Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 mei 2016
Hierbij bied ik u het Toezichtverslag 2016 aan1. Dit verslag geeft een overzicht van de bevindingen van het door mij uitgeoefende
financiële toezicht op de begrotingen 2016 en de rekeningen 2014 van de provincies
en de gemeenschappelijke regelingen waaraan provincies deelnemen.
Tevens zend ik u ter kennisneming het door de gezamenlijke provincies opgestelde verslag
over het door de provincies uitgevoerde financieel toezicht op de gemeenten2.
Bevindingen financieel toezicht op provincies
Voor geen van de provincies is er aanleiding om voor het jaar 2016 op basis van de
financiële positie of anderszins over te gaan tot het instellen van preventief toezicht.
De financiële positie van provincies blijft solide. Weliswaar nemen de gevormde reserves
in de periode 2016–2019 met € 1,3 miljard af (een daling van 9%), maar alle provinciale
begrotingen zijn structureel en reëel in evenwicht doordat de reserves in overwegende
mate worden ingezet ter dekking van incidentele lasten. De daling van de reserves
gaat ook niet ten koste van de benodigde weerstandscapaciteit (die ingezet kan worden
voor het opvangen van financiële risico’s). Alle provincies hebben nog onbenutte belastingcapaciteit
(ze heffen minder dan het maximaal te heffen aantal opcenten motorrijtuigenbelasting).
Dit beeld blijkt ook uit de verplichte financiële kengetallen die provincies hebben
opgenomen in hun begroting (zie bijlage)3. De provincies Zuid-Holland en Zeeland hebben in tegenstelling tot de andere provincies
schulden en daardoor ook een lagere solvabiliteit. Verder hebben Zuid-Holland en Drenthe
het hoogste opcententarief motorrijtuigenbelasting (12% boven het landelijk gemiddelde).
Bevindingen financieel toezicht op gemeenten
Bij brief van 14 januari 2016 (Kamerstukken 34 300 B, nr. 16) bent u reeds geïnformeerd over het feit dat er in 2016 twee artikel 12-gemeenten
zijn (Ten Boer en Vlissingen) en tien gemeenten onder zogenaamd preventief financieel
toezicht zijn geplaatst, vanwege een niet structureel sluitende begroting. In 2015
betrof dit zestien gemeenten.
Het verslag van de provinciaal toezichthouders bevestigt het beeld dat de financiële
positie van gemeenten in algemene zin niet verder is verslechterd. Ook gemeenten hebben
in hun begrotingen 2016 voor de eerste keer de verplichte vijf financiële kengetallen
opgenomen. Hoewel nog niet alle gemeenten deze kengetallen op een juiste manier in
hun begroting hebben verwerkt kan ook op basis hiervan worden gesteld dat de financiële
positie van gemeenten niet achteruit gaat (zie bijlage)4. Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat veel van de gemeenten
ook bij de begroting 2016 het uitgangspunt hebben gehanteerd dat de lasten van de
decentralisaties gelijk zijn aan de baten. Over een aantal jaren zal een completer
beeld van de financiën geschetst kunnen worden.
In de overall rapportage sociaal domein die u rond de verantwoordingsdag op 18 mei
toegezonden krijgt, ga ik nader in op de financiële positie van gemeenten in relatie
tot het gedecentraliseerde sociale domein. Het verslag van de provinciale toezichthouders
is een van de bronnen die hiervoor wordt gebruikt.
Onderhoud kapitaalgoederen
Omdat financiële krapte kan leiden tot veronachtzaming van het onderhoud aan kapitaalgoederen
(wegen, bruggen/viaducten, openbaar groen en gebouwen) hebben BZK en de provinciaal
toezichthouders een vervolg gegeven aan het onderzoek naar het onderhoud van de kapitaalgoederen.
Voor de gemeenten komt hieruit naar voren dat 1 op de 10 gemeenten het budget voor
onderhoud heeft verlaagd waardoor dit niet langer toereikend is voor het onderhoudsniveau
dat deze gemeenten zelf hebben opgenomen in hun onderhouds- en beheerplannen. Verder
hebben niet alle gemeenten middelen gereserveerd om het geconstateerde achterstallig
onderhoud weg te werken. De gemeenten waarbij dit het geval is, zullen door de provinciale
toezichthouder scherp in het oog worden gehouden. Voor alle gemeenten geldt dat het
onderhoud van kapitaalgoederen een onderzoeksthema blijft bij de beoordeling van de
begroting 2017.
Ook in het toezicht van BZK op de provinciale begrotingen 2017 zal aan dit onderwerp
nog extra aandacht worden besteed.
Ik vertrouw hiermee uw Kamer voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk