Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634459 nr. 3

34 459 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanvullingen bij het toekomstbestendig maken van de landelijke publieke mediadienst

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

In de wet van 16 maart 2016 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke omroep (Stb. 2016, 114) (hierna: wet van 16 maart) zijn maatregelen opgenomen om het publieke mediabestel toekomstbestendig te maken. Die maatregelen zijn nodig om de publieke omroep zowel op landelijk als regionaal niveau in staat te stellen slagvaardig mee te gaan met de grote en snelle veranderingen die zich afspelen in de mediasector. De maatregelen moeten leiden tot scherpere programmatische keuzes, sterkere creatieve competitie en meer gezamenlijkheid in het uitvoeren van de publieke mediaopdracht. Mede naar aanleiding van de uitvoerige behandeling in de Eerste Kamer over de wet van 16 maart acht de regering het wenselijk om nadere, aanvullende wettelijke maatregelen te treffen in de Mediawet 2008.

De aanvullende maatregelen in dit wetsvoorstel hebben betrekking op de volgende vier onderwerpen:

  • 1. De rol van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister van OCW) bij benoeming van leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht van de NPO en de RPO.

    De sterkere sturende rol die de NPO op grond van de wet van 16 maart krijgt, maakt het wenselijk een grotere afstand van de Minister van OCW tot de NPO aan te brengen. Daarvoor wordt in dit wetsvoorstel de rol van de Minister van OCW bij de benoeming van bestuurders geschrapt en wordt de wervings- en selectieprocedure voor de benoeming van toezichthouders buiten de Minister geplaatst.

  • 2. De verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties.

    De wenselijkheid van aanvullende maatregelen op dit onderwerp vloeit voort uit de zorg dat de sterkere sturende rol van de NPO ten koste gaat van de programmatische autonomie van de omroepen bij het bepalen van de vorm en inhoud van het media-aanbod. In dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt wat de kaders zijn waarbinnen de NPO haar sturende taken en bevoegdheden uitoefent.

  • 3. Publieksbetrokkenheid.

    In de wet van 16 maart is aan de NPO expliciet de taak opgedragen om het publiek te betrekken bij de invulling van het media-aanbod als geheel. In aanvulling hierop regelt dit wetsvoorstel dat de NPO representatieve publieksvertegenwoordiging moet organiseren, onder andere door de instelling van een representatieve maatschappelijke adviesraad. Het waarborgt dat er daadwerkelijk en direct contact is met het publiek, waarbij naar een juiste afspiegeling van de maatschappij wordt gezocht.

  • 4. Procedure regels over transparantie van de kosten van de programmering.

    In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat nadere regels over het geven van inzicht in de kosten van de programmering vooraf aan het parlement worden voorgelegd. Dit draagt bij aan een zorgvuldige procedure.

In de paragrafen 3 tot en met 6 worden deze maatregelen nader toegelicht.

2. Relatie met de wet van 16 maart

De aanvullende maatregelen van dit wetsvoorstel zijn onlosmakelijk verbonden met de maatregelen in de wet van 16 maart. Onderhavige voorstellen moeten dus in samenhang met die wet worden gezien. Zij vormen een voorwaarde voor de uitvoering van de sterker sturende rol van de NPO en de grotere toegang van externen tot het bestel. Daarom zullen de maatregelen over de landelijke publieke mediadienst uit de wet van 16 maart gelijktijdig in werking moeten treden met de maatregelen in onderhavig wetsvoorstel. De maatregelen voor de landelijke publieke mediadienst uit de wet van 16 maart treden dus tot de aanvaarding van onderhavig wetsvoorstel niet in werking.1

De maatregelen van de wet van 16 maart die betrekking hebben op de regionale publieke mediadienst zijn na aanvaarding door de Eerste Kamer direct in werking getreden. Dat was belangrijk om vaart te kunnen blijven maken met de noodzakelijke reorganisatie van de regionale publieke mediadienst, om zo de ingeboekte bezuinigingen op verantwoorde wijze te verwerken. Onderhavig wetsvoorstel creëert op vergelijkbare wijze als bij de landelijke publieke mediadienst meer afstand van de overheid door aanpassing van de benoemingsprocedure voor de toezichthouders en bestuurders van de RPO.

