Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534238 nr. 3

34 238 Wijziging van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met het wettelijk regelen van kwaliteitseisen voor de jeugdzorg op Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht en de handhaving hiervan door de inspectie jeugdzorg

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Door de nieuwe staatkundige verhoudingen van het Koninkrijk der Nederlanden per 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden zijn aangemerkt als «openbare lichamen». De eilandbesturen hebben met de transitie per 10 oktober 2010 veel taken toebedeeld gekregen, terwijl de uitvoerings- en bestuurskracht nog in ontwikkeling is. Mede daarom is besloten de organisatie van de jeugdzorg in Caribisch Nederland rechtstreeks te laten vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit is met inbegrip van de uitvoering van een door de rechter opgelegde ondertoezichtstelling (gezinsvoogdij) of de uitoefening van voogdij na een maatregel van ontheffing en ontzetting (voogdij). Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland (JGCN) is belast met de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregelen (hulpverlening gedwongen kader). De Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) draagt de politieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de voogdij en gezinsvoogdij. Het Ministerie van VenJ financiert samen met het Ministerie van VWS de uitvoering van de (gezins)voogdij in Caribisch Nederland. De voogdijraad BES in Caribisch Nederland, vergelijkbaar met de Raad voor de Kinderbescherming in het Europese deel van Nederland, valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van VenJ.

De jeugdzorg en (gezins)voogdij in Caribisch Nederland zijn toegesneden op de kleinschaligheid en de specifieke behoeften van de eilanden. Er is besloten zoveel mogelijk de vigerende Antilliaanse wetgeving over te nemen en dus niet de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet van toepassing te verklaren.1 De jeugdzorg en de (gezins)voogdij in Caribisch Nederland zijn nog in opbouw.

Omdat het van groot belang is dat de jeugdzorg in Caribisch Nederland kwalitatief van goed niveau is en in verband daarmee toezicht wordt uitgeoefend op de aanbieders van jeugdzorg en de gezinsvoogdij-instelling, is wetgeving noodzakelijk, ondanks het uitgangspunt dat terughoudend wordt omgegaan met de introductie van nieuwe wetgeving in Caribisch Nederland. Dit temeer daar reeds is gebleken dat de inspectie met haar toezicht een goede stimulerende rol kan vervullen in de kwaliteitsverbetering. Hiervoor dient de inspectie echter wel een wettelijke basis te hebben. Onderhavig wetsvoorstel creëert deze grondslag. Voorts bepaalt het wetsvoorstel dat de aanbieder van jeugdzorg verantwoorde jeugdzorg moet verlenen, dat er verantwoorde gezinsvoogdij en voogdij dient plaats te vinden in Caribisch Nederland en dat de onderzoeks- en rapportagetaak van de voogdijraad verantwoord verloopt. Hierdoor is een norm bepaald, op de naleving waarvan de inspectie toezicht kan houden. Ook vanuit Caribisch Nederland wordt het nuttig geacht de kwaliteit en het toezicht daarop te versterken.

2. Jeugdzorg

Verschillende organisaties zijn actief op het terrein van de jeugdzorg in Caribisch Nederland. Het betreft momenteel: JGCN, Stichting Project en Rosa di Sharon.

De grootste organisatie is JGCN, die sinds november 2011 bestaat. De organisatie is onderdeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland(RCN). JGCN is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de voogdij en biedt daarnaast de volgende vormen van jeugdzorg: ambulante jeugdzorg, pleegzorg, residentiële zorg en op Saba en Sint Eustatius ook preventieve ondersteuning op het terrein van opvoeden en opgroeien. JGCN kent vijf units, waarvan er drie op Bonaire werkzaam zijn: ambulante jeugdzorg/pleegzorg, gezinsvoogdij en residentiële zorg. Preventieve ondersteuning op het terrein van opvoeden en opgroeien voor de bewoners van Bonaire valt onder de verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam Bonaire: op Bonaire wordt het Centrum voor Jeugd en Gezin ontwikkeld en uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam.

