens de organisatie zijn formele positie in de daartoe strekkende organen van UNIDO niet aangewend om de gewenste invloed uit te oefenen. Klopt het dat de regering zijn invloed binnen UNIDO niet heeft aangewend? Zo ja, waarom heeft de regering dat niet gedaan? Zo nee, waarom heeft die invloed niet tot het in de ogen van de regering gewenste resultaat geleid?

De leden van de GroenLinks-fractie signaleren dat er binnen UNIDO de afgelopen jaren in projecten is ingezet op samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven, het Nederlands bedrijfsleven tot een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro heeft geprofiteerd van aanbestedingen door UNIDO en dat thema's als watermanagement, voedselveiligheid en tegengaan van voedselverspilling, aanpak van vervuiling door industriële productie in ontwikkelingslanden en investeringen in hernieuwbare energie zijn opgepakt. Herkent de regering deze ontwikkeling en ziet de regering met de leden van de fractie van GroenLinks dat deze thema's voor wat betreft industriële ontwikkelingen (inmiddels) goed aansluiten op de focusthema's water en voedselzekerheid die de regering hanteert?

SDGs en klimaat

Volgens de leden van de fractie van D66 heef Nederland een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de Sustainable Development Goals (SDG). Deze SDGs moeten ertoe leiden dat in 2030 de wereld vrij is van armoede, honger en ziektes. Er moeten dan oplossingen zijn gevonden voor problemen op het gebied van onder andere water, sanitatie, klimaat en energie. Duurzame economische ontwikkeling en partnerships zijn voorbeelden van belangrijke middelen om deze doelen te bereiken. In deze context ontvangt de fractie van D66 dan ook graag een nadere toelichting op de stelling van de regering dat UNIDO onvoldoende relevant is gezien de Nederlandse beleidsprioriteiten.

UNIDO richt zich op armoedebestrijding door bevordering van inclusieve en duurzame industriële ontwikkeling, waarbij de prioriteiten productieve ontwikkeling, bevorderen van economische concurrentiekracht, energie en milieubescherming zijn.8 Er zijn diverse SDGs die direct of indirect samenhangen met prioriteiten en programma's van de UNIDO. Denk bijvoorbeeld aan projecten en programma's van de UNIDO rondom «partnerships» (SDG 17) tussen de privé sector, het gastland, internationale donors en de internationale financiële instellingen om ontwikkelingslanden te helpen bij het realiseren van inclusieve en duurzame industrialisering (SDG 9) waardoor zij werkgelegenheid en economische groei kunnen genereren (SDG 8). Dit draagt weer bij aan de vermindering van armoede, honger en ongelijkheid (SDG 1, 2, 5, 10). Hierbij legt de organisatie, met zijn belangrijke milieudepartement, de nadruk op het efficiënte gebruik van energie en grondstoffen (SDG 7, 12), een vermindering van CO2 emissies en vervuiling (SDG 13, 14, 15). Hoe beoordeelt de regering de rol van de UNIDO in het helpen behalen van de doelstellingen van de 2030 Agenda voor Duurzame Ontwikkeling?

De leden van de D66-fractie vernemen ook graag van de regering hoe dit wetsvoorstel tot opzegging van het Statuut van de UNIDO zich verhoudt tot de inzet van Nederland op SDGs waar duurzame industriële ontwikkeling juist wel één van de belangrijke thema's is, zoals SDG 9 (Bouw veerkrachtige infrastructuur, bevorder inclusieve en duurzame industrialisering en stimuleer innovatie)? Er is zelfs geen andere VN-organisatie die direct verantwoordelijk is voor deze focus van deze SDG. Graag ontvangen deze leden een uitgebreide toelichting van de regering.

De leden van de D66-fractie zien ook graag een reactie van de regering op de rol van de UNIDO bij de uitvoering van het klimaatakkoord van Parijs, met name als het gaat om de rol van de industrie in het terugdringen van bijvoorbeeld de uitstoot van CO2.