3. Benoemingsprocedures bestuurders en toezichthouders NPO en RPO

De wet van 16 maart versterkt de rol van de NPO. De regering ziet hierin aanleiding om extra waarborgen in de Mediawet 2008 op te nemen die de onafhankelijkheid van het publieke mediabestel verzekeren. Het gaat in het bijzonder om de rol van de Minister van OCW bij de benoemingen van bestuurders en toezichthouders van de NPO. In dit wetsvoorstel wordt de rol van de Minister bij de benoemingen verkleind. De benoemingsprocedure voor de bestuurders en toezichthouders van de RPO worden op een vergelijkbare manier gewijzigd. Hiermee wordt de onafhankelijke positie van de publieke omroep gemarkeerd en wordt de schijn van ongeoorloofde politieke bemoeienis voorkomen.

Benoeming leden raad van bestuur NPO en RPO

Op dit moment worden de leden van de raad van bestuur van de NPO en de RPO benoemd, geschorst en ontslagen door de raden van toezicht. De Minister van OCW moet echter instemmen met het besluit van de raad van toezicht. Dit betekent dat het zonder instemming van de Minister voor de raad van toezicht niet mogelijk is een lid van de raad van bestuur te benoemen, dan wel te schorsen of ontslaan. Door de zwaardere rol van de NPO past het echter beter dat er meer afstand is van de overheid tot de bestuurders van de NPO.

Daarom wordt de rol van de Minister bij benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur van de NPO en de RPO in dit wetsvoorstel uit de Mediawet verwijderd. Dit wetsvoorstel regelt dat de leden van de raad van bestuur voortaan direct benoemd, geschorst en ontslagen worden door de raden van toezicht van de NPO en de RPO.

Benoeming leden raad van toezicht NPO en RPO

De leden van de raad van toezicht worden benoemd, geschorst en ontslagen op voordracht van de Minister van OCW bij koninklijk besluit. De regering heeft beoogd via de wet van 16 maart elementen van de benoemingsprocedure vast te leggen, en op die manier de benoemingsprocedure te bestendigen. Het gaat om het betrekken van een onafhankelijke benoemingsadviescommissie, gebruik van functieprofielen en openbare werving.

Met de wet van 16 maart heeft de Minister van OCW nog een rol bij het aanstellen van de benoemingsadviescommissie en het vaststellen van de functieprofielen, op basis waarvan de werving- en selectie door de benoemingsadviescommissie plaatsvindt. Ook kan de Minister afwijken van het advies van de benoemingsadviescommissie, en is er in dat geval geen duidelijke wettelijke procedure. Dit wordt met dit aanvullende wetsvoorstel gewijzigd, zodat de benoemingsprocedure van de leden van de raad van toezicht op afstand van de Minister is geregeld.

De procedure van benoeming voor de leden van de raden van toezicht van de NPO en RPO wordt in het aanvullende wetsvoorstel als volgt aangepast. Functieprofielen worden opgesteld door de raad van toezicht. De raad van toezicht van de NPO vraagt hierover zienswijzen aan de raad van bestuur, het college van omroepen en de centrale ondernemingsraad. Vanwege het belang van publieksbetrokkenheid wordt een representatieve maatschappelijke adviesraad ook gevraagd om een zienswijze op de functieprofielen. In paragraaf 5 worden de taken en achtergrond van deze adviesraad nader toegelicht. De raad van toezicht van de RPO vraagt zienswijzen over de functieprofielen aan de raad van bestuur en de ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen.

