34 430 Staatscommissie Parlementair Stelsel

Nr. 17 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 november 2020

Hierbij bied ik u het rapport «Beginselen versus praktijken» van de Stichting decentraalbestuur.nl aan1. Dit rapport bevat een doorlichting van de bestaande wetgeving en spelregels op het gebied van de interbestuurlijke verhoudingen met decentrale overheden. Deze doorlichting was aangekondigd in het kabinetsstandpunt over het advies van de staatscommissie parlementair stelsel2 in reactie op de aanbeveling van de staatscommissie om processuele en meer inhoudelijke randvoorwaarden voor decentralisaties in een Wet op de decentralisaties te codificeren.

Het rapport is in goed overleg met de koepels van gemeenten, provincies en waterschappen opgesteld en bevat een analyse van decentralisaties van de afgelopen vijftien jaar. De onderzoekers doen een aantal aanbevelingen voor toekomstige decentralisaties, zoals de aanbeveling decentrale overheden beter te betrekken bij regeerakkoorden, het toetsen van uitvoerbaarheid van te decentraliseren taken en meer rekening te houden met verschillen tussen decentrale overheden in omvang en bestuurskracht,

Ik ben voornemens de waardevolle inzichten in dit rapport te betrekken bij de opvolging van de motie van het lid Özütok3. Daarin heeft uw Kamer verzocht om in lijn met de adviezen van de Raad van State en de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen als Rijk en decentrale overheden tot een gezamenlijke voorbereiding ten behoeve van een nieuw kabinet te komen. De motie roept daarnaast op om met decentrale overheden in gesprek te gaan over een gedeelde probleemanalyse, mogelijke oplossingen, onderscheiden verantwoordelijkheden en beleidsopties over het takenpakket van decentrale overheden, aan te vullen met een interbestuurlijke toelichting.

In lijn met wat de motie vraagt, wil ik het rapport «Beginselen versus praktijken» en de daarin opgenomen verbetervoorstellen betrekken bij een bredere analyse die ik de komende maanden samen met de decentrale overheden wil uitvoeren ter voorbereiding op de volgende kabinetsperiode. Mijn voornemen is daarbij met de decentrale overheden te verkennen wat nodig is om als (gezamenlijke) overheden de maatschappelijke opgaven van de komende tijd met vertrouwen op te kunnen pakken. Dit uitgaande van de te onderscheiden verantwoordelijkheden in de uitvoering van de opgaven en het benoemen van de daarvoor benodigde randvoorwaarden. Het rapport «Als één overheid. Slagvaardig de toekomst tegemoet!» van de in de motie genoemde studiegroep zal ik hier eveneens bij betrekken. De studiegroep constateert dat de samenleving overheden nodig heeft die door intensieve samenwerking als één overheid opereren en daarmee opgaven beter en met meer impact aan kunnen pakken. Het rapport bevat in totaal 14 aanbevelingen om de gezamenlijke uitvoeringskracht van overheden te versterken.

Daarnaast zal ik de uitkomsten benutten van de bestuurlijke gesprekken die mijn ministerie op dit moment voert naar aanleiding van mijn brief over de Toekomst van het openbaar bestuur van oktober 20194.

In dit verband wil ik ook nog vermelden dat ik samen met de koepels VNG, IPO en Unie van Waterschappen werk aan een actualisatie van de Code interbestuurlijke verhoudingen. In deze code zijn de spelregels vastgelegd voor een goede samenwerking tussen de verschillende overheden. De actualisatie vindt plaats aan de hand van de uitgangspunten van het Interbestuurlijk Programma, waarbij iedere overheid bijdraagt aan de aanpak van opgaven vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid en samenwerkt op basis van een gelijkwaardig partnerschap. De voorbereidingen op een geactualiseerde code worden deze kabinetsperiode afgerond. Op basis hiervan kan een nieuwe code worden vastgesteld door het nieuwe kabinet en de koepels.

Zoals uit bovenstaande blijkt, heb ik al een aantal stappen gezet om met de decentrale overheden tot een gezamenlijke voorbereiding ten behoeve van een nieuw kabinet te komen. Daarmee heb ik tevens een begin gemaakt met de uitvoering van de motie van uw Kamer.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 34 430, nr. 10

X Noot
3

Kamerstuk 35 570 VII, nr. 12

X Noot
4

Kamerstuk 35 500 VII, nr. 7

Naar boven