Op zowel Saba als Sint Eustatius bevindt zich verder een unit van de JGCN, namelijk op elk eiland een Centrum voor Jeugd en Gezin. Op deze eilanden valt naast ambulante jeugdzorg en gezinsvoogdij ook preventieve ondersteuning op het terrein van opvoeden en opgroeien onder de directe verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS. Er is vanwege de kleinschaligheid geen residentiële zorg op Saba en Sint Eustatius. Er wordt hierbij een beroep gedaan op instellingen in de regio.

De andere op Bonaire gelegen residentiële jeugdzorgorganisaties, Stichting Project en Rosa di Sharon, worden door het Ministerie van VWS gesubsidieerd.

De lokale overheden zijn voorts verantwoordelijk voor de ontwikkeling van kwaliteit en capaciteit van de jeugdgezondheidszorg. Het Ministerie van VWS ondersteunt hierin.

3. De voogdijraad

De voogdijraad is het orgaan, bedoeld in artikel 1:238, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES (BW BES) en is vergelijkbaar met de raad voor de kinderbescherming in Europees Nederland. De voogdijraad maakt deel uit van de civiele en strafrechtelijke jeugdketen. De voogdijraad vervult de taken die de wet haar toewijst om de belangen van minderjarigen te behartigen en hen te beschermen, als hun ontwikkeling wordt bedreigd.

De voogdijraad voert zowel op civiel gebied, als op strafrechtelijk gebied taken uit die verband houden met minderjarigen. De taken van de voogdijraad zijn neergelegd in het BW BES en het Wetboek van Strafvordering BES. De inspectie wordt belast om toezicht uit te oefenen op naleving van artikelen van het Burgerlijk Wetboek BES waarin aan de voogdijraad taken worden opgedragen (artikel 18.4.7e). Bij deze civiele taken van de voogdijraad gaat het bijvoorbeeld om:

  • het doen van een verzoek aan de rechter om in de gezagsuitoefening van een minderjarige te voorzien (artikel 1:241 BW BES),

  • gevraagd en ongevraagd doen van onderzoek naar gevallen waarin maatregelen met betrekking tot gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden (artikel 1:242 BW BES), en

  • verzoeken om ontheffing van gezag of ondertoezichtstelling (artikelen 1:254 en 1:267 BW BES).

De voogdijraad doet na een melding onderzoek in het gezin, stelt een rapport op en bekijkt of er een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De voogdijraad kan de rechter verzoeken een maatregel op te leggen. Deze maatregel kan een ondertoezichtstelling (resulterend in gezinsvoogdij) of een ontheffing of ontzetting (resulterend in voogdij) betreffen. In crisissituaties kan de voogdijraad de rechter verzoeken om voorlopige toevertrouwing van de betreffende jeugdige. In dat geval wordt de jeugdige onder de verantwoordelijkheid van de voogdijraad voor korte tijd in een crisisopvang, bijvoorbeeld een pleeggezin, geplaatst.

De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling of een ontheffing of ontzetting uitspreken. De JGCN is belast met de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregelen. Indien de kinderrechter overgaat tot ondertoezichtstelling wordt een gezinsvoogd aangewezen. In Caribisch Nederland zal de JGCN de gezinsvoogdij uitvoeren. Indien de kinderrechter overgaat tot ontheffing of ontzetting zal een voogd worden benoemd. Dat kan een van de bloedverwanten zijn van de minderjarige, maar ook een voogd van de JGCN.

De samenstelling en werkwijze van de voogdijraad zijn geregeld in het Besluit voogdijraad BES.

De Minister van VenJ is verantwoordelijk voor het functioneren van de voogdijraad. De Minister van VenJ benoemt, schorst en ontslaat de (plaatsvervangende) leden, alsmede de directeur en de medewerkers van het bureau van de voogdijraad. In het Besluit voogdijraad BES is bovendien een aantal waarborgen opgenomen. Ter illustratie zij gewezen op de regeling in het Besluit voogdijraad BES over de inlichtingenplicht van de voogdijraad jegens de Minister van VenJ (artikel 17), de bevoegdheid van de Minister van VenJ om beleidsregels vast te stellen omtrent de taakuitoefening van de voogdijraad (artikel 18), een taakverwaarlozingsregeling (artikel 19), een vernietigingsrecht (artikel 20) alsmede op de plicht van de voogdijraad om aandacht te besteden – ook in het jaarverslag – aan tijdige voorbereiding en uitvoering; de kwaliteit van gebruikte procedures; de zorgvuldige behandeling van personen en instellingen die met de voogdijraad in aanraking komen en de zorgvuldige behandeling van klachten die worden ontvangen (artikel 16). Het belang van deze waarborgen en instrumenten is dermate groot dat ze zijn opgenomen in het Besluit voogdijraad BES. De Minister van VenJ is immers verantwoordelijk voor het functioneren van de voogdijraad en moet daarom kunnen ingrijpen bij taakverwaarlozing, beleidsregels over de taakuitoefening kunnen uitvaardigen en in ultieme gevallen besluiten van de voogdijraad kunnen vernietigen.

Het toezicht op de strafrechtelijke taken van de voogdijraad is geregeld in de Rijkswet Raad voor de Rechtshandhaving en wordt uitgevoerd in opdracht van c.q. onder verantwoordelijkheid van de Raad voor de Rechtshandhaving. De Raad voor de Rechtshandhaving mag gebruik maken van inspecties. Ook op de civiele taken van de voogdijraad is toezicht nodig. Het toezicht op de civiele taken van de voogdijraad wordt met deze wetswijziging geborgd in de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (IBES).

4. Toezicht

De inspectie jeugdzorg bezoekt sinds 2008 ook met enige regelmaat de BES. Haar onderzoek heeft hier het karakter van «stimulerend toezicht». In de periode 2009 -2011 lag de focus bij de eilanden vooral op het opbouwen van de jeugdzorg. Alle drie de eilanden hebben inmiddels jeugdzorginstellingen. Vanaf 2011 is de nadruk komen te liggen op de inhoudelijke kwaliteit. Eind 2013 heeft de inspectie onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de jeugdzorg op de eilanden. Zij constateert de volgende tekortkomingen: er zijn wachtlijsten, het aanbod aan zorg is niet toereikend en het oorspronkelijke doel van de hulpverlening verdwijnt soms naar de achtergrond door incident gestuurd handelen. De inspectie ziet dat er nog flinke stappen nodig zijn om de kwaliteit te verbeteren en doet hiertoe een aantal aanbevelingen.2

De inspectie kan een goede rol vervullen in de kwaliteitsverbetering van de jeugdzorg op de BES. De inspectie heeft echter tot op heden geen wettelijke grondslag voor het uitoefenen van dit toezicht. Daarom is wetgeving noodzakelijk. Voorgesteld wordt om het toezicht op de jeugdzorg, de aanbieders van jeugdzorg, de (gezins)voogdij, de (gezins)voogdij-instelling en de voogdijraad in Caribisch Nederland te laten uitoefenen door de ambtenaren van de inspectie jeugdzorg.

Toezicht kent twee belangrijke uitgangspunten. Het eerste is dat burgers (jeugdigen en ouders) erop mogen vertrouwen dat daar waar kwaliteitseisen worden gesteld, er ook toezicht plaatsvindt op de naleving van die voorschriften. Het tweede uitgangspunt is dat het belangrijk is voor de instellingen en professionals om te weten waarop zij gecontroleerd worden en welke gevolgen het niet naleven van voorschriften kan hebben.

De inspectie houdt risicogebaseerd toezicht, hetgeen betekent dat zij het meest intensief toezicht houdt op die plaatsen waar volgens haar inschatting de risico’s voor de betreffende jeugdige het grootst zijn. Deze inschatting zal zij maken op basis van een zorgvuldige risicoanalyse van de verschillende aanbieders van jeugdzorg, de (gezins)voogdij-instelling en de voogdijraad. Hoe hoger de risico-inschatting uitvalt, des te meer aandacht krijgt een aanbieder van jeugdzorg, de (gezins)voogdij-instelling of de voogdijraad bij het houden van toezicht. Het toezicht kent de mogelijkheid van verschillende onverwachte elementen. Bij het bezoek zien de inspecteurs dossiers in, spreken met de directie, groepsleiders en medewerkers en niet in de laatste plaats met de jeugdigen zelf. Een aanbieder van jeugdzorg, de (gezins)voogdij-instelling of de voogdijraad die bij een toezichtbezoek een onvoldoende scoort op één of meer onderdelen, dient verbeteringen door te voeren. De inspectie kan vervolgens toetsen of deze verbeteringen daadwerkelijk zijn doorgevoerd en of zij in de praktijk ook worden toegepast. Daarnaast voert de inspectie calamiteitentoezicht uit. Hiervan is sprake bij fatale incidenten of als sprake is van ernstig letsel. De inspectie zal bij het vormgeven van het toezicht oog houden voor het beperken van de toezichtlasten voor aanbieders van jeugdzorg, de (gezins)voogdij-instelling en de voogdijraad.

