Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-VIII nr. 149

34 300 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2016

Nr. 149 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 mei 2016

Met deze brief stuur ik u, mede namens de Minister van Economische Zaken, de reactie op de evaluatie van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) over de periode 2010–2014. De evaluatie is in 2015 in opdracht van de AWTI uitgevoerd door een externe commissie onder leiding van de heer ir. J.F. de Leeuw. De AWTI heeft het eindrapport van de commissie met daarbij een eigen reactie op 7 oktober 2015 naar de Eerste en de Tweede Kamer gezonden.

In haar evaluatie heeft de commissie een aantal categorieën onderscheiden, die ik ook in deze reactie zal volgen.

Werkwijze en adviezen

Met de commissie ben ik van mening dat de AWTI een waardevolle adviseur is van het kabinet en dat de – geïntensiveerde – interacties met de ministeries van OCW en EZ eveneens waardevol zijn. Ook deel ik met de commissie dat de kwaliteit van de adviezen in het algemeen goed is.

Ik volg de commissie in haar opvatting dat de adviezen van de AWTI – zeker rond de start van een nieuw kabinet – meer agenderend zouden kunnen zijn, met meer aandacht voor fundamentele vraagstukken, een bredere strategische focus, meer doorsnijdende thema’s en aandacht voor het bredere sociaaleconomische beleid en dat de AWTI daartoe ook oog heeft voor andere departementen dan OCW en EZ. Bij het opstellen van het AWTI-werkprogramma 2016 – 2018(Kamerstuk 34 300 VIII, nr. 6) is hiermee inmiddels rekening gehouden. Ik voeg daar aan toe dat de departementen, met name OCW en EZ, ook een verantwoordelijkheid hebben om strategische adviesvragen te formuleren.

Met betrekking tot de oproep van de commissie aan de AWTI om controversiëler te zijn en adviezen uit te brengen die prikkelender zijn, merk ik op dat ik hier een goede balans van belang acht. Adviezen «te ver van het bed van de departementen» zullen weinig impact hebben. Er zal ook behoefte blijven bestaan aan beleidsadvies dat gericht is op het bereiken van gestelde doelen. Het gaat dus om een goede mix van «prikkelen» en doelgerichte adviezen. In dat licht volg ik niet het pleidooi van de commissie voor meer distantie bij het vaststellen van het werkprogramma. Nauwe interactie over de adviesonderwerpen vind ik juist van belang om die goede mix te realiseren. Ik stel het dan ook op prijs dat de AWTI doorgaans een balans zoekt tussen strategische lange termijn inzichten en advisering over wat nu of in de nabije toekomst om richtinggevende oplossingen vraagt. Dit laat onverlet dat de AWTI als adviesorgaan vanzelfsprekend geheel onafhankelijk van de overheid tot de inhoud van zijn advisering komt.

De AWTI volgt bij het opstellen van adviezen een open proces. Met de commissie acht ik die transparante manier van werken zeer waardevol omdat het zowel goede input oplevert als draagvlak creëert en zo de effectiviteit en impact van de advisering sterk bevordert. Het advies als zodanig is dan een onderdeel van een beïnvloedingsproces met workshops, interviews etcetera en niet een stuk papier dat uit de lucht komt vallen. Waar ruimte is voor verdere verbetering van deze werkwijze, bijvoorbeeld door het betrekken van start-ups en jonge innovatieve bedrijven, vernieuwers en vrijdenkers, vraag ik de AWTI dat te doen. In dit licht ben ik het ook met de commissie eens dat het interessant kan zijn te gaan experimenteren met andere vormen van advisering dan een geschreven rapport. In eerste instantie denk ik daarbij aan experimenten die het geschreven advies ondersteunen, maar vooralsnog niet vervangen. Daar waar de «praktische» tips van de commissie – het houden van een startbijeenkomst en het werken met coreferenten – de advisering kunnen versterken, vraag ik de AWTI te overwegen die in zijn werkwijze op te nemen.

Ik onderschrijf de opvatting van de commissie dat briefadviezen een goede aanvulling kunnen zijn op de strategische adviezen. Zo kunnen langere termijn adviezen worden «vertaald» in actueel advies voor de korte termijn. Over de aanbeveling om te stoppen met landenstudies verschil ik van mening met de commissie. Strategisch gekozen landenstudies kunnen bijdragen aan het bepalen van het nationale beleid in een internationale context. Zo heb ik de studies over het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Brazilië zeer waardevol gevonden. Begrip van wat er in andere landen gebeurt, helpt zowel bij het versterken van de eigen positie als bij het aangaan van samenwerkingsverbanden.

In lijn met de visie van de commissie vraag ik de AWTI om daar waar mogelijk de adviezen – vooral ook in samenwerking met organisaties als het Centraal Planbureau (CPB), het Rathenau Instituut of de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) – feitelijk te onderbouwen. Die analyses hebben op zich al veel waarde, los van het advies, en tillen de advisering uit boven het formuleren van een goed beargumenteerde opvatting. De impact van de adviezen zal daardoor worden vergroot. Dit sluit ook aan bij de in de Wetenschapsvisie 2025 geformuleerde behoefte aan een beter inzicht in het functioneren van het wetenschapsbestel en in verband hiermee het beter benutten van ons kennis- en adviesstelsel. Het pleidooi van de commissie om in adviezen duidelijke handelingsperspectieven op te nemen en scherper en concreter te benoemen welke partijen een rol spelen en wat die rol inhoudt spreekt mij bijzonder aan, zeker ook omdat dit behulpzaam is bij het formuleren van beleid.

