De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel I, onderdeel A, artikel 27h, eerste lid, wordt «zestien» vervangen door:
veertien.
II
Artikel III wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «zestien» vervangen door: veertien.
2. In het vierde lid wordt «de overige zes vergunningen» vervangen door: de overige
vier vergunningen.
3. In het vijfde lid wordt «de verlening van de zes vergunningen» vervangen door: de
verlening van de vier vergunningen.
4. In het vijfde lid wordt de volzin «Daarbij kan aan de verlening van ten hoogste vier
van de zes
vergunningen die resteren op grond van artikel 27h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen,
zoals dat ingevolge artikel I komt te luiden, de voorwaarde worden verbonden dat de
vergunningverlening gepaard gaat met overname van activa, passiva of personeel.» vervangen
door: Daarbij kan aan de verlening van de vier vergunningen die resteren op grond
van artikel 27h, eerste lid, van de Wet op de kansspelen, zoals dat ingevolge artikel I
komt te luiden, de voorwaarde worden verbonden dat de vergunningverlening gepaard
gaat met overname van activa, passiva of personeel.
Toelichting
De regering kiest ervoor om het aantal speelcasino’s in Nederland uit te breiden van
veertien naar zestien. Dit amendement beoogt het thans maximaal aantal toegestane
speelcasino’s van veertien te continueren.
De argumentatie van de regering om uit te breiden naar zestien casino’s, acht de indiener
ontoereikend en onverstandig.
Ontoereikend omdat onderzoek laat zien Nederland in vergelijking met andere landen
in Europa reeds een omvangrijke casinomarkt heeft.1 Uitbreiding met één, twee of meer casino’s is echter niet te herleiden naar een specifieke
meetbare vraag in bepaalde regio’s. Er is geen duidelijk signaal dat het aanbod van
veertien casino’s momenteel niet zou volstaan.
De voorgestelde uitbreiding is onverstandig omdat de regering de uitbreiding van het
aantal casino’s schaart onder de behoedzame aanpak om concurrentie mogelijk te maken.
Hierdoor kan volgens de regering beter invulling worden gegeven aan de kanalisatiegedachte
die ten grondslag ligt aan het kansspelbeleid. Indiener leest echter niet terug in
de beleidsbrieven tot op heden van de regering, ook van deze regering, dat laatstgenoemde
kanalisatie ten grondslag ligt aan het kansspelbeleid. Van oudsher kent het Nederlandse
kansspelbeleid namelijk drie centrale doelen, namelijk het voorkomen van kansspelverslaving,
beschermen van de consument en tegengaan van fraude en criminaliteit.2 Deze drie doelen vormen primair de basis van de te maken keuzes in het kansspelbeleid.
Kanalisatie en een verdere liberalisering van de markt zijn voor de overheid echter
geen doel op zichzelf.
Het voorgenomen behoedzaam openstellen van de casinomarkt in Nederland verdraagt zich
volgens indiener dan ook slecht met het direct uitbreiden van het aanbod. Verstandiger
zou zijn eerst te kijken en te meten wat de effecten van de privatisering van Holland
Casino en het openstellen van de markt zijn op de hierboven genoemde doelen van het
kansspelbeleid en pas daarna conclusies te trekken met betrekking tot het aantal toegestane
vergunningen. Op dien wijze kan worden voorkomen dat ongewenste neveneffecten optreden,
zoals een toename van het de kansspelverslaving doordat het aanbod door heel land
zal toenemen. De regering is zich terdege bewust van dit laatste risico, zo geeft
zij aan in de nota naar aanleiding van het verslag: «Het valt inderdaad niet helemaal
uit te sluiten dat de aanwezigheid van legaal kansspelaanbod ertoe leidt dat er spelers
aan de aldus gereguleerd kansspelen zullen deelnemen die dat, als dat legale aanbod
er niet geweest zou zijn, niet hadden gedaan.»3
Indiener meent dat de regering zich hier terughoudender in zou moeten opstellen dan
nu het geval is. Het past de overheid niet om door uitbreiding van het aantal casino’s
toe te staan dat hierdoor meer spelers gaan gokken en dit kan leiden tot ook meer
probleem- en verslavingsspelers. Een zorgvuldige meting en wetsevaluatie is noodzakelijk
om meer inzicht te krijgen in de vraag of het aantal vergunningen voldoet aan de vraag
op de Nederlandse casinomarkt. Tot die tijd zou het huidige aantal van veertien vestigingen
gehandhaafd moeten blijven, omdat zoals hiervoor reeds aangegeven concrete indicaties
ontbreken dat veertien onvoldoende zou zijn.
Van Toorenburg