Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-VIII nr. 153

34 300 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2016

Nr. 153 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2016

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft mij op 19 mei jl. verzocht om een reactie op het rapport van Diversion van 6 mei 2016 met als titel «Verkenning Dialoog als burgerschapsinstrument». In deze brief beantwoord ik dit verzoek, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Met de Minister van SZW ondersteun ik het project «Dialoog als burgerschapsinstrument» waarin Diversion samen met verschillende lerarenopleidingen en het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling SLO een methodiek ontwikkelt en in de praktijk brengt om leraren in opleiding voor te bereiden op het moeilijke gesprek over burgerschapsthema’s en reflectie op de rol van de docent. De verkenning van Diversion onder docenten, lerarenopleiders en studenten over gevoelige burgerschapsthema’s in het primair en voortgezet onderwijs ligt ten grondslag aan deze methodiek.

Beleidsreactie

Onderwijs gaat niet alleen over kennisoverdracht. Persoonlijke vorming en brede ontwikkeling zijn belangrijke taken voor het onderwijs. Burgerschapsvorming behoort tot de vaste opdracht van het onderwijs. Het onderwijs bereidt jonge mensen voor op wat het betekent om te leven in een open, vrije en betrokken samenleving. Daarbij zijn de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat leidend. Het advies van het Platform Onderwijs2032 om burgerschap een prominentere positie in het curriculum van het primair en voortgezet onderwijs te geven, onderstreept het belang van deze opdracht.1 Docenten kunnen alleen aan deze opdracht voldoen in een veilig schoolklimaat waar alle leerlingen gelijke kansen krijgen.

Dat burgerschapsthema’s tot heftige gesprekken in de klas kunnen leiden is bekend en bleek ook in de publicatie Twee werelden, twee werkelijkheden van Margalith Kleijwegt die ik uw Kamer heb gestuurd.2 Deze publicatie en de verkenning van Diversion laten zien hoe maatschappelijke spanningen en sociale scheidslijnen in de samenleving onvermijdelijk de klas in komen. Docenten, leerlingen en studenten worden geconfronteerd met extreme uitlatingen van medeleerlingen over verschillende burgerschapskwesties, zoals vluchtelingen, homohaat, antisemitisme, radicalisering en racisme. De verkenning legt opnieuw het belang van burgerschapsvorming in het onderwijs, het voeren van een open dialoog over maatschappelijke thema’s en de rol van leraren en lerarenopleidingen daarin bloot. In dit kader is burgerschapsonderwijs ook opgenomen als een van de thema’s in het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie.3

De verkenning laat ook opnieuw zien dat dit geen gemakkelijke opdracht is voor docenten. Op verzoek van de Staatssecretaris van OCW heeft ITS vorig jaar onderzoek gedaan naar de ervaringen van docenten in het primair en voortgezet onderwijs bij het voeren van gesprekken over maatschappelijke thema’s in de klas.4 ITS concludeerde dat de meeste docenten hier geen problemen bij ervaren en tevreden zijn met hun eigen vaardigheden op dit gebied. Toch geeft ook een deel van de docenten aan het moeilijk te vinden bepaalde thema’s te behandelen en zichzelf niet goed toegerust te voelen op het voeren van deze gesprekken.

Het is belangrijk dat docenten er niet alleen voor staan bij het burgerschapsonderwijs en het voeren van het moeilijke gesprek, dat ze zich gesteund weten door de schoolleiding en weten waar ze ondersteuning kunnen vinden. Een schoolbrede visie op burgerschap is hierbij van groot belang, zodat duidelijk is waar de school voor staat. Om schoolleiders en docenten hierbij te ondersteunen is er via de SLO een ondersteuningsaanbod beschikbaar voor scholen om hun burgerschapsvisie vorm te geven en structureel uit te werken in het onderwijsaanbod. Burgerschapsonderwijs is daarbij breder dan staatsinrichting maar gaat ook over gedeelde waarden, reflectie op eigen handelen en om leren gaan met maatschappelijke spanningen. Daarom komt burgerschapsonderwijs ook op verschillende momenten en in verschillende vakken terug. Naar aanleiding van het ITS onderzoek is het bestaande ondersteuningsaanbod voor zittende docenten in het primair en voortgezet onderwijs uitgebreid met trainingen en een helpdesk.5 Ook in het mbo wordt ingezet op ondersteuning van burgerschapsonderwijs in de onderwijspraktijk met verschillende methoden en instrumenten en met de verdere ontwikkeling van het netwerk burgerschap. Momenteel wordt nader bezien waar de behoefte van docenten in het mbo voor verdere ondersteuning ligt en hoe deze het beste ingevuld kan worden. Voor de cohorten vanaf 2016 geldt dat er expliciet aandacht moet zijn voor kritische denkvaardigheden en mensenrechten. Door deze verplichting worden docenten beter in de positie gebracht om kritische denkvaardigheden en kennis omtrent mensenrechten bij studenten te ontwikkelen.

