34 306 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015)

Nr. 5 VERSLAG

Vastgesteld 7 oktober 2015

De vaste commissie voor Financiën belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

 
     

Inleiding

1

Mismatches

2

Antimisbruikbepaling

3

Budgettaire aspecten

5

Overig

6

Artikelsgewijze toelichting

6

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. Deze leden maken graag van deze gelegenheid gebruik een paar vragen te stellen.

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden met dit voorstel ter implementatie van de wijzigingen in de Moeder-dochterrichtlijn. Deze wet is een verdere stap in het uitbannen van belastingontwijking. De leden van de PvdA-fractie vragen dan ook om bevestiging dat de maatregelen per 1 januari 2016 ingaan en tevens vanaf die datum zien op bestaande structuren.

De leden van de SP-fractie verwelkomen de richtlijn en de implementatie hiervan in Nederlandse wetgeving. Deze leden zijn verheugd over het feit dat dubbele niet-heffing wordt tegengegaan.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015.

De leden van de fractie van de PVV hebben kennisgenomen van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. Deze leden vragen waarom de richtlijn niet gebruikt kan worden om een hoofd te bieden aan misbruik? Tevens vragen zij of er een toetsing plaats heeft gevonden of de wijziging van deze richtlijn wel in overeenstemming is met het primaire gemeenschapsrecht.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn. Deze leden hebben enkele aanvullende vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. Genoemde leden willen graag enkele vragen ter beantwoording aan de regering voorleggen.

Mismatches

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of het wenselijk is dat de regering kiest voor een mondiale reikwijdte bij hybride instrumenten? Komt Nederland daardoor niet op een achterstand te staan ten opzichte van andere landen in de EU ook vanuit het perspectief van behoud van een goed investeringsklimaat?

De leden van de PvdA-fractie vinden het goed dat er eindelijk serieus werk wordt gemaakt van de bestrijding van belastingontwijking door middel van fiscale mismatches. Dit kan niet met een enkele maatregel, maar alleen door internationale samenwerking op het gebied van regelgeving en informatie-uitwisseling. De leden van de PvdA juichen dan ook toe dat EU-breed nu op deze vlakken initiatieven worden genomen, met de wijziging van de Moeder-dochterrichtlijn, de initiatieven tot country-by-country reporting en de uitgebreide regels voor automatische gegevensuitwisseling. De leden van de PvdA-fractie steunen de keuze van de regering voor een wereldwijde toepassing van de bepaling tegen mismatches uit de Moeder-dochterrichtlijn. Welke lidstaten kiezen niet voor een wereldwijde toepassing? Wat vindt de regering van de keuze van deze landen?

Waarom is er niet gekozen voor een aftrekbeperking in de lidstaat van de betalende vennootschap, in plaats van te kijken naar de ontvangende vennootschap? Hoe verhoudt deze wetgeving zich tot de initiatieven uit het BEPS-project, vragen de leden van de fractie van de PvdA.

De leden van de SP-fractie vragen de regering aan te geven of het tegengaan van mismatches, zoals nu op papier wordt gedaan, ook in de praktijk zal leiden tot heffing op winsten die in andere landen aftrekbaar is. Met andere woorden, in hoeverre zal dubbele niet-heffing ten aanzien van geldverstrekkingen ook in de praktijk worden beëindigd?

De leden merken op dat in dit voorstel, de lidstaat waarin de ontvangende vennootschap is gevestigd, wordt verplicht om winsten te belasten voor zover deze in de andere lidstaat aftrekbaar is. Zij vragen de regering of de conceptvoorstellen van de OESO ook de ontvangende lidstaat verplichten om bij te heffen. Of kiest de OESO een andere benadering?

Worden door het wetsvoorstel ook mismatches als gevolg van verschillen in transfer pricing bestreden, vragen de leden van de SP-fractie.

De leden van de CDA-fractie achten het zeer positief dat de maatregel niet alleen geldt voor hybride leningen, maar ook voor mismatches door cumulatief preferent dividend. Omdat de mismatches ook veelvuldig plaatsvinden met derde landen achten deze leden het tevens positief dat de regering gekozen heeft voor een wereldwijde in plaats van een Europese benadering om de mismatches op te lossen.

