Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-VII nr. 63

34 300 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2016

Nr. 63 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2016

In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 17 maart 2016 is gesproken over kledingvoorschriften voor medewerkers in een publieke functie. De commissie heeft mij bij brief van 18 maart 2016 verzocht om een reactie te geven over hoe (semi)overheden in het algemeen omgaan met kledingvoorschriften voor medewerkers in een publieke functie. Hierbij doe ik u mijn reactie toekomen.

In de publieke sector mag een werkgever binnen bepaalde grenzen van de medewerker vragen dat deze gepast gekleed gaat.

Dit is niet anders dan in de (semi-)private sector.

In de praktijk worden voor bepaalde representatieve functies soms andere eisen gesteld dan voor andere functies. Er is een uitgebreide jurisprudentie in de loop van decennia ontstaan over de vraag wat wel/niet redelijke eisen zijn. Daar wil ik naar verwijzen.

Ten slotte; dit is in eerste instantie een zaak van werkgevers en werknemers waarover in geval van conflict een rechter kan oordelen.

De Minister van BZK heeft hier geen verantwoordelijkheid.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk