De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
In artikel I worden vóór onderdeel A twee onderdelen ingevoegd, luidende:
A00
In het opschrift wordt «binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk» vervangen door:
binnen een provincie waar grootschalige gaswinning plaatsvindt.
A0
In de beweegreden wordt «binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk» vervangen door:
binnen een provincie waar grootschalige gaswinning plaatsvindt.
II
In artikel I, onderdeel B, wordt artikel 177a als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-
1. Indien binnen een provincie grootschalige gaswinning plaatsvindt, wordt vermoed dat
fysieke schade aan gebouwen en werken binnen die provincie, die naar haar aard schade
als gevolg van bodembeweging door de aanleg of exploitatie van dat mijnbouwwerk zou
kunnen zijn, door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk veroorzaakt is.
2. Het derde lid vervalt.
Toelichting
In de ons omringende landen is wettelijk geregeld dat de bewijslast voor de schade
als gevolg van mijnbouwactiviteiten bij de exploitant ligt. In Nederland is dit niet
het geval. Hierdoor is de bewijslast bij schade die veroorzaakt is door onder andere
gaswinning in Groningen neergelegd bij de slachtoffers. Indieners vinden het onacceptabel
dat mensen die toch al niet gevraagd hadden om schade aan hun huis ook nog eens worden
opgezadeld met de last om aan te tonen dat deze schade veroorzaakt is door de winningsactiviteiten
van bedrijven. Het gevolg van de huidige situatie is immers dat burgers extra worden
belast én dat er minder schade wordt vergoed. Deze problemen zijn meer dan genoeg
duidelijk geworden bij de gaswinning in Groningen. Indieners stellen daarom voor de
bewijslast om te draaien. Dit amendement regelt dat de bewijslast bij binnen een provincie
ontstane schade door mijnbouwactiviteiten wettelijk wordt neergelegd bij de mijnbouwmaatschappij.
In eerdere debatten met de Minister van Economische Zaken erkende de Minister de problemen
wel die de huidige situatie oplevert voor de slachtoffers, maar wees het voorstel
om de bewijslast om te keren af. In reactie op de motie-Ouwehand (TK 33 529 2014/15, nr. 78) heeft de Minister gesteld (TK, vergaderjaar 2014–2015, Handelingen 12-8-1) dat hij
de bewijslast eigenlijk al bij de exploitant heeft gelegd door de Technische commissie
bodembeweging een oordeel te laten vellen over de vraag of de schade is veroorzaakt
door de aardbevingen en daarmee door de aardgaswinning, of dat er iets anders aan
de schade ten grondslag ligt. In de praktijk blijkt dat deze route te weinig heeft
opgelost voor de gedupeerden. Dat kan ook niet, zolang het aan de gedupeerden zelf
is om te bewijzen dat zij recht hebben op een schadevergoeding.
Met dit amendement wordt tegemoet gekomen aan de opmerkingen in de Voorlichting van
de Afdeling advisering van de Raad van State. Ten eerste wordt het schadebegrip eenduidiger
omschreven met de formulering «fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar
aard schade als gevolg van bodembeweging door de aanleg of exploitatie van dat mijnbouwwerk
zou kunnen zijn.» Ten tweede wordt aangesloten bij de stelling van de Afdeling advisering
van de Raad van State dat, indien «bij een groot aantal gelijksoortige gevallen vaststaat
dat verreweg het grootste deel van die gevallen aan één bepaalde oorzaak moet worden
toegeschreven», dit een argument kan zijn om de bewijslast om te draaien. De indieners
veronderstellen dat dit het geval is bij grootschalige gaswinning, zoals deze in ieder
geval in de provincie Groningen plaatsvindt. Daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan
de derde opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State, namelijk dat
geografisch beter afgebakend zou moeten zijn waar het bewijsvermoeden gaat gelden.
De terugwerkende kracht is buiten dit wetsvoorstel geregeld, namelijk in artikel 68a
van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek. Dit wordt dus ook niet apart in dit
amendement meegenomen. Dit betekent dat het bewijsvermoeden ook geldt voor lopende
zaken die nog niet afgehandeld zijn, en ook voor zaken die nog gestart moeten worden.
Het bewijsvermoeden geldt in beginsel niet in hoger beroep en bij afgehandelde zaken,
tenzij de rechter hierover anders oordeelt.
Jan Vos Wassenberg