Klacht
Namens verzoeker vraagt gemachtigde de Belastingdienst af te zien van terugvordering
van het door verzoeker ontvangen voorschot huurtoeslag 2011. Volgens gemachtigde is
er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Staatssecretaris van Financiën inlichtingen
verstrekt aan de commissie.
Feiten
De Belastingdienst Toeslagen heeft bij definitieve beschikking bepaalt dat verzoeker
de bij wijze van voorschot ontvangen huurtoeslag voor 2011 van ruim € 2.700 moet terugbetalen,
omdat hij een zorgverlener in huis heeft genomen die door de Belastingdienst wordt
aangemerkt als een medebewoner. De beslissing tot terugvordering wordt door verzoeker
bestreden met het argument dat hij deze zorgverlener op basis van een tewerkstellingsvergunning
via het UWV uit het buitenland heeft aangenomen om zo lang mogelijk thuis te kunnen
blijven wonen en geen gebruik te hoeven maken van dure zorginstellingen. Op grond
van de te werkstellingsvergunning is verzoeker, die 24-uurs verzorging nodig heeft,
verplicht om de zorgverlener onderdak te bieden. Het inkomen van de zorgverlener wordt
vastgesteld door het zorgkantoor en voldaan uit het persoonsgebonden budget van cliënt.
Verzoeker is dan ook van mening dat het inkomen van deze zorgverlener buiten beschouwing
moet worden gelaten. De Belastingdienst/Toeslagen wijst erop dat de partner of medebewoners
slechts buiten toepassing blijven indien aan de in artikel 2a van het Besluit op de
huurtoeslag opgenomen vereisten wordt voldaan. Een van die eisen bepaalt dat het gezamenlijke
toetsingsinkomen niet hoger mag zijn dan € 41.475; daarvan is in het onderhavige geval
geen sprake. Verzoeker heeft bezwaar ingediend tegen de definitieve beschikking, maar
dit bezwaar is ongegrond verklaard; ook een beroep tegen de uitspraak op bezwaar mocht
niet baten.
Overwegingen
In zijn reactie geeft de Staatssecretaris aan dat een beroep op de hardheidsclausule
krachtens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen niet slaagt omdat de daarin
omschreven situaties niet van toepassing zijn en de juiste wetstoepassing in dit geval
niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Navraag bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat verantwoordelijk is voor het beleid
met betrekking tot huurtoeslag, wijst uit dat de hardheidsclausule in artikel 2a van
het Besluit op de huurtoeslag juist ziet op situaties waarin sprake is van een medebewoner
die speciaal vanwege de zorg inwoont.
Verzoeker is van mening dat de Belastingdienst/Toeslagen gebruik moet maken van zijn
discretionaire bevoegdheid om de belastingschuld buiten invordering te stellen. De
staatsecretaris antwoordt dat één van de voorwaarden hiervoor is dat de terugbetaling
van de ontvangen toeslag niet te wijten mag zijn aan opzet of grove schuld van de
toeslaggerechtigde of diens toeslagpartner. Hij meent dat daar in de onderhavige situatie
wel sprake van is aangezien verzoeker niet zou hebben vermeld dat er in 2011 sprake
was van een medebewoner.
Verzoeker meent te goeder trouw te hebben gehandeld. Hij benadrukt dat hij ondanks
de indicatiestelling voor een verpleeghuis de samenleving aanzienlijke kosten bespaart
door zelfstandig te blijven wonen.
Ten langen leste besluit de staatssecretairs op aandringen van gemachtigde van verzoeker
dat er wegens het ontbreken van betalingscapaciteit geen invorderingsmaatregelen meer
genomen zullen worden voor de terugvordering van de huurtoeslag over 2011.
Oordeel van de commissie3
Gezien het besluit van de staatsecretaris geen invorderingsmaatregelen meer te zullen
nemen en het verzoek daarmee dus in feite is ingewilligd, heeft de commissie besloten
zich van een nader oordeel te onthouden.
Voorstel aan de Kamer
Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.
De voorzitter van de commissie, Neppérus
De griffier van de commissie, Roovers