Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634251 nr. 94

34 251 Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen

Nr. 94 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juni 2016

Bij de behandeling van het wetsvoorstel versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen (Kamerstuk 34 251) is de motie Kamerstuk 34 251, nr. 60 van het Tweede Kamerlid Bruins op 3 februari 2016 met algemene stemmen aangenomen. Met deze brief wordt antwoord gegeven op het in de motie gedane verzoek.

De motie van het lid Bruins verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier klokkenluiders, bij de Inspectie van het Onderwijs of elders, tegen benadeling kunnen worden beschermd.

In de motie wordt verwezen naar de klokkenluidersregeling voor rijksambtenaren en de politie waar klokkenluiders tegen benadeling worden beschermd.

Huidige situatie

In de verschillende onderwijssectoren bestaat reeds een (voorbeeld) klokkenluidersregeling die de verschillende onderwijsinstellingen zelf (als basis) kunnen gebruiken. In deze regelingen wordt ook aandacht besteed aan de benadeling/rechtsbescherming van de klokkenluider.

Wet Huis voor klokkenluiders

Inmiddels is door de Eerste Kamer de Wet Huis voor klokkenluiders aangenomen welke, naar verwachting, op 1 juli 2016 in werking zal treden. Vanaf dat moment vallen alle medewerkers onder dezelfde voorwaarden voor rechtsbescherming tegen benadeling als klokkenluider.

Deze rechtsbescherming krijgt vorm door aan boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 658c toe te voegen dat als volgt gaat luiden:

«De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer te goeder trouw en naar behoren een melding heeft gedaan bij de werkgever of het Huis voor klokkenluiders, van een vermoeden van een missstand».

Verder wordt aan artikel 670 van het Burgerlijk Wetboek een nieuw lid ingevoegd waarin wordt bepaald dat een werkgever een arbeidsovereenkomst met een werknemer niet kan opzeggen:

  • a) wegens de omstandigheid dat de werknemer te goeder trouw en naar behoren een melding heeft gedaan bij de werkgever of het Huis voor klokkenluiders, van een vermoeden van een missstand;

  • b) gedurende het onderzoek door het Huis voor klokkenluiders;

  • c) tot een jaar na het oordeel van het Huis voor klokkenluiders dat het aannemelijk is dat sprake is van een missstand.

Tegelijkertijd wordt in de Ambtenarenwet artikel 125 quinquies derde lid aangepast waarbij eveneens wordt bepaald dat de ambtenaar niet in zijn rechtspositie mag worden benadeeld in de gevallen dat hij/zij te goeder trouw en naar behoren een melding van een vermoeden van een misstand heeft gedaan volgens de procedure, bedoeld in het eerste lid van artikel 125 f, of op grond van de wet Huis voor klokkenluiders.

Dit betekent dat vanaf 1 juli 2016 voor alle werknemers dezelfde regeling geldt tegen benadeling als een misstand, volgens de daarvoor geldende procedure is gemeld.

Praktische uitvoering in het onderwijs:

De regeling ziet er in de praktijk vanaf 1 juli dan in grote lijnen als volgt uit.

Als een werknemer besluit om een melding te willen doen van een misstand kan hierover advies worden ingewonnen bij het Huis voor klokkenluiders. Bij een vermoeden van een misstand dient deze misstand als eerste binnen de organisatie, bij een leidinggevende, vertrouwenspersoon, directie of bestuur te worden gemeld. Als de werknemer van mening is dat niet of onvoldoende aandacht wordt besteed aan zijn melding kan hij besluiten een externe melding te doen bij de inspectie van het onderwijs. Als in de ogen van de werknemer de inspectie de melding niet of onvoldoende oppakt, kan de werknemer de misstand alsnog melden bij het Huis voor klokkenluiders. Dit Huis voor klokkenluiders zal pas dan de melding in behandeling nemen.

Hieronder ga ik in op de werkwijze die de Inspectie van het Onderwijs hanteert als meldingen worden ontvangen.

De inspectie ziet meldingen van klokkenluiders in de regel als urgente signalen. Deze meldingen kunnen een belangrijke rol spelen bij de risicoanalyse of kunnen aanleiding zijn direct nader onderzoek in te stellen. De inspectie betrekt meldingen van klokkenluiders in het toezicht als dat opportuun en ook mogelijk is.

De inspectie biedt klokkenluiders daarbij uiteraard bescherming.

Vaak wil de klokkenluider immers anoniem blijven. Als dat het geval is, zal de inspectie de melding in beginsel niet gebruiken in het contact met de betrokken instelling. Dit kan alleen anders zijn, als de inspectie vanwege de ernst van de melding van oordeel is dat onderzoek niet achterwege kan blijven en het onontkoombaar is om daarbij de melding te betrekken. Uiteraard neemt de inspectie hierover contact op met de klokkenluider. De inspectie spant zich in zo’n (naar verwachting uitzonderlijk) geval tot het uiterste in om herleidbaarheid van de melding naar de persoon van de klokkenluider te voorkomen.

Als een melding volgens de inspectie niet herleidbaar is tot de persoon van de klokkenluider, kan de inspectie deze in de regel wel gebruiken in het contact met de betrokken instelling. De inspectie doet dit, bijzondere gevallen uitgezonderd, enkel met toestemming van de klokkenluider.

In de komende tijd worden tussen de inspectie en het Huis voor klokkenluiders nadere afspraken gemaakt of de bestaande werkwijze van de inspectie moet worden aangepast aan de nieuwe regelgeving.

Ik ben van mening dat met de nieuwe Wet Huis voor klokkenluiders en de nadere afspraken tussen de inspectie en het Huis voor klokkenluiders de bescherming tegen benadeling van klokkenluiders in het onderwijs, voor zover nodig, verder wordt geoptimaliseerd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker