Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634340 nr. 1

34 340 Instellen van een commissie van onderzoek

Nr. 1 BRIEF VAN HET PRESIDIUM

Aan de leden

Den Haag, 12 november 2015

Woensdagavond 11 november 2015 heeft het College van procureurs-generaal aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het Openbaar Ministerie de behandeling van de aangifte over het lekken van informatie uit een besloten vergadering van de Commissie IVD, waarvan op 13 maart 2014 aangifte is gedaan door de voorzitter van de Commissie IVD, zou worden overgedragen aan het presidium van de Tweede Kamer.

Vanochtend heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer in aansluiting op het overleg van 11 november jl. een brief1 ontvangen van de voorzitter van het College van procureurs-generaal over de reden van de overdracht. Het OM geeft daarin aan niet langer bevoegd te zijn tot het doen van strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van de voorzitter van de Commissie IVD omdat het hier mogelijk een ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 119 Grondwet betreft. Artikel 119 Grondwet bepaalt dat Kamerleden en bewindspersonen in eerste en enige instantie vervolgd worden door de Hoge Raad en dat de opdracht tot vervolging alleen gegeven kan worden door de regering of de Tweede Kamer. In de Wet ministeriële verantwoordelijkheid is vervolgens geregeld welke procedure gevolgd moet worden om tot een beslissing over vervolging van een ambtsmisdrijf door leden van de Tweede Kamer (of regering) te kunnen komen. Het College kondigt aan binnenkort in overleg te zullen treden met de Voorzitter van de Tweede Kamer om te vernemen in hoeverre de Kamer nadere informatie wenst in verband met deze kwestie.

Het College van procureurs-generaal geeft aan dat het naar aanleiding van de bevinding dat mogelijk sprake is van een ambtsmisdrijf, behoefte had aan een analyse van de reikwijdte van artikel 119 Grondwet en van de bijzondere procedures die hierbij gelden. Deze analyse heeft enige tijd in beslag genomen vanwege het ontbreken van een duidelijk procedureel en juridisch kader voor het opsporen en vervolgen van ambtsmisdrijven, aldus het College.

Het College schrijft dat uit de analyse «naar voren is gekomen dat schending van de geheimhoudingsplicht door een Kamerlid, door vertrouwelijke informatie uit een commissie van de Tweede Kamer te verspreiden, gekwalificeerd dient te worden als een ambtsmisdrijf als bedoeld in artikel 119 van de Grondwet. Ook is vastgesteld dat de Tweede Kamer op grond van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid over eigen bevoegdheden beschikt om hier onderzoek naar te doen».

Het College acht het OM daarom niet langer bevoegd strafrechtelijk onderzoek te verrichten. Daarnaast is het College van oordeel dat de vraag of nader onderzoek geïndiceerd is, bij de Tweede Kamer behoort te liggen.

Vanochtend heeft het presidium van de Tweede Kamer zich beraden over de situatie en over de stappen die nu moeten worden gezet. Alhoewel de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855 stamt en verouderde terminologie en bepalingen bevat die niet meer altijd aansluiten bij de huidige praktijk en indeling van de Tweede Kamer, is het kader voor het doen van onderzoek en voor het geven van een opdracht tot vervolging door de procureur-generaal bij de Hoge Raad geldend en toepasselijk recht. Het presidium is dan ook van mening dat dit wettelijk kader moet worden gevolgd.

Benoeming Commissie van onderzoek

Dat betekent dat nu op grond van artikel 9 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid een Commissie van onderzoek moet worden ingesteld, die door de Kamer wordt benoemd. De procedure uit artikel 7 en 8, waarin is geregeld dat een aanklacht door ten minste vijf Leden moet worden ingediend en waarvan kennis moet worden gegeven aan betrokkenen is in dit geval niet van toepassing. De aangifte bij de politie door de voorzitter van de Commissie IVD is hiervoor in de plaats getreden. Omdat het OM heeft aangegeven niet langer bevoegd te zijn om strafrechtelijk onderzoek te doen naar aanleiding van de aangifte en de behandeling heeft overgedragen aan de Tweede Kamer, is deze nu aan zet om onderzoek te verrichten.

De in te stellen Commissie van onderzoek heeft tot taak te onderzoeken of er «genoegzame gronden voor vervolging» bestaan (artikel 18, lid 2). Daartoe is de Commissie belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten kunnen leiden die in de aanklacht zijn vermeld (artikel 11). De bevoegdheden uit de Wet op de parlementaire enquête zijn op de Commissie van toepassing (artikel 11, lid 2).

