Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201934245 nr. 5

34 245 Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting als massaal bezwaar

Nr. 5 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 november 2018

De vaste commissie voor Financiën heeft mij bij brief van 9 oktober 2018 verzocht te reageren op het artikel «All you need is een goede aanwijzing» over vermeende knelpunten in het besluit Aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 (Aanwijzingsbesluit).

Op 29 augustus 2018 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de procedure massaal bezwaar (Kamerstuk 34 245, nr. 4). In die brief heb ik toegelicht dat voor zover het bezwaarschrift ziet op een individuele buitensporige last dit bezwaar individueel wordt behandeld en dat deze procedure loopt naast de procedure over de rechtsvraag in het Aanwijzingsbesluit.

Inmiddels zijn de belastingplichtigen die in het bezwaar tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017 ook de stelling van een individuele buitensporige last hebben opgenomen per brief geïnformeerd, is er nadere informatie op de website van de Belastingdienst geplaatst en heeft de Bond voor Belastingbetalers zijn achterban nader geïnformeerd door middel van zijn eigen website en per e-mail.

In het door de vaste commissie voor Financiën toegestuurde artikel wordt het idee opgeworpen om in de wet op te nemen dat de beslissing op de afgesplitste individuele bezwaarschriften uitgesteld wordt (of kan worden) tot het moment waarop de beslissing in de massaal bezwaarprocedure is genomen.

De hoofdregel bij de behandeling van bezwaren is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In beginsel heeft de Belastingdienst zich daar, evenals andere bestuursorganen, aan te houden. Slechts als zich bijzondere omstandigheden voordoen die een andere (wettelijk geregelde) werkwijze rechtvaardigen of zelfs noodzakelijk maken, kan van deze hoofdregel worden afgeweken. In casu is de massaliteit van bepaalde bezwaarstromen zo’n bijzondere omstandigheid.

Tegen de hier geschetste achtergrond is er bij de vormgeving van de huidige massaal bezwaarregeling voor gekozen om de afwijkende werkwijze tot het hoogstnodige te beperken, en voor het overige de Awb onverkort toe te passen.

Zoals in de memorie van toelichting op de huidige regeling1 is opgemerkt is de splitsing tussen rechtsvraag en overige geschilpunten bedoeld voor niet-gerelateerde geschilpunten. Thans doet zich de uitzonderlijke situatie voor dat sprake is van een massaal ingebracht geschilpunt dat weliswaar een individueel karakter heeft, maar gerelateerd is aan de rechtsvraag in het Aanwijzingsbesluit. Ten aanzien van de bezwaarschriften waarin ook de stelling van een individuele buitensporige last is opgenomen had de Belastingdienst twee mogelijkheden: het bezwaarschrift buiten de massaal bezwaarregeling houden of het bezwaarschrift splitsen. Gekozen is voor een splitsing van het bezwaarschrift, vanwege de voor belastingplichtigen minst belastende werkwijze bij de afdoening.

Ik zie in de uitzonderlijke situatie die thans aan de orde is geen reden om de wettelijke regeling in de Awb aan te passen, in de zin dat de inspecteur zijn beslissing op een afgesplitst, individueel geschilpunt in een massaal bezwaarprocedure zou moeten kunnen uitstellen.

Een ander punt dat in het artikel wordt opgebracht is de vraag of de wet voldoende duidelijk is en of de wet bij onduidelijkheden niet aangepast dient te worden.

De huidige wetgeving met betrekking tot massaal bezwaar is per 1 januari 2016 in werking getreden en dit is, zoals de auteur zelf ook opmerkt, sinds die datum pas de tweede massaalbezwaarprocedure. Er is naar mijn mening te weinig ervaring onder het huidige recht opgedaan om nu al vermeende onduidelijkheden in de wet weg te nemen door de wet te wijzigen. Vanzelfsprekend houd ik de ontwikkelingen in de praktijk nauwlettend in de gaten. Als er meer ervaring is opgedaan dan zal moeten worden bezien of er zich daadwerkelijk knelpunten voordoen die een wetswijziging noodzakelijk maken.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel


X Noot
1

Kamerstuk 34 305, nr. 3, p. 50