Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634400 nr. 1

34 400 Verkenning parlementaire ondervraging

Nr. 1 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE EVALUATIE WET OP DE PARLEMENTAIRE ENQUÊTE

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Den Haag, 3 februari 2016

De Tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête brengt hierbij verslag uit van haar verkenning van de mogelijkheden en randvoorwaarden van het horen onder ede buiten de parlementaire enquête: de zogenoemde parlementaire ondervraging. Zij geeft hiermee uitvoering aan de op 3 juli 2013 door de Kamer aangenomen motie-Segers c.s.1

De commissie heeft verschillende varianten van een regeling voor de parlementaire ondervraging onderzocht. Gedurende deze zoektocht heeft de commissie diverse (ervarings-)deskundigen uit politiek, wetenschap en ambtelijke dienst geraadpleegd. De commissie heeft overwogen dat een aparte wettelijke regeling voor het binnen kort tijdsbestek horen van personen onder ede thans niet nodig is, omdat de bestaande Wet op de parlementaire enquête 2008 reeds die mogelijkheid biedt. Om aan de toepassing van de bestaande wettelijke regeling in het kader van een parlementaire ondervraging praktisch vorm te geven, doet de commissie een concreet voorstel aan de Kamer voor een Tijdelijk protocol parlementaire ondervraging dat als bijlage bij het verslag is opgenomen.

Het protocol en de bijbehorende toelichting zijn bedoeld als leidraad voor de Kamer en de in te stellen commissie om te komen tot een gestructureerde en met voldoende waarborgen omklede toepassing van het bestaande enquête-instrument in het kader van een parlementaire ondervraging. De ondervragingscommissie, die de status heeft van enquêtecommissie in de zin van de Wet op de parlementaire enquête 2008, krijgt de opdracht om in een beknopt tijdsbestek mondelinge informatie te vergaren door middel van het onder ede horen van personen, op wie de plicht tot medewerking rust.

Hoewel gebruik gemaakt wordt van het bestaande wettelijke kader, kan de parlementaire ondervraging gelet op de aard, opzet en omvang van het onderzoek worden gezien als een nieuw instrument van de Kamer. Het kan worden gepositioneerd tussen enerzijds de reguliere hoorzitting (of rondetafelgesprek), waaraan derden op basis van vrijwilligheid deelnemen en anderzijds de gebruikelijke wijze waarop parlementaire enquêtes worden vormgegeven, inclusief uitvoerig dossieronderzoek en een doorgaans lange doorlooptijd.

De commissie beveelt de Kamer aan om op basis van bovengenoemd tijdelijk protocol gedurende een periode van vijf jaar praktische ervaring op te doen met het nieuwe instrument en na evaluatie te bepalen of het nieuwe instrument een permanente regeling behoeft.

De voorzitter van de Tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête, Van Raak

De griffier van de Tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête, Roovers


X Noot
1

Kamerstuk 33 609, nr. 14 en Kamerstuk 33 812, nr. 2.