Het onderzoek van ITS heeft laten zien dat met name jonge en/of minder ervaren docenten minder tevreden zijn over hun eigen vaardigheden om het moeilijke gesprek aan te gaan. Dit verbaast mij niet. Het ligt in de lijn der verwachting dat ervaring een docent kan helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken en dat docenten zich hier gedurende hun loopbaan zekerder over gaan voelen. Dit laat onverlet dat de lerarenopleidingen een taak hebben bij het voorbereiden van hun studenten op het geven van goed burgerschapsonderwijs en het voeren van moeilijke gesprekken in deze context.

Docenten spelen een essentiële rol in de persoonlijke ontwikkeling en burgerschapsvorming van hun leerlingen. Daarvoor is kennis nodig maar, aansluitend bij mijn brede oproep in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs «De waarde(n) van weten»6, moeten de lerarenopleidingen ook blijven zoeken naar de balans met non-cognitieve vaardigheden. In de intake die lerarenopleidingen in het kader van de studiekeuzecheck organiseren is daarom ook vaak aandacht voor de niet-cognitieve vaardigheden die een student geschikt maken voor de opleiding. Een opleiding in het hoger onderwijs moet altijd bijdragen aan de persoonlijke vorming van studenten en dit is voor de lerarenopleidingen van extra betekenis. In de opleiding van toekomstige docenten is aandacht voor persoonsvorming en socialisatie in de vorm van bildung van groot belang. Om de burgerschapsvorming van leerlingen te kunnen begeleiden moet je als leraar-in-opleiding ontdekken met welke bril je zelf naar de werkelijkheid kijkt en moet je je een kritische en reflexieve houding eigen maken. Hiermee ontwikkelen de docenten van morgen zich tot leraren die kunnen varen op hun morele kompas, die om kunnen gaan met de diversiteit die onze samenleving kenmerkt en stevig in hun schoenen staan als professional. Ik voer hierover regelmatig het gesprek met lerarenopleidingen. Zo was bildung een belangrijk thema tijdens mijn rondgang medio 2015 en heb ik gezien hoe lerarenopleidingen inzetten op de bildung van hun studenten. Verder hecht ik aan een aanpak waarbij voorlopers van lerarenopleidingen goede voorbeelden van bildung delen en verder brengen. Dat de aandacht voor het thema blijvend is, blijkt onder andere uit de conferentie over het voorbereiden van studenten op omgaan met extreme uitlatingen die de voorlopersgroep bildung in juli organiseert.

Ook de training van de vaardigheden om het moeilijke gesprek over burgerschapsthema’s te voeren, heeft de aandacht van de lerarenopleidingen zoals bijvoorbeeld blijkt uit de Community of Practice die tijdens het seminar Kansen voor Inclusief Hoger Onderwijs op 25 mei jl. werd georganiseerd.

Op basis van de verkenning en de ervaringen van tweedegraads lerarenopleidingen, een pabo en een universitaire lerarenopleidingen is de methodiek «Dialoog als burgerschapsinstrument» ontwikkeld. De methodiek bevat oefeningen die binnen de lerarenopleiding inzetbaar zijn en casuïstiek zodat studenten kunnen oefenen met deze vaardigheid. De methodiek legt de nadruk op de docent als procesbegeleider met als belangrijke elementen het inzetten van het persoonlijke verhaal en het aangaan van een positieve confrontatie. In de verkenning worden drie thema’s aangesneden, te weten: de ervaren kloof tussen leerlingen en leerkrachten, het krijgen en houden van regie in de klas en tijd voor en organisatie van burgerschapsonderwijs. De methodiek biedt aankomende docenten een goede basis voor de eerste twee thema’s, maar ook met het derde thema zullen zij beter om kunnen gaan dankzij de aandacht voor burgerschapsonderwijs in hun opleiding.

De methodiek wordt dit collegejaar, onder begeleiding van het SLO, bij de deelnemende opleidingen getest. Vervolgens is het van belang de resultaten van het project te delen zodat andere lerarenopleidingen van de opgedane ervaring kunnen profiteren. Deze kennisdeling zal ik ondersteunen, maar ik hecht er aan dat de lerarenopleidingen dit ook zelf organiseren. De nieuw op te richten voorlopersgroep op het gebied van burgerschapsvorming en diversiteit in de lerarenopleidingen vormt hiervoor wellicht een geschikt instrument. Naar aanleiding van de Community of Practice heeft een aantal lerarenopleidingen interesse getoond in deze voorlopersgroep. Ik waardeer het zeer als de lerarenopleidingen die aan het project hebben deelgenomen hier hun ervaringen met andere opleidingen willen delen. De startbijeenkomst van deze voorlopersgroep zal naar verwachting na de zomer plaatsvinden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 278.

X Noot
2

Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 129.

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstuk 30 950, nr. 84.

X Noot
4

Bijlage bij kamerstuk 27 923, nr. 208.

X Noot
5

Kamerstuk 27 923, nr. 208.

X Noot
6

Bijlage bij Kamerstuk 31 288, nr. 481.