Na het betrekken van de zienswijzen stelt de raad van toezicht het functieprofiel vast en maakt dit openbaar bekend. Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. Deze commissie is geheel zelfstandig verantwoordelijk voor de selectie aan de hand van het functieprofiel. Het is de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht om te borgen dat de leden van de commissie onafhankelijk zijn. De raad van toezicht schakelt een wervingsadviesbureau in dat ondersteuning geeft bij het opstellen van het functieprofiel door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten voor en door de benoemingsadviescommissie.

De benoemingsadviescommissie geeft zonder tussenkomst van de raad van toezicht een advies aan de Minister van OCW. De Minister doet een marginale toets op het advies vanwege zijn ministeriële verantwoordelijkheid, voordat hij de kandidaat voordraagt voor een benoeming bij koninklijk besluit. Een marginale toets houdt in dat alleen van het advies wordt afgeweken bij strijdigheid met de wet, het niet naleven van de eisen van zorgvuldigheid, of andere zwaarwegende belangen. In het geval dat de Minister afwijkt dient dit schriftelijk gemotiveerd te worden. In een dergelijk geval wordt ook de Tweede Kamer geïnformeerd, omdat het belangrijk is dat de procedure zo transparant mogelijk is. Deze informatieverplichting houdt alleen in dat de Minister aan de Tweede Kamer meldt dat een advies niet is overgenomen en welke grond hierbij aan de orde is. Het gaat daarbij dus niet om gegevens die tot de persoon herleidbaar zijn. Het verstrekken van overige informatie valt onder de gebruikelijke procedures rond het informatierecht van de Kamers. Hierbij worden altijd de belangen van (direct) betrokken personen meegewogen en kan zo nodig informatie vertrouwelijk ter inzage worden gelegd. Als de Minister in uitzonderlijke gevallen een kandidaat, die wordt geadviseerd door de benoemingsadviescommissie, niet kan voordragen, zal hij de raad van toezicht vragen om te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen. Het daadwerkelijke advies moet weer komen van een onafhankelijke benoemingsadviescommissie.

Rooster van aftreden leden raad van toezicht NPO en RPO

Tot slot krijgen de raden van toezicht van de NPO en de RPO in dit wetsvoorstel de taak om een rooster van aftreden op te stellen. Het doel hiervan is om continuïteit in de raad van toezicht te verzekeren. Daarom is als vereiste opgenomen dat het rooster er in moet voorzien dat niet alle leden gelijktijdig aftreden. Binnen dat vereiste kan de raad van toezicht een geschikt ritme van aftreden vaststellen.

4. Verhouding tussen NPO en omroeporganisaties

De regering ziet het versterken van de rol van de NPO, met behoud van de unieke kracht van omroeporganisaties, als een voorwaarde om meer slagvaardigheid, gemeenschappelijkheid en samenwerking te bereiken binnen het landelijke publieke mediabestel. Dit is een belangrijk uitgangspunt in de wet van 16 maart.

De sterkere rol van de NPO heeft gevolgen voor de verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties. Het is voor de regering belangrijk dat er duidelijkheid is over de kaders van de sturende taken en bevoegdheden van de NPO, en hoe deze zich verhouden tot de positie van de omroeporganisaties en hun verantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van het media-aanbod.

Daarom wordt in dit wetsvoorstel nog duidelijker vastgelegd wat de kaders en reikwijdte zijn van de rol van de NPO als sturings- en samenwerkingsorgaan. Expliciet is opgenomen dat de sturende taken van de NPO worden verricht op basis van de afspraken en strategie zoals beschreven in concessiebeleidsplan, prestatieovereenkomst, profielen van de aanbodkanalen, afspraken met de omroeporganisaties, het coördinatiereglement, waar ook de jaarplannen van de NPO onder vallen, en de begroting van de NPO. De omroeporganisaties worden bij de totstandkoming van deze documenten betrokken.

Met dit wetsvoorstel wordt tevens geëxpliciteerd dat de NPO rekening moet houden met de vrijheid en verantwoordelijkheid van omroeporganisaties voor vorm en inhoud van het media-aanbod. Dit is vooral relevant bij de totstandkoming van het media-aanbod, waaronder in het bijzonder de toetsing van programmavoorstellen bij de ordening en coördinatie van en tussen de aanbodkanalen. Daarom wordt met dit wetsvoorstel benadrukt dat de NPO bij de uitvoering van zijn specifieke taak van coördinatie en ordening van het media-aanbod op en tussen de aanbodkanalen, moet toetsen aan wat in de bovengenoemde plannen en documenten is vastgelegd.

5. Publieksbetrokkenheid

De regering vindt het gezien de zwaardere rol van de NPO van groot belang dat de NPO in gesprek gaat met het publiek. De NPO krijgt daarom in de wet van 16 maart als taak om zorg te dragen voor publieksbetrokkenheid bij de invulling van het media-aanbod als geheel. Dit is in aanvulling op de publieksbetrokkenheid die omroeporganisaties organiseren. Zij betrekken op dit moment vanuit hun missie en identiteit hun leden, kijkers en luisteraars. Dit blijft belangrijk en is een wezenskenmerk van het publieke mediabestel. Het creëert immers betrokkenheid en draagvlak bij de leden van omroeporganisaties. Bovendien gebruiken de omroeporganisaties deze betrokkenheid om met hun programma’s aan te sluiten bij de leefwereld van hun publiek. De NPO moet aanvullend toetsen hoe de gehele programmering tegemoet komt aan de behoeftes in de samenleving. In de wet van 16 maart is de manier waarop de NPO invulling geeft aan deze taak open gelaten. Het kan daardoor onduidelijk zijn in hoeverre het publiek ook daadwerkelijk betrokken wordt en in hoeverre er gezocht wordt naar een juiste afspiegeling van de maatschappij.

De regering vindt het daarom noodzakelijk om aanvullend te regelen dat de NPO ook expliciet de taak krijgt publieksvertegenwoordiging te organiseren. De manier waarop de NPO deze publieksvertegenwoordiging organiseert kan divers zijn en is afhankelijk van onder andere de doelgroep, de gevraagde input van het publiek en het platform waarop gekeken wordt. Te denken valt aan divers samengestelde publiekspanels die zorgen voor directe respons van het publiek op programmering en beleid, maar ook via publieksenquêtes en social media, kan contact gezocht worden met het publiek. Het doel van de aanvulling in het wetsvoorstel is de NPO ruimte te bieden om te experimenteren en uit te dagen steeds te zoeken naar een passende vorm. De NPO krijgt in het aanvullende wetsvoorstel in ieder geval de taak om een representatieve maatschappelijke adviesraad in te stellen. Deze adviesraad wordt in ieder geval door de raad van toezicht in de gelegenheid gesteld zienswijzen te geven op de profielen van de toekomstige leden van de raad van toezicht. Daarnaast kan deze adviesraad dienen als klankbord voor de NPO over haar beleid en strategie.

6. Procedure transparantie kosten programmering

In de Mediawet 2008 staat op dit moment al dat er bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening. Dat gebeurt in de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke media-instellingen en de Ster (het zogenaamde financiële handboek). In de wet van 16 maart wordt daar aan toegevoegd dat dit ook regels kunnen zijn over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering.

Met dit wetsvoorstel wordt vastgelegd dat regels over het aggregatieniveau waarop in de jaarrekening gerapporteerd dient te worden over de gerealiseerde kosten van programma's, moet worden voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal. Vervolgens kunnen de toegevoegde of gewijzigde regels pas nadat vier weken zijn verstreken worden vastgesteld door de Minister van OCW. Dit verhoogt de zorgvuldigheid en draagkracht over de wijze waarop door de omroeporganisaties inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering.

7. Financiën

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting.

8. Administratieve lasten

Bij de voorbereiding van dit voorstel is nagegaan of sprake is van administratieve lasten voor instellingen, het bedrijfsleven of burgers. Mogelijke gevolgen zijn in kaart gebracht met behulp van het standaardkostenmodel (SKM) voor administratieve lasten. Geconcludeerd is dat de bepalingen in het wetsvoorstel geen effect hebben op de structurele administratieve lasten.

9. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Een concept van het aanvullende wetsvoorstel is voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets voorgelegd aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar. Het Commissariaat signaleerde nog wel enkele punten van aandacht, waarop in reactie aan het Commissariaat verduidelijkingen zijn gegeven.

Om de uitvoerbaarheid verder te toetsen, is een concept van dit wetsvoorstel voorgelegd aan de NPO. De raad van bestuur en raad van toezicht van de NPO zijn van mening dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel A (wijziging artikel 2.2)

Met de toevoeging van het derde lid wordt verduidelijkt van waaruit de NPO sturing geeft en samenwerking bevordert en wordt dit ingekaderd ten opzichte van de vrijheid van vorm en inhoud van de omroeporganisaties bij het maken van programma’s. Op grond van het eerste lid van artikel 2.2 is de NPO het sturings- en samenwerkingsorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau. In het tweede lid zijn de taken die de NPO daarbij verricht uitgewerkt. Met het nieuwe derde lid wordt aangegeven op grond waarvan de sturing en samenwerking bij de uitvoering van haar taken plaats vindt. Het gaat dan om de afspraken en strategie die beschreven staan in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken die met de omroeporganisaties worden gemaakt, het coördinatiereglement, waaronder tevens documenten als de jaarplannen vallen, en de begroting van de NPO. Daarnaast is expliciet vermeld dat als het gaat om de verzorging van het media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen, de NPO de vrijheid van vorm en inhoud voor de omroeporganisaties in acht neemt.

Artikel I, onderdeel B (nieuw vaststellen artikel 2.5)

Met het nieuwe artikel 2.5 is een benoemingsprocedure opgenomen voor de leden van de raad van toezicht van de NPO, waarbij het werving- en selectieproces volledig buiten de Minister van OCW is gelegd. Op grond van het eerste lid blijft de benoeming bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister van OCW plaatsvinden. Daarmee kan de Minister diens ministeriële verantwoordelijkheid waarmaken en is tegelijk de selectie volledig buiten de Minister gelegd. Voor de wijze waarop de werving en selectie plaats vindt, wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het algemeen deel van deze memorie.

Uit de selectie komt een advies aan de Minister van OCW. Vanuit diens ministeriële verantwoordelijkheid doet de Minister nog een marginale toets op het advies. Alleen vanwege strijdigheid met de wet (onverenigbaarheden artikel 2.6), de eisen van zorgvuldigheid of andere zwaarwegende belangen kan de Minister het advies naast zich neerleggen. Bij de zorgvuldigheid gaat het om een toets op de wijze waarop het advies tot stand is gekomen. Te denken valt aan onafhankelijkheid en een deugdelijke motivering. Bij andere zwaarwegende belangen gaat het om zaken die niet onder de formele onverenigbaarheden vallen, maar die dusdanig zijn dat deze het vertrouwen in het goed functioneren van de kandidaat ernstig bemoeilijken, het vertrouwen in de functie in gevaar brengen of de positie van de raad van toezicht of van de NPO op een andere wijze ernstig kunnen schaden. In het geval dat een van deze gronden aan de orde zou zijn, moet de Minister dit schriftelijk motiveren en het advies terugleggen bij de raad van toezicht. Gezien het belang van een transparante en onafhankelijke procedure moet goed na te gaan zijn hoe uiteindelijk tot de voordracht is gekomen. De Minister informeert daarom de Tweede Kamer in het geval een advies wordt teruggelegd. Het gaat dan alleen om de mededeling dat om een nieuw advies is gevraagd en de grond waarop het advies niet is overgenomen en niet om gegevens die tot een persoon herleidbaar zijn. Het is aan de raad van toezicht om te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen overeenkomstig de procedure in artikel 2.5.

Het achtste en negende lid komen overeen met het huidige tweede en derde lid van artikel 2.5. De enige wijziging ziet op het feit dat de gezamenlijke ondernemingsraden van de NPO, de NOS, de NTR en de omroeporganisaties met de nieuwe procedure personen kunnen aanbevelen aan de onafhankelijke benoemingsadviescommissie. Deze aanbevelingen betrekt de commissie bij de selectieprocedure, zoals dit nu ook het geval is.

Artikel I, onderdeel C (wijziging artikel 2.7)

Met het toegevoegde artikellid wordt aan de raad van toezicht van de NPO opgedragen voor een rooster van aftreden te zorgen. Doel is dat continuïteit in de raad van toezicht is geborgd en daarom is als vereiste opgenomen dat het rooster erin moet voorzien dat niet alle leden gelijktijdig aftreden. Binnen dat vereiste kan de raad van toezicht een geschikt ritme van aftreden vaststellen.

Artikel I, onderdeel D (wijziging artikel 2.8)

Met het schrappen van het derde lid vervalt het instemmingsrecht van de Minister van OCW bij benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur van de NPO. De raad van toezicht van de NPO is daarmee volledig zelfstandig verantwoordelijk voor de benoemingen van de leden van de raad van bestuur.

Artikel I, onderdeel E (wijziging artikel 2.10)

Met de toevoeging in artikel 2.10 krijgt de NPO de expliciete taak om publieksvertegenwoordiging te organiseren. Dit is een aanvulling op het zorgen voor publieksbetrokkenheid bij de landelijke publieke mediadienst zoals opgenomen in artikel 2.2. De vorm waarin de vertegenwoordiging van het publiek geregeld moet worden, kan divers zijn en afhankelijk van de doelgroep, de gevraagde input van het publiek of het platform steeds verschillend worden georganiseerd zodat dit optimaal aansluit bij het publiek. Uitgangspunt is steeds dat de publieksvertegenwoordiging adequaat en representatief georganiseerd moet zijn zodat het publiek betrokken is bij het aanbod van de landelijke publieke mediadienst. Daarbij is het belangrijk dat de NPO via enquêtes en panels de mening van het publiek hoort en dat zij direct in gesprek is met het publiek, de belangrijkste stakeholder. In dat kader wordt voorgeschreven dat de NPO een representatieve maatschappelijke adviesraad organiseert. De NPO kan deze adviesraad voor allerlei zaken benutten, zoals de toetsing van haar beleid en strategische keuzes. Het is belangrijk dat de adviesraad representatief is voor de maatschappij. Als expliciete taak wordt de adviesraad gevraagd om zienswijzen bij de functieprofielen voor de leden van de raad van toezicht van de NPO.

Artikel I, onderdeel F (nieuw vaststellen artikel 2.52)

In aanvulling op het nieuwe derde lid in artikel 2.2 wordt in de paragraaf over de coördinatie en ordening van de aanbodkanalen geëxpliciteerd op grond waarvan de NPO haar rol vervult. De genoemde paragraaf gaat over de totstandkoming van het media-aanbod en de plaatsing daarvan. Juist bij die werkzaamheden van de NPO is het belangrijk om te duiden op grond waarvan de NPO programma’s toetst en de vrijheid die de omroepen bij het maken van programma’s hebben. Artikel 2.52 vervalt met de wet van 16 maart en wordt met deze wijziging als het ware opnieuw gebruikt, maar dan als een centraal artikel over de verhouding tussen de NPO en de omroeporganisaties. De documenten en afspraken waaraan de NPO toetst zijn hierbij gelijk aan de documenten en afspraken genoemd in het nieuwe derde lid van artikel 2.2. De besluiten die de NPO bij de ordening en plaatsing neemt, zijn vatbaar voor bezwaar en beroep. Voor de behandeling van bezwaar beschikt de raad van bestuur ten behoeve van het te nemen besluit op bezwaar over een onafhankelijke adviescommissie.

Artikel I, onderdeel G (nieuw vaststellen artikel 2.60c)

Met dit artikel wordt ook de benoemingsprocedure voor de leden van de raad van toezicht van de RPO opnieuw vastgesteld. De procedure is zoveel mogelijk gelijkluidend aan de procedure voor benoeming van de leden van de raad van toezicht van de NPO. Werving en selectie worden zonder inmenging van de Minister van OCW georganiseerd, er wordt gewerkt met openbare functieprofielen en een onafhankelijke benoemingsadviescommissie die rechtstreeks aan de Minister een advies geeft. Ook de gelimiteerde gronden om het advies niet over te nemen zijn gelijk aan die in artikel 2.5. Alleen de belanghebbenden die betrokken worden bij het vragen van zienswijzen op de functieprofielen verschillen.

Artikel I, onderdeel H (wijziging artikel 2.60e)

Ook aan de raad van toezicht van de RPO wordt de opdracht gegeven een rooster van aftreden op te stellen zodat niet op enig moment een gehele raad van toezicht vervangen hoeft te worden.

Artikel I, onderdeel I (wijziging artikel 2.60f)

Met het schrappen van het derde lid van artikel 2.60f wordt ook bij de benoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur van de RPO het instemmingsrecht van de Minister van OCW geschrapt. Net als bij de NPO is de verantwoordelijkheid hiervoor volledig neergelegd bij de raad van toezicht.

Artikel I, onderdeel J (wijziging artikel 2.172)

De regels over het aggregatieniveau waarop in de jaarrekening gerapporteerd dient te worden over de gerealiseerde kosten van programmering, moeten worden voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal voordat zij vastgesteld kunnen worden door de Minister van OCW. Deze regels maken onderdeel uit van een groter geheel aan regels over de financiële verantwoording (het zogenaamde financieel handboek). Alleen het toevoegen of wijzigen van de regels over het aggregatieniveau van de verantwoording over de gerealiseerde kosten van programmering wordt voorgelegd. Voor de overige regels rond de financiële verantwoording geldt deze verplichting niet.

Artikel II

De artikelen 2.5 en 2.52 worden in dit wetsvoorstel opnieuw vastgesteld. Om te voorkomen dat er een conflict ontstaat tussen de wijzigingsopdrachten uit dit wetsvoorstel en die uit de wet van 16 maart 2016 komen de onderdelen D en O van artikel I van de wet van 16 maart 2016 te vervallen.

Artikel III

Deze inwerkingtredingsbepaling houdt rekening met de Wet raadgevend referendum. Door een beroep te doen op artikel 12 van de Wet raadgevend referendum wordt bewerkstelligd dat de algemeen geldende regeling voor inwerkingtreding van referendabele wetten tijdelijk buiten werking wordt gezet. Dit doet niet af aan de referendabiliteit van dit wetsvoorstel.

Voor dit wetsvoorstel geldt dat de inwerkingtreding zodanig spoedeisend is dat niet kan worden gewacht op het tijdstip waarop komt vast te staan dat er geen referendum zal worden gehouden of op de uitslag van een eventueel referendum. Met ingang van 1 januari 2016 is een nieuwe concessieperiode aangevangen en het is van belang dat de wijzigingen in de wet van 16 maart en onderhavig wetsvoorstel zo snel mogelijk in de concessieperiode toegepast kunnen worden. De belangrijkste wijzigingen voor de betrokken partijen zitten daarbij in de wet van 16 maart en tussen de inwerkingtreding van die wet en de vaststelling daarvan zit geruime tijd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Zie ook het inwerkingtredingsbesluit van 22 maart 2016 (Stb. 2016, 115).