Waar de regeling bedoeld is om dubbele non-heffing te voorkomen, mag het natuurlijk niet zo zijn dat als gevolg van de regeling twee keer belasting betaald moet worden, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Dat is precies wat er gebeurt als het land van de vennootschap die de hybride lening heeft verstrekt heft over de rente en in de land van de betalende vennootschap sprake is van een algemene renteaftrekbeperking. Kan de regering aangeven waarom zij bewust dubbele belasting aanvaart door geen deelnemingsvrijstelling toe te staan in dit geval? De leden van de CDA-fractie achten het onbegrijpelijk dat de regering in het belastingplan vele pagina’s wijdt aan het Nederlandse vestigingsklimaat en in onderhavige wet bewust dubbele belasting aanvaart. Deze leden verzoeken de regering alsnog de keuze te maken voor het aanknopen bij de daadwerkelijke rente die in het andere land in aftrek gekomen is.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom de deelnemingsvrijstelling wordt onthouden bij meegekochte rente. Als de vennootschap voor rente betaald heeft, hoe kan dan sprake zijn van rente die je zou moeten belasten?

Kan de regering uiteenzetten hoe het leerstuk van de onzakelijke lening zich verhoudt tot de beperking van de deelnemingsvrijstelling bij hybride leningen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Kan de regering bevestigen, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat de voorgestelde maatregel voor mismatches niet geldt voor bewuste voordelen en faciliteiten van het fiscale stelsel van het andere land? Werkt de voorgestelde bepaling bijvoorbeeld zo uit dat de Braziliaanse allowance for corporate equity in Nederland wordt belast?

Heeft de voorgestelde maatregel tegen mismatches terugwerkende kracht, zo vragen de leden van de CDA-fractie, door het buiten werking stellen van de regelcompartimentering?

Klopt het dat er nu heffing is bij de geldverstrekker als er in beginsel recht op aftrek bestaat bij geldlener, ook als dat recht op aftrek door algemene aftrekbeperkingen niet kan worden benut, zo vragen de leden van de PVV-fractie.

Antimisbruikbepaling

De leden van de fractie van de VVD vragen de regering waarom er gekozen is voor een implementatie van de anti-misbruik bepaling van de EU Moeder-dochterrichtlijn die qua reikwijdte verder gaat dan nodig is?

Ook vragen deze leden zich af hoe de tekst van de anti-misbruikregel in de Moeder-dochterrichtlijn zich verhoudt tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU inzake anti-misbruikregels in nationale fiscale wetgeving en hun verhouding tot de EU-verdragsvrijheden? Houdt dit stand voor de rechter?

De leden van de PvdA steunen de wijze van implementatie van de algemene anti-misbruikbepaling in de aanmerkelijk belangregeling in de vennootschapsbelasting. De leden van de PvdA-fractie hebben hierbij enkele vragen over onbedoelde effecten. Zij begrijpen de wens om substance te vereisen bij degene die het belang in de Nederlandse vennootschap of coöperatie houdt. Welke eisen aan substance worden hier gesteld? Worden deze eisen ook gesteld als de (lege) tussenhoudster evident niet is tussengeplaatst met als reden om de dividendbelasting of aanmerkelijk belangheffing te ontwijken, bijvoorbeeld omdat Nederland ook met de tophoudster daarboven een verdrag heeft dat voorziet in een 0% tarief? Is er reden te vermoeden dat het eisen van teveel substance bij het lichaam dat het belang houdt in de Nederlandse vennootschap juist substance kan wegtrekken uit Nederland? Hoe verhoudt zich dit tot het streven naar het aantrekken van reële activiteiten en bij voorkeur hoofdkantoren naar Nederland, en niet naar het land waar een eventuele tussenschakel is gevestigd? Is er Europese coördinatie met betrekking tot substance-eisen? Hoe worden substanceregels in bijvoorbeeld Luxemburg, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk geïnterpreteerd?

De leden van de SP-fractie vragen de regering of het klopt dat de substance voor toepassing van de antimisbruikbepaling afwijkt van de wijze waarop deze in het kader van dienstverleningslichamen wordt getoetst. Waarom is hiervoor gekozen?

De leden van de CDA-fractie hebben in het kader van het debat over de Ecofin al aangegeven voorstander te zijn van een algemene antimisbruikbepaling, mits op het niveau waarop de bepaling bedacht wordt, namelijk in de MDR, een voldoende duidelijk kader geschetst wordt welke situaties met de algemene antimisbruikbepaling worden bestreden en welke situaties niet. Ook in de redactie van de Vakstudie Nieuws constateerde al eerder (V-N 2015/8.10) dat het resultaat een tekst is die veel onduidelijkheden bevat en bovendien door de lidstaten verschillend mag en zal worden geïnterpreteerd. De leden van de CDA-fractie vragen de regering dan ook in te gaan op het verzoek van de redactie van de Vakstudie Nieuws in hun aantekening bij onderhavig wetsvoorstel tot de mogelijkheid van het bij een voor bezwaar vatbare beschikking gedane oordeel van de Belastingdienst dat de antimisbruikbepaling wel of niet van toepassing is.

Nu de regering onduidelijke wetgeving aan het implementeren is, verwachten de leden van de CDA-fractie dat de regering bedrijven zoveel mogelijk duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van de antimisbruikbepaling, niet alleen bij beschikking, niet alleen tijdens vooroverleg, maar ook tijdens de parlementaire behandeling. Het kan niet zo zijn dat bedrijven moeten wachten tot er procedures gevoerd zijn bij het Europese Hof van Justitie voordat die duidelijkheid er komt. Kan de regering een aantal voorbeelden geven van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen en een aantal voorbeelden van gevallen die onder de antimisbruikbepaling vallen – dus zonder geldige zakelijke redenen? Ziet de regering situaties waarin het aanmerkelijk belang wel tot het ondernemingsvermogen behoort, maar functioneel niet tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend?

De Moeder-Dochterrichtlijn verplicht Nederland de antimisbruikbepaling binnen de EU en de EER in te voeren. De regering heeft echter gekozen voor een wereldwijde toepassing door de buitenlandse AB-regeling aan te passen. De leden van de CDA-fractie begrijpen deze beslissing vanuit de wens van de regering om voorop te staan als het gaat om misbruik van belastingen aan te pakken. Toch achten deze leden dit niet verstandig. Op 8 oktober wordt bekend wat de OESO van landen verwacht in het kader van het BEPS-project, dus door te omvangrijke reikwijdte nu, moet Nederland volgend jaar de regeling weer aanpassen. Bovendien is een groot risico dat de te omvangrijke reikwijdte slecht is voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Kan de regering aangeven van welke landen bekend is dat zij de MDR beperkter zullen invoeren?

Bij de onnodig ruime reikwijdte van de maatregel met betrekking tot vermogenswinsten begrijpen de leden van de CDA-fractie de beslissing van de regering wel goed. Dividenden en vermogenswinsten zijn communicerende vaten, dus je kan niet voor het ene vermogensbestanddeel wel misbruik aanpakken en voor het andere vermogensbestanddeel de weg naar misbruik open houden. Maar de beslissing kan wel gevolgen hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat. De regering heeft immers bewust niet gekozen voor unilaterale maatregelen vooruitlopend op de Europese richtlijn. De leden van de CDA-fractie constateren dat antimisbruikmaatregelen met verdergaande consequenties dan de richtlijn, zeker als daar in individuele gevallen dubbele belasting uit volgt, ook een soort unilaterale maatregelen zijn. Deze leden vragen de regering op deze constatering te reageren.

Heeft de regering bovendien rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse vestigingsklimaat? Heeft de regering een inschatting gemaakt hoe groot de gevolgen voor het Nederlandse vestigingsklimaat zullen zijn?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de substance voor de antimisbruikbepaling getoetst moet worden per vennootschap of voor alle vennootschappen van een groep in een Nederland tezamen? Kan naar het oordeel van de regering sprake zijn van misbruik als sprake is van subholdings in Nederland zonder eigen directe substance met een topholding in Nederland met meer dan voldoende substance?

Hoe verhoudt de algemene antimisbruikbepaling zich tot fraus legis, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Blijft fraus legis volgens de regering naast de algemene antimisbruikbepaling bestaan of omvat de algemene antimisbruikbepaling tevens de gevallen van fraus legis?