De Commissie brengt van haar bevindingen verslag uit aan de Kamer die daarover beraadslaagt en op grond daarvan moet beslissen of ze de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdracht verleent om tot vervolging over te gaan (artikel 13). De Kamer toetst daarbij de feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang (artikel 18). De Tweede Kamer moet binnen drie maanden na de aanklacht (in dit geval na de overdracht van de behandeling door het OM en dus uiterlijk 3 februari 2016) een definitief besluit nemen over de vraag of voldoende grond voor vervolging is. Als dat besluit uitblijft, wordt de aanklacht geacht verworpen te zijn (artikel 16).

Snelheid is geboden

De ontstane situatie stelt het parlement in een slecht daglicht. Het is van belang om de betrouwbaarheid en goede naam van de volksvertegenwoordiging snel te zuiveren. Daarom moet zo snel mogelijk tot opheldering van feiten worden gekomen, voor zover dat in het vermogen van de Tweede Kamer ligt. Het presidium stelt aan de leden van de Tweede Kamer voor om op de kortst mogelijke termijn tot de instelling van een onderzoekscommissie te komen en verzoekt de partijen die vertegenwoordigd zijn in het presidium om elk een lid voor deze commissie van onderzoek af te vaardigen. Gelet op het karakter van het onderzoek verdient het de voorkeur dat de voor te dragen leden een juridische achtergrond hebben. Gelet op de aard van het onderzoek zijn leden van de Commissie IVD uitgesloten van het lidmaatschap van de commissie. Vanwege de termijn van 3 maanden waarbinnen het onderzoek, de rapportage en de beraadslaging en besluitvorming moet zijn afgerond, zal uiterlijk volgende week over de bemensing en de taakomschrijving van de Commissie door de Kamer een definitief besluit moeten worden genomen. Het is vervolgens aan de Commissie om in overleg te treden met het OM over de vraag welke onderzoeksgegevens die door de Rijksrecherche zijn verzameld kunnen worden overgedragen aan de Commissie van onderzoek.

Reikwijdte van het onderzoek

De Wet ministeriële verantwoordelijkheid voorziet in een procedure die moet leiden tot de feitenvaststelling en tot het formuleren van een last (opdracht) aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, indien de Kamer van mening is dat er «genoegzame» gronden voor vervolging bestaan. Aangezien dit niet tot de gebruikelijke taken van de Tweede Kamer behoort en de Kamer – in tegenstelling tot de Rijksrecherche en het OM – niet vanzelfsprekend over de daarvoor benodigde competenties beschikt, ligt het in de rede dat de Onderzoekscommissie in het bijzonder gebruik maakt van de feiten en bevindingen uit het onderzoek van het Openbaar Ministerie, voor zover dat mogelijk is.

Om die reden, alsmede vanwege de beperkt beschikbare tijd, is het presidium van mening dat de reikwijdte van het onderzoek zo beperkt mogelijk moet blijven, maar anderzijds wel voldoende om tot een verantwoorde beslissing te kunnen komen over de vraag of er voldoende grond voor vervolging is. In het belang van de objectiviteit van het onderzoek adviseert het presidium de commissie te bezien of ook zonder kennisneming van de namen tot een verantwoorde beslissing kan worden gekomen.

Omdat voor het eerst sprake is van toepassing van deze procedure uit de Wet ministeriële verantwoordelijkheid zal in de praktijk en op grond van goed overleg met het OM en het College van procureurs-generaal invulling gegeven moeten worden aan de eisen waaraan het onderzoek en de omschrijving van de last aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad moet voldoen. Op grond van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid moet de last een nauwkeurige aanduiding van de feiten bevatten waarop de beschuldiging rust (artikel 18, lid 2). Het is wenselijk dat in goed overleg tot een werkbare invulling van dit wetsartikel wordt gekomen als de Kamer zou besluiten om een opdracht tot vervolging te geven, gelet op het feit dat dit niet tot de normale taken van de Tweede Kamer behoort.

Procedure

Op grond van de regeling in de Wet ministeriële verantwoordelijkheid brengt de commissie verslag uit aan de Kamer, die daarover beraadslaagt binnen drie maanden (en dus uiterlijk op 3 februari 2016) tot een eindbeslissing over het al dan niet formuleren van een last aan de procureur-generaal van de Hoge Raad moet komen.

Met deze brief hoop ik u zo volledig mogelijk geïnformeerd te hebben en inzicht te hebben geboden in het voorstel van het presidium aan de leden van de Kamer over het instellen van een commissie van onderzoek, de taken van de commissie en de mogelijke reikwijdte en aanpak van het onderzoek. Over het voorstel tot het instellen van een onderzoekscommissie en over de samenstelling daarvan, zal de Kamer in meerderheid moeten beslissen.

Ik stel voor dat op zo kort mogelijke termijn te doen, bij voorkeur reeds op dinsdag 17 november aanstaande.

namens het presidium,

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, A. van Miltenburg


X Noot
1

Ter vertrouwelijke inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.