Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734268 nr. 6

34 268 Wijziging van de Wet op de Raad voor het openbaar bestuur en intrekking van de Wet op de Raad voor de financiële verhoudingen in verband met de herinrichting van de adviesfunctie inzake de financiële verhoudingen

Nr. 6 AMENDEMENT VAN HET LID DE CALUWÉ

Ontvangen 17 januari 2017

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder de aanduiding «ARTIKEL I» wordt ingevoegd: De Wet op de Raad voor het openbaar bestuur wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, wordt vóór de punt toegevoegd: en de financiële verhoudingen.

B

Aan artikel 1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Onverminderd artikel 12 van de Kaderwet adviescolleges dient ten minste twee derde van de leden in ieder geval specifieke deskundigheid ten behoeve van de advisering, bedoeld in artikel 2, onder b, te hebben.

C.

2. In onderdeel C (nieuw) vervalt: van de Wet op de Raad voor het openbaar bestuur.

3. In onderdeel C (nieuw) wordt in artikel 2 na «openbaar bestuur» ingevoegd: en de financiële verhoudingen.

4. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

D

Aan artikel 5 wordt vóór de punt toegevoegd: en de financiële verhoudingen.

Toelichting

Dit amendement verandert de naam van de Raad voor het openbaar bestuur in: «Raad voor het openbaar bestuur en de financiële verhoudingen». De reden is dat de Raad niet alleen adviseert over bestuurlijke aangelegenheden (inrichting en het functioneren van de overheid), maar ook over de beleidsmatige aspecten van de financiële verhoudingen, in het bijzonder die van het Rijk met de gemeenten en de provincies, in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen. De beleidsmatige aspecten van de financiële verhoudingen zijn dermate belangrijk dat dit onderdeel van de advisering in de naam van de Raad moet terugkomen.

Dit amendement regelt voorts dat twee derde van de leden van de Raad bestaat uit personen die deskundigheid hebben op het terrein van de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de gemeenten c.q. de provincies (dus ten aanzien van de adviestaak bedoeld in het voorgestelde artikel 2, onderdeel b). De artikelen 10 en 12 van de Kaderwet adviescolleges gaan over de leden van adviescolleges en de vereiste deskundigheid. Maar de indiener wil nu dus in de nieuwe Wet op de Raad voor het openbaar bestuur en de financiële verhoudingen expliciet benoemd hebben dat twee derde van de leden een specifieke deskundigheid hebben. De indiener wil namelijk de financiële expertise in de Raad versterken. Die nieuwe samenstelling (twee derde) moet het geval zijn bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

De Caluwé