Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-VIII nr. 112

34 300 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2016

Nr. 112 MOTIE VAN DE LEDEN VAN VEEN EN MONASCH

Voorgesteld 3 december 2015

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap via de septembercirculaire 2015 schreef dat zij de verantwoording en matching van de decentralisatie-uitkering beeldende kunst en vorming voor de G36 wilde laten vervallen;

van mening dat de middelen ten goede moeten komen aan de cultuursector, waarbij matching van cultuurgelden, betere regionale spreiding en een andere besteding voor onder andere festivals, startende kunstenaars en de bescherming van de vrijheid van expressie meer centraal komen te staan;

overwegende dat gemeenten op dit moment begrotingen, afspraken en juridische verplichtingen zijn overeengekomen voor het jaar 2016;

verzoekt de regering om, de decentralisatie-uitkering voor de periode 2017–2020 over te hevelen naar de cultuurbegroting en deze middelen als volgt jaarlijks voor de volgende doeleinden in te zetten:

  • a. 1 miljoen euro reserveren om de vrijheid van meningsuiting en expressie te waarborgen en zelfcensuur te voorkomen door debatcentra, tentoonstellingsruimtes en andere culturele instellingen via een regeling tegemoet te komen indien er sprake is van toegenomen beveiligings- en exploitatiekosten;

  • b. 1 miljoen euro voor het Fonds Podiumkunsten dan wel via regelgeving om nieuwe initiatieven te stimuleren met als uitgangspunt deze uiteindelijk op eigen benen te laten staan;

  • c. 0,5 miljoen euro voor een borgstellingsfonds ten behoeve van festivals die niet via de BIS worden ondersteund en door niet te beïnvloeden factoren, zoals het weer, in hun continuïteit worden bedreigd;

  • d. 2 miljoen euro ter beschikking stellen voor het Fonds Podiumkunsten voor de ondersteuning van festivals, waarbij oog is voor het aantrekken van nieuw publiek en een goede geografische spreiding;

  • e. 0,5 miljoen euro voor een op te richten premiefonds, naast de indemniteitsregeling, die verzekeringspremies van alle musea, ook particuliere, kan vergoeden;

  • f. 0,5 miljoen euro voor de versterking van BIS-instellingen die aanspraak maken op de gelden voor de functie overig opera-aanbod;

  • g. 0,5 miljoen euro voor de versterking van activiteiten van postacademische instellingen die onder de BIS vallen;

  • h. 0,5 miljoen euro voor het stimuleren van internationale optredens van de topgezelschappen zoals de symfonieorkesten, die, op basis van art. 3.10, lid 2, en 3.19, lid 2, uit de BIS regeling, aangewezen worden;

  • i. 7 miljoen ter beschikking stellen ten behoeve van de beeldende kunst en vormgeving, mits een-op-een matching plaatsvindt, te besteden via een bestaand cultuurfonds waarbij de G36 exclusief aanspraak maakt op 5,5 miljoen euro van de middelen en een bedrag van 1,5 miljoen euro waar alle gemeenten een verzoek voor mogen indienen bij het cultuurfonds,

en gaat over tot de orde van de dag.

Van Veen

Monasch