Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201834349 nr. D

34 349 Instelling van een gedeeltelijk verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding in het onderwijs, het openbaar vervoer, overheidsgebouwen en de zorg (Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding)

D VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 april 2018

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning1 heeft op 10 juli 2017 het nader voorlopig verslag uitgebracht bij het wetsvoorstel gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (Kamerstukken 34 349). Tot op heden heeft de commissie geen nadere memorie van antwoord mogen ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft zij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 21 maart 2018 een brief gestuurd.

De Minister heeft op 3 april 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS VAN DE KONING

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 21 maart 2018

De commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning heeft op 10 juli 2017 het nader voorlopig verslag uitgebracht bij het wetsvoorstel gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (Kamerstukken 34 349). Dat is nu ruim acht maanden geleden. Tot op heden heeft de commissie geen nadere memorie van antwoord mogen ontvangen. De commissie verneemt graag binnen twee weken na dagtekening van deze brief wanneer u verwacht de nadere memorie van antwoord toe te kunnen sturen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning, J.W.M. Engels

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 april 2018

Bij brief van haar voorzitter d.d. 21 maart 2018 verzocht de commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning van uw Kamer mij wanneer ik verwacht de nadere memorie van antwoord betreffende het bovenvermelde wetsvoorstel aan de Kamer te kunnen sturen. Ik verwacht de nadere memorie van antwoord binnen enkele weken, en uiterlijk voor het einde van de maand, aan uw Kamer te kunnen aanbieden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Samenstelling:

Engels (D66) (voorzitter), Nagel (50PLUS), Ruers (SP) (vicevoorzitter), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Ten Hoeve (OSF), Huijbregts-Schiedon (VVD), Van Kappen (VVD), Koffeman (PvdD), Strik (GL), De Vries-Leggedoor (CDA), Flierman (CDA), De Graaf (D66), Schouwenaar (VVD), Van Strien (PVV), P. van Dijk (PVV), Gerkens (SP), Vlietstra (PvdA), Van Hattem (PVV), Köhler (SP), Lintmeijer (GL), Pijlman (D66), Rombouts (CDA), Schalk (SGP), Verheijen (PvdA), Bikker (CU), Klip-Martin (VVD), Sini (PvdA), Van der Sluijs (PVV)