De commissie constateert dat de impact van de adviezen wisselend is. De impact kan worden vergroot door het formuleren van duidelijke handelingsperspectieven in het advies zelf, wat hierboven aan de orde kwam, maar in voorkomende gevallen ook door het actief aanspreken van de relevante stakeholders na het adviestraject. Ik deel deze visie van de commissie. Goede communicatie over de adviezen is van belang, met het oog op het «landen» van het advies. De investeringen die de AWTI in dit verband doet in het opbouwen van een breed netwerk, waarbij goed gebruik wordt gemaakt van sociale media, en de prioriteit die de AWTI hierbij geeft aan interactiviteit (bijvoorbeeld via de website) worden door mij toegejuicht. Dit geldt evenzeer voor de contacten die de Raad onderhoudt met de beide Kamers der Staten-Generaal en met departementen.

De positionering van de AWTI

Met de commissie ben ik van mening dat de AWTI een unieke positie heeft in het advieslandschap, als enige adviesorgaan voor het brede gebied van wetenschap, technologie en innovatie. De raad kan, zoals de commissie aangeeft, zijn positie nog verder versterken door nog nadrukkelijker aandacht te schenken aan technologie en innovatie. De raad heeft innovatie recent als opdracht erbij gekregen en de commissie denkt dat juist op het terrein van technologie en innovatie een adviesraad van grote toegevoegde waarde is.

Met onder meer het uitbrengen van het ICT-advies «Klaar voor de toekomst», de balans van het topsectorenbeleid en het symposium «Innoveren werkt» heeft de AWTI laten zien de «T» en de «I» de nodige aandacht te geven. Inmiddels krijgen technologie en innovatie ruim de aandacht in het AWTI-werkprogramma 2016–2018.

Ik constateer dat de AWTI in toenemende mate samenwerkt met andere adviesorganen en organisaties als het Rathenau Instituut. Ik waardeer dat zeer omdat het de efficiëntie verhoogt, bijvoorbeeld bij de onderbouwing van adviezen met feitenmateriaal en omdat het de effectiviteit van de advisering met betrekking tot inhoud en draagvlak ten goede komt. Tegelijkertijd zie ik, in lijn met de commissie, ruimte voor verdere stappen. De afstemming met de werkprogramma’s van KNAW, Rathenau Instituut en CPB kan verder worden versterkt, waar ook de departementen een rol in kunnen spelen. Daarnaast kan de AWTI ook profiteren van intensievere samenwerking met organisaties als de Raad voor Cultuur, The Netherlands Academy of Technology and Innovation en de Stichting Toekomstbeeld der Techniek, ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid. Ook het ijken van AWTI-programmering met werkplannen van brede en internationale adviesorganen als de WRR en OESO acht ik nuttig. Het gezamenlijk oppakken van onderwerpen, gebruik maken van elkaars expertise, detachering van medewerkers – suggesties die de commissie op dit gebied doet – kunnen ook allemaal bijdragen aan hechte samenwerking tussen de raden en organisaties. Een proeve van deze afstemming en samenwerking is de tweejaarlijkse Balans van de wetenschap, aangekondigd in de Wetenschapsvisie 2025. De eerste Balans zal later in 2016 verschijnen en is een gezamenlijk rapport van de AWTI, KNAW en het Rathenau Instituut.

In de Wetenschapsvisie 2025 is aangekondigd dat er in 2018 een evaluatie zal plaatsvinden van het adviesstelsel. Vanzelfsprekend zal de positionering van de AWTI en de samenwerking met andere organisatie daarbij aan de orde komen.

De raad en de organisatie

De evaluatiecommissie vindt de samenstelling van de raad goed en evenwichtig. Dat is goed om te constateren. De interactieve werkwijze tussen AWTI en de beide betrokken ministeries bij het vinden en benoemen van leden zal hier zeker aan bijdragen. De suggestie van de commissie om het lidmaatschap van een persoon uit de wereld van de hogescholen en van een jonge innovator te overwegen zal ik betrekken bij toekomstige benoemingen.

De commissie ziet het als een «unique selling point» dat de raadsleden veel praktijkervaring hebben en wijst er tegelijk op dat raadsleden zonder last of ruggenspraak behoren te functioneren. Hiermee ben ik het uiteraard eens en ik onderstreep dat de voorzitter daarbij een belangrijke rol heeft om dat te bewaken. Ik constateer dat de commissie overigens geen signaal afgeeft dat de onafhankelijkheid in het geding zou zijn.

De commissie is van mening dat er ruimte is voor verbetering van de processen in de organisatie bijvoorbeeld op het gebied van projectmanagement en projectevaluaties. Het is aan de AWTI om daar invulling aan te geven.

Het pleidooi van de commissie voor extra middelen voor uitbreiding van de staf volg ik niet. Ik realiseer me dat we met het bovenstaande veel vragen van de raadsleden en de staf van de AWTI. Maar we zijn met de Wetenschapsvisie 2025 een koers ingeslagen van minder adviezen met meer impact. Het is dan ook niet zozeer een kwestie van meer geld, maar een kwestie van slim met andere adviesorganen en organisaties en stakeholders komen tot effectieve advisering en in overleg met de departementen te komen tot een goede prioritering. Voorts ben ik van mening dat de AWTI voldoende mogelijkheden heeft om hoogwaardige mensen aan zich te binden en om externe kennis te benutten voor de advisering. Zo kan de AWTI externe experts gebruiken bij het opstellen van specifieke adviezen.

Mede namens de Minister van Economische Zaken,

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker