34 251 Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen

Nr. 74 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN VAN MEENEN EN JASPER VAN DIJK TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 36

Ontvangen 8 februari 2016

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel IV wordt na de aanhef een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

Na artikel 8a.1.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

8a.1.6. Instemmingsrecht hoofdlijnen jaarlijkse begroting

  • 1. Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting van een gezamenlijke vergadering van de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Het instemmingsrecht wordt niet uitgeoefend indien het een onderdeel van de begroting betreft dat inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een reglement voor de gezamenlijke vergadering vast. Artikelen 8a.3.1, tweede lid, aanhef en onderdeel f, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In het reglement wordt tevens geregeld binnen welke termijnen tot instemming of onthouding van instemming moet worden besloten.

  • 4. In het reglement wordt, indien de aantallen leden van de deelnemersraad, de ondernemingsraad, en in voorkomende gevallen, de ouderraad, niet gelijk zijn, tevens geregeld de wijze waarop voor de geledingen wordt voorzien in gelijke invloed op de besluitvorming binnen de gezamenlijke vergadering.

II

In artikel IV, onderdeel C, wordt na «eerste volzin» ingevoegd: , alsmede de instemming, bedoeld in artikel 8a.1.6.

III

In artikel IV worden na onderdeel C twee onderdelen ingevoegd, luidende:

C1

Na artikel 8a.4.5 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 8a.4.6. Geschillen instemmingsrecht hoofdlijnen begroting

Deze titel is van overeenkomstige toepassing op geschillen die voortvloeien uit artikel 8a.1.6, met dien verstande dat:

  • a. onder «deelnemersraad» wordt verstaan: de gezamenlijke vergadering;

  • b. voor zover de geschillencommissie de behandeling van het geschil niet voor 1 januari van het jaar waarop de begroting betrekking heeft, heeft afgerond, kan het bevoegd gezag totdat de geschillencommissie een besluit heeft genomen, voor het doen van uitgaven in dat jaar beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die in de overeenkomstige begrotingsonderdelen van het voorgaande jaar waren opgenomen;

  • c. Indien beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de geschillencommissie en de ondernemingskamer op 1 januari van het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, nog geen uitspraak heeft gedaan, het bevoegd gezag, totdat de ondernemingskamer uitspraak heeft gedaan of als de uitspraak van de ondernemingskamer leidt tot het opstellen van een nieuwe begroting, totdat een nieuwe begroting is vastgesteld, voor het doen van uitgaven kan beschikken over de bedragen die daarvoor zijn geraamd in de begroting waarover de ondernemingskamer oordeelt of heeft geoordeeld.

C2

Aan artikel 8a.5.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het instemmingsrecht, bedoeld in artikel 8a.1.6.

Toelichting

Dit amendement regelt het instemmingsrecht van de medezeggenschap in het middelbaar beroepsonderwijs op de hoofdlijnen van de begroting. De formulering van het amendement is overeenkomstig met de formulering van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting in het hoger onderwijs.

De indieners zijn van oordeel dat bestuurders in alle onderwijs sectoren zich meer moeten verantwoorden naar de interne stakeholders. Het gaat immers om hún onderwijs. De besteding van middelen zijn een belangrijke randvoorwaarde om goed onderwijs mogelijk te maken. De afgelopen jaren is gebleken dat een buiten proportioneel deel van de middelen besteed werd aan zake als huisvesting, in plaats van aan het onderwijs. Betrokkenheid van de interne stakeholders, deelnemers en personeelsleden, vertegenwoordigd in de medezeggenschap, is daarom essentieel.

Van Meenen Jasper van Dijk

Naar boven