Waarom vindt er geen bevestiging plaats dat de antimisbruikbepaling niet van toepassing is bij een voor bezwaar vatbare beschikking? Zou dit de rechtszekerheid niet aanmerkelijk verhogen, vragen de leden van de fractie van de PVV.

Budgettaire aspecten

De leden van de PvdA-fractie constateren dat deze wet € 10 miljoen structureel zal opbrengen. Graag zouden de leden van de PvdA-fractie op dit bedrag een nadere toelichting zien, hierbij opmerkende dat de OESO uitgaat van een jaarlijkse budgettaire derving van 4%–10% door Base Erosion and Profit Shifting. Aangezien deze wet bij uitstek ziet op Base Erosion and Profit Shifting lijkt een hogere opbrengst voor de hand te liggen. Graag een reactie van de regering.

Volgens de memorie van toelichting bedraagt de budgettaire opbrengst van de voorgestelde maatregelen structureel € 10 miljoen. De leden van de SP-fractie vragen waarop deze raming is gestoeld. Kan de regering dat toelichten? Heeft de regering gegevens over het aantal hybride mismatches en de belastinginkomsten die Nederland als gevolg daarvan misloopt? Welke budgettaire opbrengst boeken andere EU-landen in, als gevolg van de implementatie van de richtlijn?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de opbrengsten van onderhavige wet raamt op € 10 miljoen structureel. Deze leden achten het zeer positief dat het aanpakken van misbruik in dit wetsvoorstel ook positieve gevolgen heeft voor de schatkist. Wel vragen deze leden of in deze raming ook rekening is gehouden met eventuele nadelige gevolgen van onderhavige wet, zoals gederfde inkomsten en minder investeringen door negatieve gedragseffecten al dan niet door de onduidelijkheid en een te omvangrijke implementatie van de richtlijn. Kan de regering uiteenzetten hoe zij tot de raming van € 10 miljoen is gekomen? De leden van de CDA-fractie verwijzen hier mede naar de aantekening van de redactie van de Vakstudie Nieuws, die verwachten dat bedrijven door de onduidelijkheid zullen kiezen voor concentratie in een grote lidstaat en dus niet in Nederland. Graag een reactie hierop van de regering.

Overig

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering tevens in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en het Register Belastingadviseurs in hun commentaren op onderhavig wetsvoorstel.

Artikelsgewijze toelichting

De in artikel 13, zeventiende lid van de Wet op de vennootschapsbelasting voorgestelde wijziging ten aanzien van hybride instrumenten ziet in beginsel niet op voordelen, waaronder valutavoordelen, die worden behaald bij de vervreemding van dergelijke instrumenten, aldus de leden van de fractie van D66. Daar staat tegenover dat de ontvanger van het met deze instrumenten meegekochte dividend of de meegekochte rente deze tot haar winst moet rekenen, voor zover dit dividend of deze rente bij het lichaam waaraan het instrument is verstrekt in aftrek kunnen worden gebracht. De leden van de D66-fractie vragen of deze bepaling ook geldt voor hybride instrumenten die aan derden of buitenlandse partijen worden vervreemd. Wanneer er bij de koper van een hybride instrument sprake is van meegekochte dividend of meegekochte rente is er bij de verkoper dan niet altijd sprake van een vervangende vergoeding voor dit dividend of deze rente in de zin van artikel 13, zeventiende lid, letter b van de Wet?

De leden van de D66-fractie constateren dat België een systeem kent waarbij rente over het eigen vermogen van een vennootschap kan worden afgetrokken. Deze leden vragen of een dividend uit een Belgische deelneming ook onder de in artikel 13, lid 17 genoemde vergoedingen valt.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering de volgende casus wil beoordelen; een in het buitenland gevestigde groep investeerders wenst een andere in het buitenland gevestigde vennootschap van een derde over te nemen. Met het oog op deze overname richten de investeerders een Nederlandse coöperatie op. De coöperatie richt op haar beurt een Nederlandse vennootschap op. Vervolgens neemt de Nederlandse vennootschap de in het buitenland gevestigde vennootschap over. Onder de investeerders zitten partijen die hun belang in de Nederlandse coöperatie, al dan niet middels een schakelende houdstervennootschap, tot hun ondernemingsvermogen rekenen en partijen die dat niet kunnen. Deze structuur wordt opgezet met het oog op de voordelen van het belastingverdrag dat Nederland met het land van vestiging van de over te nemen vennootschap heeft gesloten en om Nederlandse dividendbelasting op winstuitkeringen aan de buitenlandse investeerders te voorkomen. Wanneer is in dit geval sprake van een kunstmatige constructie of een reeks van constructies in de zin van artikel 17, derde lid, letter b van de Wet op de vennootschapsbelasting en wanneer is er sprake van een kunstmatige constructie of een reeks van constructies in de zin van artikel 1, zevende lid Wet op de dividendbelasting?

In de tekst van het voorgestelde artikel 1, zevende lid Wet dividendbelasting en in de toelichting op die bepaling gaat de regering er van uit dat het mogelijk is dat er geen sprake is van een kunstmatige constructie, zodat het niet nodig is om het oogmerk voor het gebruik van de coöperatie te toetsen, ook indien een coöperatie geen zelfstandige reële economische betekenis heeft. Het op ledenniveau drijven van een onderneming, al dan niet via een schakelende tussenhoudster, zou dan voldoende zijn om niet te hoeven spreken van een kunstmatige constructie. Hoe moet hiermee worden omgegaan, indien zoals in het hiervoor genoemde voorbeeld, niet alle leden hun belang in de Nederlandse coöperatie tot hun ondernemingsvermogen kunnen rekenen?

Is de regering bereid om zijn uitleg over de schakelfunctie en de benodigde substance op het niveau van de schakelende houdstervennootschap neer te leggen in een beleidsbesluit? Zo nee, waarom niet, vragen de leden van de fractie van D66.

In de toelichting op de wijziging in artikel 1, zevende lid Wet dividendbelasting en in de toelichting op artikel 17, derde lid, onderdeel b Wet vennootschapsbelasting staat dat deze bepalingen in overeenstemming worden gebracht met de anti-misbruikbepaling uit de MDR. Is de regering van mening dat de Belastingdienst bij de uitleg en de toepassing van deze bepalingen waar het betreft de bepalingen die terug te leiden zijn op de anti-misbruikbepaling van die MDR, de jurisprudentie van het EU Hof van Justitie inzake anti-misbruik tot richtsnoer moeten nemen, ook waar het betreft de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting en de Wet op de dividendbelasting in relatie tot niet-EU landen?

Artikel 13, lid 17, sluit voordelen uit hoofde van een deelneming uit van toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor zover deze voordelen bestaan uit vergoedingen van of betalingen door het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden voor zover deze in aftrek kunnen worden gebracht van een belasting naar de winst, aldus de leden van de fractie van de ChristenUnie. Voordelen behaald ter zake van de vervreemding van een deelneming vallen in beginsel niet onder de voorgestelde regeling. Op grond van art. 13, lid 17, onderdeel b, zou echter kunnen worden geoordeeld dat ook vervreemdingsvoordelen zijn uitgesloten indien en voor zover in de vervreemdingsvoordelen bedragen voor gederfde of te derven vergoedingen of betalingen zijn begrepen. Tot slot volgt uit de laatste volzin van lid 17 dat, indien dergelijke vergoedingen of betalingen zijn begrepen in de kostprijs van een deelneming, deze vergoedingen of betalingen onder omstandigheden tot de winst moeten worden gerekend. Op basis van de tekst van het voorgestelde art. 13, lid 17 kan niet worden uitgesloten dat de in een koopsom begrepen vergoedingen en betalingen dubbel in de heffing worden betrokken. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in te gaan op de constatering van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs dat de voorgestelde wettekst in dergelijke gevallen dubbele heffing lijkt mee te brengen.

Indien zou moeten worden aangenomen dat in een koopsom begrepen vergoedingen en betalingen niet kunnen aangemerkt gederfd of te derven vergoedingen of betalingen, is het de vraag of de regeling in de slotzin afdoende is. Immers, indien wordt vervreemd aan een in het buitenland gevestigde concernmaatschappij zal de slotzin geen toepassing vinden. Heffing over de in aftrek gebrachte vergoedingen en betalingen kan zo worden ontgaan. Dit effect kan worden voorkomen door de uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling toe te passen op alle voordelen uit hoofde van een deelneming voor zover deze voordelen in aftrek kunnen worden gebracht van een belasting naar de winst. Daarmee zou de regeling ook aanzienlijk worden vereenvoudigd omdat de onderdelen a en b en de slotzin kunnen vervallen. Art. 13, lid 17 zou daarmee weliswaar verder gaan dan is vereist op grond van de EU Moeder-dochterrichtlijn, maar omdat de uitsluiting slechts van toepassing is voor zover het voordeel ten laste van een belasting naar de kan worden gebracht, ontstaat een coherent systeem dat past binnen het internationale speelveld terwijl geen arbitrage mogelijk is tussen soorten voordelen uit hoofde van een deelneming. Tevens hoeft dan het voorgestelde art. 28c, lid 7, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet te worden ingevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering de regering in te gaan op de mogelijkheid de uitsluiting van toepassing te laten zijn op alle voordelen uit hoofde van een deelneming voor zover de voordelen in aftrek kunnen worden gebracht waarmee een aanzienlijke vereenvoudiging van de regeling kan worden bereikt en de mogelijkheid van arbitrage wordt ontgaan.

Het voorgestelde artikel 13, lid 17, is van voor zover toepassing de genoemde vergoedingen en betalingen rechtens dan wel in feite direct of indirect in aftrek kunnen worden gebracht. De zinsnede «rechtens dan wel in feite direct of indirect» komt op meerdere plaatsen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor. Het is de leden van de ChristenUnie-fractie met name niet duidelijk waarom in de voorgestelde regeling de termen «direct of indirect» noodzakelijk zijn. Een dergelijke open norm brengt rechtsonzekerheid met zich die slechts kan worden aanvaard als er een reëel belang mee is gediend. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering dan ook een aantal voorbeelden te geven van situaties waarin vergoedingen en betalingen als bedoeld in art. 13, lid 17, indirect in aftrek kunnen worden gebracht.

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs constateert dat op grond van de letterlijke tekst van de voorgestelde bepaling verkapte dividenden (door een verschillende toepassing van het arms» length beginsel dan wel door toepassing van het leerstuk van de onzakelijke lening) in bepaalde gevallen ook van toepassing van de deelnemingsvrijstelling zijn uitgesloten. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te bevestigen dat dit niet de bedoeling is. Dient de voorgestelde tekst van art. 13, lid 17 in verband hiermee te worden aangepast?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er een overgangsregeling komt voor niet-EU situaties? De EU-richtlijn moet worden geïmplementeerd vanaf 1/1/2016, waarmee er voor EU-situaties geen overgangsregeling mogelijk lijkt / is, dit is echter anders voor niet EU-situaties.

Op basis van de huidige redactie van het nieuwe artikel 1, lid 7 Wet op de dividendbelasting, is er op basis van de letterlijke tekst geen sprake meer van een misbruiktoets in de «oude» tweede volzin, i.e. ondernemingssituaties waarin een coöperatie (coop) een aandelenbelang in een Nederlandse entiteit verkrijgt, nu opgenomen in de vierde volzin. De vierde volzin stelt nu namelijk dat in zoverre het lid van de coop het lidmaatschapsbelang kan toerekenen aan een onderneming en de coop niet reëel is, er sprake is van (een gelimiteerde) dividendbelastingplicht. In tegenstelling tot de tweede volzin van het huidige artikel 1, lid 7 wet op de dividendbelasting, welk een soortgelijk doel nastreeft, is er in de nieuwe vierde volzin geen ruimte meer gelaten voor het toetsen of er überhaupt sprake is van fiscaal misbruik. Gezien de toelichting bij het wetsvoorstel lijkt er geen inhoudelijke wijziging beoogd in dit opzicht. Is het een juiste veronderstelling van de leden van de fractie van de ChristenUnie dat het hier een redactionele omissie betreft?

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De griffier van de commissie, Berck

Naar boven