Precedent van het opzeggen van het lidmaatschap van een multilaterale organisatie

Bij de behandeling in 2013 van het eerdere voorstel tot opzegging van het Statuut van de UNIDO in de Eerste Kamer zijn, onder meer door de leden van de D66-fractie, zorgen geuit over de multilaterale reputatie en traditie van Nederland en over een mogelijk precedent met negatieve externe werking in geval van opzegging van het lidmaatschap door Nederland. In haar advies horende bij voorliggend voorstel heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State aangegeven dat niet blijkt dat deze aspecten dit keer wél zijn meegewogen.9 Op de zorgen van de Afdeling antwoordt de Minister in korte bewoordingen dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de prioriteitstelling tot reputatieschade voor Nederland kan leiden.10 Kan de regering dieper op dit aspect in gaan, mede in het licht van de aanstaande Nederlandse zetel in de VN Veiligheidsraad en de positie van Nederland als een land dat zich inzet voor internationale samenwerking, juist via de VN, zo vragen deze leden? En welk precedent schept Nederland, volgens de regering, door zich eenzijdig terug te trekken uit deze VN-werkorganisatie voor andere leden die ook wel iets zien in een dergelijke «selectief winkelen»-aanpak?

In de Nota naar Aanleiding van het Verslag11 geven de ministers aan dat het Medium Term Programme Framework (MTPF) 2016–2019 van UNIDO «een goede basis kan bieden voor de verbetering van effectiviteit en efficiency». Een eerste beoordeling van de resultaten kan plaatsvinden in juni 2017, zo geeft de regering aan. Kan de regering aangeven welke urgentie er mee gemoeid is om de drastische stap van opzegging van het statuut nog met spoed in 2016 te willen zetten, als in juni 2017 de eerste resultaten bekend zijn van een programma dat een goede basis voor verbetering van de effectiviteit en efficiëntie vormt, zo vragen de leden van de fractie van de SP?

Met de Raad van State merken de leden van de PvdA-fractie op dat het beëindigen van het lidmaatschap van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties een «ingrijpende stap» is, voor zowel die organisatie als ook voor Nederland zelf. In het plenaire debat van 12 november 2013 heeft de woordvoerder van de PvdA-fractie gesteld: «Voor de soliditeit, de voorspelbaarheid en de effectiviteit van internationale organisaties achten wij het van groot belang niet te vervallen tot een «VN à la carte», waar een land naar genoegen uit, en ook weer in kan stappen.» Deelt de regering dit uitgangspunt? Kan de regering de Eerste Kamer informatie verschaffen over eerdere gevallen waarin Nederland via verdragsopzegging uit een gespecialiseerde organisatie van de VN is gestapt?

Het lidmaatschap van de Verenigde Naties is geen vrijblijvende zaak maar een commitment dat structureel wordt aangegaan met alle kansen (zoals tijdelijk lidmaatschap van de Veiligheidsraad en het bijdragen aan de internationale rechtsorde) en vraagstukken (zoals financiële bijdragen aan de VN-organisaties) die daar bij horen, zo vinden de leden van de GroenLinks-fractie. In het verlengde daarvan vindt de fractie van GroenLinks dat ook het lidmaatschap van de organisaties van de VN in belangrijke mate gebaseerd moet zijn op continuïteit en mede richting geven aan de ontwikkelingen. Deelt de regering dit uitgangspunt of ziet zij meer in een cafetaria-model, waarbij naar believen wordt deelgenomen aan de activiteiten die de VN-organisaties ten toon spreiden?

De spoedprocedure

De leden van de PvdA-fractie hebben goede nota genomen van het verzoek van de regering om dit wetsvoorstel 34473 met spoed te behandelen. Alhoewel zij zeker genegen zijn hier naar vermogen aan mee te werken, bevreemdt het deze leden dat de regering ruimschoots de tijd heeft genomen om tot een nieuw besluit te komen over het voornemen tot opzegging van het UNIDO-Statuut. De regering publiceerde immers op 19 juni 2015 de zogenaamde scorekaart maar kwam pas in mei 2016 met een nieuw wetsvoorstel en beantwoordde pas op 29 september jl. de niet al te uitgebreide serie vragen die twee fracties op 9 juni 2016 aan haar hadden gesteld. Vervolgens kwam de Tweede Kamer eerst op 17 november jl. bij hamerslag tot besluitvorming. Deelt de regering de opvatting van deze leden dat op die manier voor de Eerste Kamer weinig tijd en ruimte wordt gelaten het wetsvoorstel gedegen te behandelen?

Mogelijk toekomstig UNIDO-lidmaatschap van de Europese Unie?

Nu reeds een intensieve samenwerking tussen de Europese Unie en UNIDO bestaat, zouden de leden van de PvdA-fractie liever zien dat op een constructieve wijze gestreefd wordt naar een gemeenschappelijk EU-lidmaatschap (zoals thans ook mogelijk bij de Food and Agriculture Organization van de VN en de Wereldhandelsorganisatie) in plaats van eenzijdig het lidmaatschap als individuele lidstaat te beëindigen. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering opnieuw of zij bereid is de mogelijkheden daartoe te verkennen.

Financiële effecten

Een ander punt betreft de (toegegeven: prozaïsche) vraag naar de financiële effecten van een eventuele opzegging. Nog afgezien van het gegeven dat het hier om een minuscule financiële verplichting gaat van rond de 2 miljoen euro per jaar, is UNIDO een van de weinige multilaterale organisaties waarvoor geldt dat de contributie grosso modo naar Nederland terugkomt in de vorm van opdrachten voor Nederlandse bedrijven en de inhuur van Nederlandse deskundigen. De regering stelt in haar beantwoording van vragen van de Tweede Kamer dat Nederlandse bedrijven opdrachten zullen (kunnen) blijven ontvangen. Inmiddels heeft UNIDO duidelijk gemaakt dat verstrekking van opdrachten aan bedrijven uit niet-lidstaten «geen prioriteit» heeft (geformuleerd met gevoel voor understatement). De leden van de SP-fractie vernemen graag de visie van de regering op deze kwestie.

Consulteren van de overige gebiedsdelen

Het wetsvoorstel betreft een Rijkswet. Volgens de Rijkswet Goedkeuring en Bekendmaking Verdragen (Rgbv) dienen alle landen van het Koninkrijk geconsulteerd te worden over de goedkeuring van verdragen die het Koninkrijk als geheel regarderen12. Artikel 14 van deze zelfde Rijkswet bepaalt dat dit ook geldt voor de opzegging van dergelijke verdragen. De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van de mededeling in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel dat de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten het wenselijk achten dat de opzegging van het UNIDO-Statuut eveneens voor hun land zal gelden. De leden vragen de regering aan te geven wat de door haar gevoerde procedure bij deze consultatie is geweest en op welke wijze de regeringen van de drie overige Koninkrijksdelen hun opvatting kenbaar hebben gemaakt. Nu artikel 2, lid 2 jo. artikel 14 Rgbv ook voorziet in de verplichting van de regering dat alle verdragen die de overige Koninkrijksdelen raken, worden overgelegd aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten verzoeken zij tevens te worden geïnformeerd over de gevolgde procedure daartoe alsmede over de opvattingen en het eindoordelen van deze vertegenwoordigende lichamen van de Caribische delen van het Koninkrijk.

De leden van de vaste commissie zien de reactie van de regering binnen een korte termijn met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Schrijver

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP) (vicevoorzitter), Ten Hoeve (OSF), Van Kappen (VVD), Kuiper (CU), Schaap (VVD) (vicevoorzitter), Strik (GL), Knip (VVD), Barth (PvdA), Faber-van de Klashorst (PVV), De Graaf (D66), De Grave (VVD), Hoekstra (CDA), Martens (CDA), Schrijver (PvdA) (voorzitter), Van Apeldoorn (SP), Van Dijk (SGP), Lintmeijer (GL), Knapen (CDA), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Schaper (D66), Stienen (D66), Teunissen (PvdD), vac. (PvdA), Van Weerdenburg (PVV), Overbeek (SP)

X Noot
2

KS 34 473, nr. 3, p. 5.

X Noot
3

Brief aan de Voorzitter van de Eerste Kamer van 21 november 2016, Mr. Li Yong, Directeur Generaal van UNIDO.

X Noot
5

TK 33 625 nr. 170.

X Noot
6

CBI/HPO, 27-10-2016.

X Noot
7

zie Kamerstuk 33 625, nr. 170, 19 juni 2015.

X Noot
8

KS 34 473, nr. 3, p. 3.

X Noot
9

KS 34 473, nr. 4, p. 2.

X Noot
10

KS 34 473, nr. 3, p. 5.

X Noot
11

Idem.

X Noot
12

Rijkswet Goedkeuring en Bekendmaking Verdragen, artikel 2.