Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634434 nr. 5

34 434 Wijziging van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de verduidelijking van voorschriften voor woonboten (Wet verduidelijking voorschriften woonboten)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 21 april 2016

De algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zullen hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

     

I.

Algemeen

1

 

1. Inleiding en doel wetsvoorstel

2

 

2. Redenen waarom deze wetswijziging noodzakelijk is

2

 

3. Inhoud van het wetsvoorstel

3

 

4. Verhouding tot andere wetgeving

8

 

5. Gevolgen voor decentrale overheden

8

I. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel houdende de wijziging van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met de verduidelijking van voorschriften voor woonboten (Wet verduidelijking voorschriften woonboten). De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 heeft bij woonbootbezitters grote onrust veroorzaakt en het is belangrijk dat nu duidelijkheid wordt gecreëerd over de regels die op bestaande woonboten van toepassing zijn. Daarbij stellen deze leden met tevredenheid vast dat varende schepen, waaronder veel historisch erfgoed, niet zullen worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en dat evenmin moeilijk controleerbare eisen worden gesteld aan de frequentie waarmee een varend schip daadwerkelijk moet varen. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie hebben met enige verbazing kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. De bedoeling van de wet was gelegen in het geven van rechtszekerheid ten aanzien van de juridische status van woonboten. Naar de mening van de leden van de SP-fractie is er bij het voorliggende wetsvoorstel nu sprake van een gemiste kans.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben evenwel nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden hebben echter nog een enkele vraag over het wetsvoorstel die zij graag beantwoord zien worden.

Het lid Van Vliet heeft kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Dit lid heeft naar aanleiding hiervan nog wel een paar vragen en opmerkingen.

1. Inleiding en doel wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie zijn het eens met de regering, dat het verschil in regulering voor woonboten ten opzichte van bouwwerken op het land inmiddels niet meer valt te rechtvaardigen met het oog op de veranderingen die in de loop der jaren hebben plaatsgevonden, nu woonboten steeds volwaardiger woningen zijn geworden die de naam watervilla eer aandoen.

De leden van de SP-fractie merken op dat vanuit de inleiding van het voorliggende wetsvoorstel duidelijk wordt dat via de Woningwet van 1901, en ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan, de Woningwet inmiddels betrekking heeft op alle bouwwerken. Doordat de Wet op woonwagens en woonschepen in 1999 is komen te vervallen – en er destijds geen keuze is gemaakt de positie van woonschepen gedegen te regelen – kwamen gemeenten aan zet. De per gemeente wisselende voorschriften zorgden naar mening van de leden van de SP-fractie voor grote verschillen per gemeente en een woud aan willekeur. Omdat woonboten niet werden gezien als bouwwerken waar de Woningwet op van toepassing was en gemeenten zelf regels konden stellen waren woonschepen niet zeker van de omstandigheden waaronder zij een ligplaats innamen, wat veel juridisch gehakketak me zich meebracht. De definities uit de Model-bouwverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben naar mening van deze leden kunnen functioneren bij gebrek aan gedegen landelijke wetgeving voor woonschepen. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie hierop van de regering.

2. Redenen waarom deze wetswijziging noodzakelijk is

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de wet rechtszekerheid moet bieden ten aanzien van de juridische status van woonboten en andere drijvende objecten die hoofzakelijk worden gebruikt voor verblijf, nu door de jurisprudentie van de Raad van State veel woonboten als bouwwerk beschouwd worden.

De leden van de PvdA-fractie zijn blij met de overgangsregeling, welke de huidige bewoners van woonboten ontslaat van het maken van hoge kosten om te kunnen voldoen aan de nieuwe regelgeving. Deze leden hebben echter betreffende de rechtszekerheid en de financiële consequenties voor nieuwe woonboten nog een aantal vragen over het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 april 2014 oordeelde dat de woonboot in de betreffende zaak moest worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Wabo. Bij de Wabo sluit het begrip «bouwwerk» aan zoals bedoeld is in de Woningwet. Door deze uitspraak voldeden veel bestaande woonschepen niet meer aan de geldende regelgeving en zijn daarmee in feite illegaal geworden, aldus deze leden. Met alle gevolgen van dien. Naar mening van de leden van de SP-fractie is nu het moment aangebroken om haperende wetgeving gedegen te repareren. Is de regering dit met deze leden eens?

Naar mening van de leden van de SP-fractie had het op landelijk niveau expliciet aangeven dat de Woningwet niet van toepassing is op woonschepen in de lijn van de rede gelegen. Onduidelijk is en blijft waarom door de regering niet voor deze oplossing is gekozen. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie hierop van de regering. De uitleg dat verschil in regulering voor woonboten ten opzichte van bouwwerken op land niet valt te rechtvaardigen, vraagt naar mening van de leden van de SP-fractie om een nadere onderbouwing, die zij graag tegemoet zien. Ook bij bouwwerken op land is immers een grote variëteit en wordt soms gevraagd om maatwerk.

De leden van SP-fractie vragen welke andere varianten van het voorliggende wetsvoorstel zijn overwogen en waarom deze zijn afgevallen voor de regering.

Hoe lang zal het overgangsrecht gelden, vragen de leden van de SP-fractie. Technische voorschriften zijn niet van toepassing op woonboten die onder het overgangsrecht vallen, ook niet als deze in de toekomst worden verbouwd. De leden van de SP-fractie vragen of dit tot het einde der tijden geldt.

3. Inhoud van het wetsvoorstel

Bij de inleiding van dit hoofdstuk wordt naar mening van de leden van de SP-fractie in één oogopslag duidelijk waarom het verderop in het voorliggende wetsvoorstel misgaat. Door aan te vangen met «schepen waarvan de primaire functie varen is» en «schepen voor verblijf en bestemd voor gebruikt voor de vaart» wordt uitgegaan van het verkeerde uitgangspunt. Uitgangspunt waren immers de woonschepen en de uitspraak van de Raad van State dat woonschepen bouwwerken zijn in de zin van de Wabo.

De leden van de SP-fractie stellen voor de woonschepen als uitgangspunt voor nieuwe wetgeving te nemen en daarna een oplossing te zoeken voor de tussencategorie; zij zijn immers de uitzondering op het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden om een reactie hierop van de regering.

De leden van SP-fractie zijn van mening dat – in lijn met de uitspraak van de Raad van State – de Wabo als uitgangspunt genomen worden. Bouwwerken dienen volgens de wet opgenomen te worden in bestemmingsplannen. In navolging van woonwagenstandplaatsen die bestemming «wonen» hebben gekregen zullen ook (drijvende) bouwwerken in het water moeten worden bestemd, middels een bestemming «wonen» en een ligplaats als «een locatie bestemd voor woonschepen». In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) is «woonschepenligplaats» als functie benoemd bij de hoofdgroep «water». Wanneer daar in de bestemming «wonen» de functie drijvende bouwwerken in de zin van «wonen- drijvende woning» wordt toegevoegd hebben woonschepen hun juridische plek gevonden. Hiermee is een ligplaatsvergunning mede een omgevingsvergunning van rechtswege voor het bouwen of gebruiken van een woonboot/drijvende woning. Het van rechtswege verlenen van een omgevingsvergunning aan een woonboot/drijvende woning ziet tevens op het afwijken van het bestemmingsplan en met het verlenen van de omgevingsvergunning wordt de strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven, aldus de leden van de SP-fractie.

Aansluitend daarop ligt het voor de hand, dat omwille van rechtszekerheid, het dringend noodzakelijk is om ook de ligplaatsvergunning onder de Wabo te brengen. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zaaknummer 201306684/1/A1) overweging 5.2 stelt dat: «... Bij beantwoording van de vraag of [de woonboot] als bouwwerk moet worden aangemerkt, is niet bepalend hoe die verbondenheid fysiek is vormgegeven, maar is doorslaggevend dat [de woonboot] is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren». De leden van de SP-fractie stellen voor om de een ligplaats op te nemen in artikel 2.2 eerste lid en in een nieuw artikel 8.2 a van de Wabo.

Een drijvend bouwwerk bestemd of bedoeld als woning waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, kan worden geplaatst op een andere locatie met behoud van die vergunning voor het onderdeel bouwen. Ook wordt dan tevens voldaan aan de eisen die gesteld worden aan de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG). Deze wet stelt immers eisen ten aanzien van het benoemen van de gronden waar drijvend wordt gewoond het volgende: ieder adres waar iemand woont, moet geografisch aangeven zijn. Een drijvend bouwwerk en de ligplaats zijn daarmee onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Ook de Wet basisregistratie personen (WBP) verwijst naar het adres van een woning in een vaartuig indien het vaartuig een vaste ligplaats heeft. In de toekomst wordt de hele veiligheidsketen «opgehangen» aan de Wet BAG en verdere digitalisering in het kader van de Omgevingswet. Eens te meer reden dit zorgvuldig te regelen, aldus de leden van de SP-fractie.

De leden van de SP-fractie merken op dat met de gedane voorstellen hiermee tevens een haakje ontstaat om de langgekoesterde wens tot huurbescherming van woonbootbewoners definitief te kunnen regelen. Graag een reactie van de regering hierop zo vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de wijziging van het Bouwbesluit eruit zal zien voor wat betreft aangepaste nieuwbouw- en verbouwvoorschriften voor drijvende objecten die door verandering van gebruik of functiewijziging voor het eerst als bouwwerk worden aangemerkt. Hoe ziet de ondergrens er uit en wat wordt bedoeld met «zorgplicht», zo vragen de leden van de SP-fractie. Ook vragen deze leden wanneer een wijziging van het Bouwbesluit wordt voorgelegd aan de Kamer.

De leden van de SP-fractie stellen voor te onderzoeken welke regels van het Bouwbesluit 2012 wel of niet van toepassing dienen te zijn. Binnen het Bouwbesluit kan een eigen regeling worden opgenomen als toetsingskader vergunningvrij in de bijlage van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Ook bij het Bouwbesluit is immers sprake van voortschrijdend inzicht en het via de experimenteerruimte van de Crisis- en Herstelwet loslaten van bepaalde eisen uit het bouwbesluit (bijvoorbeeld vergunningvrij bouwen in Almere en Den Haag).

Vervolgens kunnen de ligplaatsen voor beroeps – en pleziervaart geregeld worden.

De leden van de SP-fractie merken op dat er twee soorten van drijvend wonen zijn: in het bouwwerk (woongebouw) dat nergens heen gaat en een schip dat ergens een kan (en wil) gaan. Een ligplaats voor beroeps- en pleziervaart is niet vergelijkbaar met een ligplaats voor een drijvende woning die bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Ligplaatsen voor beroeps- en pleziervaart staan niet genoemd in de BAG en op die locaties berust geen inschrijvingsmogelijkheid ingevolge het WBP. De leden van de SP-fractie vragen de regering om een reactie hierop.

De leden van de SP-fractie merken op dat indien sprake is van een varend woonschip, deze woonvorm dan in beginsel behoort te worden uitgesloten van de Woningwet, het Bouwbesluit en de Wabo (middels de bijlage van het Bor). De grond onder water waar een varend woonschip ligt, wordt ingevolge de SVBP bestemd onder de hoofdgroep «water» met als functie: «varende woonschepenligplaats». Alle bouwwerken waarop wordt gewoond en die voldoen aan de (internationale) normen voor de scheepvaart, die bedoeld zijn om mee te varen zijn en blijven schepen. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie van de regering hierop.

