Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634291 nr. 9

34 291 Voorstel van wet van het lid Van Vliet tot wijziging van Boek 6 en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een verbod op het vragen van een toeslag voor het gebruik van betaalmiddelen bij consumenten (Wet verbod toeslag gebruik betaalmiddelen bij consumenten)

Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 8 juni 2016

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

In artikel I, onderdeel B, komt artikel 230k, lid 1, te luiden:

1. De vergoeding die de handelaar aan de consument vraagt voor het gebruik van een bepaald betaalmiddel bedraagt ten hoogste de kosten van het gebruik daarvan voor de handelaar, met dien verstande dat de handelaar geen vergoeding vraagt aan de consument voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van de Verordening (EU) 2015/751 vallen.

II

In artikel II wordt «De betaalverlener» vervangen door: De betaaldienstverlener.

Toelichting

Aanvankelijk realiseerde het onderliggende wetsvoorstel een totaal verbod op surcharging bij consumenten. Surcharging werd niet enkel verboden voor betalingen waarbij de interbancaire vergoedingen zijn geregeld in de Verordening afwikkelingsvergoedingen (vierpartijentransacties), zoals uit Richtlijn PSD2 voortvloeit, maar ook voor driepartijentransacties (waarbij de bank en de kaartuitgever één zijn). Deze nota van wijziging brengt op dit verbod een beperking aan: het verbod komt alleen te gelden voor betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van de Verordening (EU) 2015/751 vallen.

Zodoende komt het verbod alleen te gelden ten aanzien van «vierpartijentransacties» en niet langer ten aanzien van «driepartijentransacties» (welke niet onder hoofdstuk II van Verordening (EU) 2015/751 vallen). Het voorstel sluit op deze wijze naadloos aan op artikel 62, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366,1 dat in 2018 sowieso in Nederlandse wetgeving moet zijn geïmplementeerd.

In onderdeel II van deze nota van wijziging wordt een taaltechnische omissie hersteld.

Van Vliet


X Noot
1

Artikel 62, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2366 luidt: (4.) De lidstaten zorgen er in ieder geval voor dat de begunstigde geen vergoeding vraagt voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van Verordening (EU) 2015/751 vallen, noch voor betalingsdiensten waarop Verordening (EU) nr. 260/2012 van toepassing is.