Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
I
In het opschrift vervalt «Boek 6 en » en: bij consumenten.
II
In de beweegreden vervalt: bij consumenten.
III
Artikel I vervalt.
IV
Artikel II komt te luiden:
Artikel II
Aan artikel 520 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Geen vergoeding wordt door de begunstigde gevraagd voor het gebruik van betaalinstrumenten
waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 2015/571
vallen, noch voor betaaldiensten waarop Verordening (EU) nr. 260/2012 van toepassing
is.
V
Artikel III komt te luiden:
Artikel III
In de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek wordt na artikel 211a een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
Artikel 211b
Artikel 520, lid 4, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de Wet verbod
toeslag gebruik betaalmiddelen (Stb. ..., ...) is tot een jaar na het in werking treden
van de wet niet van toepassing op overeenkomsten die voor het tijdstip van het in
werking treden van deze wet zijn gesloten.
VI
In artikel IV vervalt: bij consumenten.
Toelichting
Bijgaande nota van wijziging brengt enkele wijzigingen in het initiatiefvoorstel aan,
met als doel om artikel 62 lid 4 van richtlijn (EU) nr. 2015/23661 (hierna: richtlijn PSD2) om te zetten in Nederlandse wetgeving. Met de eerste nota
van wijziging werd geregeld dat het verbod op het vragen van toeslagen niet zou gelden
ten aanzien van betalingen gebaseerd op de zogeheten «driepartijentransacties». De
bedoeling hiervan was om niet verder te gaan dan de bepaling in richtlijn PSD2. Onbedoeld
neveneffect van deze wijziging was echter dat het verbod zich niet meer zou uitstrekken
tot betaaldiensten waarop Verordening (EU) nr. 260/20122 van toepassing is (namelijk overschrijvingen en automatische incasso in euro’s binnen
de EER. Door met deze tweede nota van wijziging naadloos op de tekst van artikel 62
lid 4 van richtlijn PSD2 aan te sluiten, wordt deze omissie hersteld. De initiatiefnemer
wenst uitdrukkelijk dat het verbod exact aansluit op richtlijn PSD2. De initiatiefnemer
wil niet verder gaan dan deze richtlijn, maar ook niet minder ver; dit laatste natuurlijk
ter bescherming van de consument.
Artikel 62 lid 4 van richtlijn PSD2 schrijft voor dat lidstaten ervoor zorgen dat
de begunstigde geen vergoeding vraagt voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvan
de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 2015/7513 vallen, noch voor betalingsdiensten waarop Verordening (EU) nr. 260/2012 van toepassing
is. Het gaat hier om transacties gebaseerd op zgn. «vierpartijenbetaalkaartschema’s»,
waaronder de in de praktijk in Nederland meest gebruikte betaalkaarten vallen. Betaalkaarten
die zijn gebaseerd op een «driepartijenbetaalkaartschema», zoals bepaalde kredietkaarten,
vallen hier niet onder. Voorts mogen geen kosten worden gerekend voor betaaldiensten
die onder Verordening (EU) nr. 260/2012 vallen. Deze wijziging (onderdeel IV) wordt
verwerkt in artikel II van het wetsvoorstel.
Artikel 520 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt welke kosten mogen worden
gerekend voor het gebruik van een betaalinstrument alsmede voor de kosten die voor
betaaldiensten mogen worden gerekend. Daarom is dit de meest passende plaats om artikel
62 lid 4 van de richtlijn om te zetten. Om deze reden kunnen de wijzigingen in Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek vervallen (onderdeel III). De aangebrachte wijzigingen
ten opzichte van de richtlijn zijn taalkundig. De overige onderdelen van deze nota
van wijziging wijzigen het opschrift, de beweegreden en de citeertitel van het wetsvoorstel,
zodat deze in overeenstemming zijn met de wijzigingen die in het initiatiefwetsvoorstel
zijn aangebracht. Wat betreft de wijziging van het overgangsrecht in artikel III (onderdeel
V) geldt dat nog steeds geldt dat voor reeds lopende overeenkomsten een overgangsperiode
van een jaar geldt. Voor transacties op een andere rechtsgrond dan overeenkomst geldt
onmiddellijke werking.
Van Vliet