De leden van de SP-fractie merken op dat de bijlage van het Besluit omgevingsrecht bij uitstek geschikt is voor de regeling van uitsluiting van het varende woonschip. Artikel 1 lid 1 van bijlage II wordt uitgebreid met de definitie van drijvende woning en varend woonschip. In de bijlage wordt voorts het toetsingskader opgenomen ten einde een varend woonschip (grotendeels) uit te sluiten van de omgevingsvergunningplicht «bouwen». Dat toetsingskader zal worden ingevuld aan de hand van het Bouwbesluit 2012. De leden van de SP-fractie vernemen graag waarom dit voorstel al dan niet bruikbaar is voor de categorie (historische) varende schepen waarop verbleven wordt (restaurant, museum etc.). Hiermee wordt, aldus de leden van de SP-fractie, niet alleen deze categorie schepen behouden als bijzondere plaats voor een museum of restaurant, maar worden zij tevens gevrijwaard van voor hen overbodige ingrepen vanuit het Bouwbesluit. De leden van de SP-fractie vragen om een reactie van de regering hierop.

De leden van de CDA-fractie zien graag een nadere duiding van de groep schepen die in het advies van de Raad van State worden aangeduid als «schepen die naar aard en inrichting niet aan de vaart onttrokken zijn». Speelt het kunnen varen of het feitelijk varen daarbij een rol, zo vragen deze leden. Bovendien vernemen zij graag om welke aantallen het gaat en of dit vooral historische schepen betreft. Deze leden vernemen tevens graag of het criterium «naar aard en inrichting niet aan de vaart onttrokken» nu aansluit bij de ontstane jurisprudentie, en zo ja op welke wijze.

De leden van de CDA-fractie zien graag dat bijvoorbeeld in de memorie van toelichting een beeld wordt gegeven van de gevolgen van de nieuwe bepalingen voor eigenaren van verschillende soorten (woon)schepen, handhavende instanties en andere betrokken partijen. Ook zien deze leden graag dat het verschil tussen «verblijven» en «wonen» nader uiteen wordt gezet.

De leden van de CDA-fractie constateren dat er discrepantie is tussen een van de doelen van de Woningwet (i.c. gezond wonen met bijvoorbeeld voldoende daglicht en veiligheid) en het voorliggende wetsvoorstel. Nu die doelen van de Woningwet niet meer nageleefd behoeven te worden op woonschepen, ontstaat het gevaar dat het wonen op woonschepen leidt tot ongewenste effecten. Graag vernemen deze leden hoe de regering hierbij afwegingen heeft gemaakt.

Geen bouwwerk

Het lid Van Vliet vraagt zich af of er geen tussenoplossing mogelijk is voor de tussencategorie schepen, waarop de Raad van State doelt. Dit lid is het met de regering eens dat toepassing van de bouwregelgeving op deze varende schepen voor een deel niet mogelijk is. Wel betwist het lid Van Vliet of een uitzonderingspositie de juiste oplossing is.

Is de regering het met het lid Van Vliet eens dat wanneer niet aan de vereisten van de bouwregelgeving kan worden voldaan, het schip dan ook naar zijn aard niet geschikt is om als woning te fungeren? Kan de regering uiteenzetten hoeveel van dit soort schepen er in Nederland bestaan en wat de kosten zouden zijn indien de bouwregelgeving op de schepen van toepassing zal worden?

Bestaande woonboten: overgangsrecht

De leden van de VVD-fractie lezen dat de technische voorschriften van het Bouwbesluit evenmin zullen gelden voor «nieuwbouw, verbouw, de staat en het gebruik» van bestaande woonboten. Betekent dit dat volledige nieuwbouw op de huidige ligplaats ook is uitgezonderd van deze voorschriften? Zo niet, waar ligt dan het onderscheid tussen nieuwbouw en grondige verbouw?

De leden van de VVD-fractie lezen met tevredenheid dat voor woonschepen die het grootste deel van het jaar ergens liggen, geen nieuwe omgevingsvergunningen hoeven te worden aangevraagd. Deze leden zouden graag willen weten of dit ook geldt als een schip (bijvoorbeeld uit het buitenland) in de toekomst als woonschip in gebruik wordt genomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de technische eisen van het Bouwbesluit niet van toepassing zullen zijn op bestaande woonboten. Moet daaruit de conclusie getrokken worden dat die regels wel van toepassing zijn op nieuwe woonboten en zo ja, in hoeverre zullen die regels tot praktische problemen leiden, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie menen dat bepalingen omtrent hoogte, daglichttoetreding, indeling enz. ertoe kunnen leiden dat nieuwe woonboten geconfronteerd worden met praktische bezwaren en problemen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat door deze wetswijziging bestaande woonschepen onder het overgangsrecht komen te vallen. Graag vernemen zij wanneer door kleine dan wel ingrijpende wijzigingen aan bestaande woonschepen deze woonboten wel onder de regels van de Woningwet komen te vallen.

De leden van de D66-fractie lezen dat de algemene zorgplicht van de Woningwet van toepassing zal zijn. Deze zorgplicht strekt ertoe dat er geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid bestaat of voortduurt als gevolg van de staat en het gebruik van een bouwwerk. Wat zullen de effecten zijn van het invoeren van een algemene zorgplicht op woonboten? De leden van de D66-fractie vernamen eerder dat in de grote steden de hoeveelheid ongedierte toenam, onder andere door woonboten. Zal de algemene zorgplicht een gevolg hebben voor de ongediertebestrijding op woonboten? En zal de algemene zorgplicht gevolg hebben voor de verplichting voor woonboten om aangesloten te zijn op riolering, zodat zij niet meer in open water lozen?

Nieuw te bouwen drijvende bouwwerken

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat nieuwe woonboten zullen moeten voldoen aan de eisen voor woningen gebouwd in particulier opdrachtgeverschap. Deze leden vragen zich af of het karakter van een woonboot te verenigen is met al deze eisen. Acht de regering specifieke eisen aan bijvoorbeeld de plafondhoogte passend en noodzakelijk voor een woonboot? Zijn materialen die in de reguliere bouw worden voorgeschreven niet simpelweg te zwaar voor toepassing op een woonboot? Is overwegen hiervoor een ruimere ontheffing te maken?

Ook vragen de leden van de VVD-fractie zich af hoe eigenaren van drijvende objecten die door functiewijziging als bouwwerk worden aangemerkt, invulling moeten geven aan een «zorgplicht» voor gezondheid en veiligheid. Hoeveel ruimte bestaat er in de praktijk voor deze eigenaren om af te wijken van het Bouwbesluit, dat immers is opgesteld ter bescherming van gezondheid en veiligheid?

De leden van de VVD-fractie lezen dat gemeenten geen technische of bouwkundige eisen meer mogen stellen aan woonboten en dat relevante gemeentelijke verordeningen op dit punt niet langer van toepassing zijn. Zijn alle gemeenten zich daar van bewust en vervallen deze gemeentelijke verordening automatisch bij aanname van het voorliggende wetsvoorstel?

De leden van de PvdA-fractie lezen dat nieuwe drijvende bouwwerken moeten voldoen aan een flink deel van de eisen van het Bouwbesluit. Deze leden vragen zich af in hoeverre de ontwerpen van woonboten nu al voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit aan deze bouwwerken zal gaan stellen. Welke meerkosten kunnen uit de eisen van het Bouwbesluit voortkomen?

Ook constateren de leden van de PvdA-fractie dat er nu al drijvende woningen gebouwd worden, die wel aan het volledige Bouwbesluit moeten voldoen, aan de aarde verbonden zijn en alleen mee kunnen bewegen met de waterspiegel. Deze leden willen graag weten hoe het onderscheid ligt tussen deze drijvende woningen en drijvende bouwwerken in de vorm van woonarken.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de regering met betrekking tot nieuw te bouwen bouwwerken op water de eisen zoveel mogelijk gelijk wil trekken met die van bouwwerken op land. Deze leden ondersteunen deze lijn, maar constateren dat er belangrijke verschillen blijven doordat de ligplaatsvergunning in het wetsontwerp niet opgenomen wordt in de omgevingsvergunning. Hiermee heeft de regering een wezenlijke verandering aangebracht ten opzichte van het wetsontwerp dat in consultatie is gebracht. Deze leden willen graag een duiding van de regering welke gevolgen dit heeft voor de beoogde rechtszekerheid.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat er verschillende wettelijke grondslagen kunnen zijn voor de ligplaatsvergunning, waarbij de Scheepvaartwet als voorbeeld wordt genoemd. Graag ontvangen deze leden een overzicht van de wettelijke grondslagen voor ligplaatsvergunningen.

In de verscheidenheid aan wettelijke grondslagen lijkt de regering de reden te vinden om ligplaatsvergunningen niet om te zetten in omgevingsvergunningen. De leden van de PvdA-fractie vragen bevestiging van deze conclusie.

De leden van de PvdA-fractie hebben begrip voor de wens van woonbooteigenaren om ligplaatsvergunningen zoveel mogelijk om te zetten in omgevingsvergunningen, om de rechtszekerheid te maximaliseren. Daarom willen deze leden per wettelijke grondslag voor ligplaatsvergunningen te worden geïnformeerd of omzetting in een omgevingsvergunning mogelijk is of waarom dit onwenselijk is.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat er de laatste tijd druk is op de financierbaarheid van woonboten, doordat er minder aanbieders van hypotheken dreigen te komen. Deze leden vragen zich af in hoeverre de harmonisering van regelgeving van nieuwe drijvende bouwwerken met grondgebonden bouwwerken invloed heeft op de financierbaarheid van woonboten. Ook willen deze leden van de regering weten of opname van de ligplaats in de omgevingsvergunning voor meer zekerheid zou kunnen zorgen bij de financier en daarmee de financierbaarheid zou kunnen vergroten. Ten aanzien van de eerder genoemde drijvende woningen willen de leden van de PvdA-fractie graag uitleg over de juridische status van de ondergrond en of dit meer rechtszekerheid geeft voor de financiering. De leden van de PvdA-fractie hopen dat de mogelijkheid om woonboten door middel van een hypotheek te financieren toe kan nemen door een grotere rechtszekerheid.

Het lid Van Vliet vraagt of het mogelijk is een limitatieve opsomming te geven van alle vereisten waaraan nieuw te bouwen woonboten in de toekomst zullen moeten voldoen. In aanvulling hierop vraagt dit lid zich af op welke onderdelen van het Bouwbesluit minder eisen zullen worden gesteld ten aanzien van woonboten, in vergelijking tot bouwwerken op het land.

Nieuwe en bestaande drijvende bouwwerken: verplaatsen en terugplaatsen

De leden van de D66-fractie lezen dat indien een bouwwerk is verbouwd en andere afmetingen heeft gekregen, de oude omgevingsvergunning niet automatisch opnieuw kan worden gebruikt. Deze leden kunnen zich echter goed voorstellen dat bij noodzakelijk onderhoud de afmetingen van een woonboot een beetje gewijzigd kunnen worden. Deelt de regering deze mening? Wat is de mening van de regering over het opstellen van een richtlijn, opdat er niet voor kleine wijzigingen van afmetingen een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd hoeft te worden?

4. Verhouding tot andere wetgeving

De leden van de SP-fractie vragen hoe het voorliggende wetsvoorstel zich verhoudt tot de Erfgoedwet en het beschermen van varend en drijvend erfgoed.

5. Gevolgen voor decentrale overheden

Het lid Van Vliet vraagt zich af hoe gemeenten, als handhaver van bouwregelgeving, aankijken tegen het voorliggende wetsvoorstel en welke bezwaren zij opwerpen.

De voorzitter van de commissie, Geurts

De griffier van de commissie, Van der Leeden