Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-201634336 nr. B

34 336 Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet financiering sociale verzekeringen en enkele andere wetten in verband met verbetering van de hybride markt van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wet verbetering hybride markt WGA)

B MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 17 mei 2016

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van het voorstel om de hybride markt van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) te verbeteren. Zij leggen de regering nog graag enkele vragen voor.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet financiering sociale verzekeringen en enkele andere wetten, waarmee de wijze waarop de WGA-lasten bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gefinancierd worden, wordt aangepast. De leden van deze fractie hebben enkele vragen bij het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met instemming kennisgenomen van het voorstel Wet verbetering hybride markt WGA. Immers, waar het hybride stelsel was bedoeld om van meerwaarde te zijn met betrekking tot preventie en re-integratie, werd het in de praktijk vooral gebruikt om de staartlasten achter te laten door te switchen van private verzekering naar publieke verzekering en omgekeerd.

Doel van het wetsvoorstel

De leden van de fractie van D66 vragen in hoeverre de verwachting van een verbetering op grond van deze wetswijziging gebaseerd is op de uitkomsten van onderzoek, zowel wat betreft het tegenvallende resultaat van de oorspronkelijke wet als wat betreft de effectiviteit van de voorgestelde wijziging.

Het voorliggende wetsvoorstel is de uitkomst van een zorgvuldig proces om de onevenwichtigheid in de hybride markt in kaart te brengen en oplossingen te verkennen. Daarbij zijn diverse partijen geconsulteerd en betrokken. In de eerste plaats zijn UWV en private verzekeraars betrokken bij het verkennen van het probleem van de onevenwichtigheid in de markt. Ook rapporten van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG)1 en de Commissie Verzekeraars (CV)2 zijn benut om het probleem in de hybride markt scherp te krijgen en om oplossingsrichtingen te vinden. Het AG heeft aangegeven dat de invulling van het hybride stelsel en met name de verschillen in de publieke en private premiestelling voor grote en middelgrote werkgevers tot onzekerheid leidt met als risico dat private verzekeraars zich terugtrekken van de private markt. De CV signaleerde een ongelijkheid in het speelveld tussen UWV en private verzekeraars die name komt door verschillen tussen het omslagstelsel dat UWV hanteert en het kapitaaldekkingstelsel dat private verzekeraars hanteren. Om die reden geeft de CV aan dat het wenselijk is dat het speelveld tussen UWV en private verzekeraars meer gelijk getrokken wordt. De experts hebben twee specifieke verschillen aangeduid die de onevenwichtigheid in het speelveld veroorzaken en die met deze maatregelen worden aangepakt. In de eerste plaats zullen de publieke staartlasten van werkgevers die van de publieke verzekering bij UWV overstappen naar eigenrisicodragerschap uit het zogenoemde staartlastenvermogen worden gefinancierd. Hierdoor hoeven werkgevers die vanuit de publieke verzekering eigenrisicodrager worden niet hun lopende WGA-lasten af te financieren zoals dat ook reeds het geval is bij werkgevers die overstappen vanuit een private verzekering. In de tweede plaats zullen werkgevers die bij UWV terugkeren een premie betalen die meer vergelijkbaar is met een premie die zij zouden betalen bij een private verzekeraar. Hun premie wordt gebaseerd op hun totale historische WGA-lasten. Nu worden in de premieberekening alleen de publieke WGA-lasten gebruikt. Hierdoor betalen werkgevers die naar UWV terugkeren over het algemeen de eerste jaren na terugkeer de minimumpremie.

De Nederlandsche Bank (DNB) heeft desgevraagd aangegeven dat de voorgenomen aanpassing leidt tot een verbetering van het speelveld tussen UWV en private verzekeraars.

De leden van de fractie van de SP vragen de regering te verduidelijken waarom de thans goedkopere publieke premie omhoog moet, terwijl het UWV in de prestatie geen enkel verwijt wordt gemaakt. Ook vernemen deze leden graag waarom de overstap naar private financiering aantrekkelijker moet worden gemaakt, terwijl de private verzekeraars hun meerwaarde nog moeten aantonen. Kan de regering tot slot aangeven waarom de slechte marktpositie van private verzekeraars door wetgeving moet worden verbeterd teneinde het hybride stelsel overeind te houden, terwijl het hybride stelsel tot op heden de verwachting niet heeft waargemaakt?

Het doel van het hybride stelsel is dat verschillende partijen, UWV en private verzekeraars, elkaar scherp houden en zo bijdragen aan zo effectief mogelijke re-integratie en activering. Op dit moment lijken werkgevers zich echter bij de keuze van een WGA-verzekering vooral te richten op het voordeel dat op kortere termijn bij UWV behaald kan worden zonder de effectiviteit van re-integratieactiviteiten en activering mee te wegen. Zoals hierboven beschreven is geconstateerd dat er een onevenwichtigheid waardoor het voor werkgevers vaak aantrekkelijk is om vanuit eigenrisicodragerschap de publieke verzekering in te stromen, maar er juist een financiële drempel is om vanuit de publieke verzekering eigenrisicodrager te worden. Om die onevenwichtigheid te verbeteren kiest de regering ervoor om de publieke premie meer marktconform te maken door deze te baseren op de totale historische lasten. Daar tegenover staat dat werkgevers die vanuit de publieke verzekering eigenrisicodrager worden hun publieke staartlasten bij UWV kunnen achterlaten. Het is dus niet zo dat de publieke premie eenzijdig wordt verhoogd zonder dat daar iets tegenover staat. Door de financieringswijze van de WGA-lasten bij UWV meer gelijk te trekken met de financiering van private verzekeraars zal de focus meer op re-integratie van zieke en gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers gericht worden.

Als verzekeraars effectief inzetten op preventie en re-integratie kunnen zij de uitkeringslasten beperken en daarmee de prijzen van hun verzekering laag krijgen en houden en zo een bijdrage leveren aan de doelen van het hybride stelsel. Uit contacten met verzekeraars blijkt ook dat zij, mede naar aanleiding van de met deze wet beoogde maatregelen juist nu hard werken om nieuwe verzekeringsproducten te ontwikkelen met de focus op preventie en re-integratie. De regering acht het dus te vroeg om de hybride markt los te laten terwijl de ontwikkelingen hoopvol en kansrijk zijn. Dat laat onverlet dat het aan private verzekeraars is om nu ook daadwerkelijk hun meerwaarde in deze markt aan te tonen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze de regering erop gaat toezien dat de meerwaarde van het hybride stelsel op het gebied van re-integratie en preventie nu wel wordt waargemaakt. Ook vernemen zij graag op welke wijze de regering zich inzet om de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel te bevorderen. Hoe is de regering voornemens de uitvoerbaarheid te monitoren? En zullen de resultaten daarvan gedeeld worden met de Eerste Kamer?

Zoals reeds genoemd blijkt uit contacten met private verzekeraars dat zij om de hybride markt tot een succes te maken reeds aan de slag zijn om verzekeringsproducten te ontwikkelen met de focus op preventie en re-integratie. Dat laat onverlet dat de regering van mening is dat private verzekeraars daadwerkelijk hun meerwaarde in deze markt moeten aantonen. Ik ben daarom met het Verbond van Verzekeraars en met UWV in gesprek over een manier waarop de prestaties van de spelers op de hybride markt inzichtelijk gemaakt kunnen worden en kunnen worden gemonitord. Over de uitkomsten van monitoring en eventueel onderzoek zal ik de Tweede Kamer te zijner tijd informeren, waarbij een afschrift ook aan uw Kamer gezonden zal worden. Om Verzekeraars en UWV eerst de ruimte te geven voor de implementatie van voorliggende maatregelen zullen deze gesprekken over de vormgeving van de monitoring in het tweede half jaar van 2016 worden voortgezet. Naar verwachting kan ik de Tweede Kamer aan het einde van dit jaar nader informeren over het verdere proces.

Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel wijst de regering erop dat zowel UWV als de Belastingdienst hebben geoordeeld dat de maatregelen uitvoerbaar zijn. Om de implementatie in goede banen te leiden vindt regelmatig overleg plaats tussen het Ministerie van SZW, UWV, de Belastingdienst en het Verbond van verzekeraars. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de verschillende uitvoerders goed op elkaar afgestemd zijn.

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering kan aangeven in hoeverre en op welke wijze inmiddels gevolg is gegeven aan de in de Tweede Kamer aangenomen moties van het lid Schut-Welkzijn met betrekking tot respectievelijk de uitvoering van de re-integratie door verzekeraars bij faillissement van een eigenrisicodrager en de toets op de uitvoering van het onderbrengen van de Inkomensvoorziening Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA) onder het hybride stelsel?

Op dit moment worden vanuit het Ministerie van SZW verkennende gesprekken gevoerd over de uitvoering van deze moties. De termijn waarop ik echt stappen kan zetten en de Tweede Kamer kan informeren hangt echter ook af van de tijd en capaciteit die men, zowel bij UWV als bij verzekeraars, beschikbaar kan stellen. Op dit moment ligt de focus van zowel UWV, de Belastingdienst als van verzekeraars nog op de implementatie van de maatregelen uit dit wetsvoorstel. Daarnaast wijst de regering erop dat er ook nog een verzoek bij de Sociaal-Economische Raad (SER) ligt om zich voor de zomer van 2016 in een advies uit te spreken over een sluitend stelsel voor een inkomenswaarborg tijdens ziekte. Ook dit advies kan betrokken worden bij de uitvoering van deze moties. Ik zal de Tweede Kamer na het zomerreces nader informeren over de voortgang.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Koninklijk Actuarieel Genootschap, Position paper WGA-ERD. Is er wel een level playing field, 16 januari 2015.

X Noot
2

Commissie Verzekeraars, Nieuw leven voor verzekeraars, 5 maart 2015.