Zoals hierboven is aangegeven valt preventie op Bonaire onder de verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam Bonaire. Op Saba en Sint Eustatius wordt preventieve ondersteuning uitgevoerd door JGCN en valt dit onder de directe verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS. De inspectie zal geen toezicht houden op preventie, ook niet voor zover deze preventie onder JGCN valt.

5. Persoonsgegevens

De verwerking van persoonsgegevens vormt een beperking van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Die verwerking vindt met name plaats bij de uitvoering van de nieuwe artikelen 18.4.7d, 18.4.7e en 18.4.7h IBES. Artikel 18.4.7d verplicht de jeugdzorgaanbieder en de (gezins)voogdij-instelling aan de inspectie melding te doen van calamiteiten. Artikel 18.4.7e regelt de taken van de inspectie jeugdzorg. In artikel 18.4.7h zijn vervolgens regels gesteld over de verwerking van de persoonsgegevens bij de uitvoering van die taken. In dat kader is het volgende van belang.

Wet bescherming persoonsgegevens BES

Op grond van artikel 10 van de Grondwet heeft een ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Tevens bevat artikel 10 een opdracht aan de wetgever regels te stellen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Voor Caribisch Nederland is aan de opdracht gevolg gegeven door de vaststelling van de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Wbp BES).

De Wbp BES is, behoudens op een aantal thans niet relevante onderdelen, gelijkluidend aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Voor het Europees Nederland is door middel van de Wbp uitvoering gegeven aan artikel 10 van de Grondwet. De privacyrichtlijn3, die toepassing mist in Caribische Nederland, is daarvoor de grondslag geweest. Wat in het kader van dit wetsvoorstel voor de verwerking van persoonsgegevens door de inspectie in Caribisch Nederland geldt op grond van de Wbp BES, geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de inspectie in Europees Nederland op grond van de Wbp.

De Wbp BES bevat algemene normen voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens en bepaalt onder andere dat de verwerking op een zorgvuldige en behoorlijke wijze plaats dient te vinden en dat het verzamelen van persoonsgegevens met als doel deze in een bestand op te nemen, alleen is toegestaan voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Artikel 8 van de Wbp BES geeft een limitatieve opsomming van de gronden die een gegevensverwerking rechtvaardigen. Met name artikel 8, onderdeel c, is van belang, dat zegt dat persoonsgegevens verwerkt mogen worden indien verwerking noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke is onderworpen. Het betreft hier enerzijds wettelijke verplichtingen die rusten op instellingen, anderzijds gaat het om de wettelijke verplichtingen die rusten op de inspectie. Om de kwaliteit van de jeugdzorg en (gezins)voogdij te kunnen bewaken is het noodzakelijk dat de inspectie kennisneemt van calamiteiten die zich bij de zorgverlening voordoen. Dat vereist niet alleen een bevoegdheid van de inspectie om kennis te kunnen nemen van mogelijke calamiteiten, maar ook een verplichting voor de instellingen om die meldingen te doen. Het is onvermijdelijk dat daarbij persoonsgegevens door de instellingen aan de inspectie worden verstrekt. Ook voor een goede uitvoering van de overige taken van de inspectie (zoals het nalevingstoezicht en het toezicht in algemene zin) zal de inspectie persoonsgegevens moeten verwerken. Nu sprake is van het nakomen van wettelijke verplichtingen en is gebleken dat de verwerking van persoonsgegevens voor de nakoming van die verplichtingen noodzakelijk is, is voldaan aan de criteria van artikel 8, onderdeel c, en is de verwerking van de persoonsgegevens in beginsel wettelijk toegestaan.

Naast de algemene bepalingen inzake de verwerking van persoonsgegevens van artikel 8 van de Wbp BES, kent die wet ook nog specifieke regels over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Het gaat daarbij om gegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke gegevens. Artikel 16 Wbp BES bepaalt dat de verwerking van die gegevens is verboden, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In artikel 23, eerste lid, onder e, wordt voorts in algemene zin aangegeven om welke voorwaarden het gaat. Artikel 23 staat verwerking toe indien die noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden geboden en dat bij wet is bepaald. Artikel 18.4.7h staat de inspectie toe bijzondere gegevens inzake de etnische of culturele achtergrond, het seksuele leven of de gezondheid, alsmede strafrechtelijke gegevens te verwerken. Het verlenen van jeugdzorg en het uitoefenen van (gezins)voogdij zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Etniciteit, culturele achtergronden, seksueel gedrag, gezondheidsproblematiek en criminaliteit zijn factoren die een belangrijke rol spelen bij zorgverlening in het kader van de jeugdzorg in Caribisch Nederland. De verplichtingen die bij wet aan de instellingen worden gesteld, zijn opgelegd met het oog op het zwaarwegende algemene belang dat wordt gehecht aan de bescherming van jeugdigen. Daarbij hoort tevens dat de overheid erop toeziet dat de instellingen hun verplichtingen naar behoren nakomen. De inspectie kan niet toezien of sprake is van een verantwoorde zorg, verantwoorde gezinsvoogdij of uitoefening van verantwoorde voogdij, dan wel haar overige (wettelijke) taken niet naar behoren uitvoeren indien zij geen kennis zou kunnen nemen van die bijzondere persoonsgegevens. Door in artikel 18.4.7h, tweede lid, op te nemen dat verwerking van persoonsgegevens (de hiervoor genoemde bijzondere persoonsgegevens daarbij inbegrepen) slechts mag plaatsvinden, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toezichthoudende taken van de inspectieambtenaren, is daarmee geborgd dat niet meer (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt dan noodzakelijk. Dus hiermee is voldaan aan de criteria «passende waarborgen» en «bij wet bepaald».

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Naast de Wbp BES en de Wbp stelt ook het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) regels over de persoonlijke levenssfeer. Zo bepaalt artikel 8, eerste lid, van het EVRM dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven. Het tweede lid stelt dat beperking van dit recht alleen is toegestaan voor zover die:

  • bij wet is voorzien;

  • noodzakelijk is in een democratische samenleving, en

  • een geoorloofd, expliciet genoemd doel dient.

– Bij de wet voorzien

Met de in dit wetsvoorstel opgenomen regeling is aan deze voorwaarde voldaan. In artikel 18.4.7d, 18.4.7e en artikel 18.4.7h wordt omschreven in welk geval en voor welk doel persoonsgegevens verwerkt mogen worden. In het laatstgenoemde artikel wordt ook omschreven door wie gegevens mogen worden verwerkt en de omstandigheden waaronder die verwerking mag plaatsvinden.

– Noodzakelijk in een democratische samenleving

Het noodzaakcriterium wordt in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) nader ingevuld met de vereisten van een dringende maatschappelijke behoefte, van proportionaliteit en van subsidiariteit. Het wetsvoorstel is aan deze beginselen getoetst. In een goed georganiseerde en welvarende samenleving dienen voor alle jeugdigen de voorwaarden geschapen te worden om gezond en veilig op te groeien, zich te ontplooien en naar vermogen deel te nemen aan de samenleving. Dit vraagt ook om een verantwoorde jeugdzorg: jeugdzorg van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. Ook vraagt dit om een inspectie die hierop toeziet. De inspectie zal bij het uitvoeren van haar taken persoonsgegevens moeten verwerken.

Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is eveneens voldaan, onder meer doordat in artikel 18.4.7h tweede lid, is bepaald dat (bijzondere) persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt, voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de toezichthoudende taken van de inspectieambtenaren. Op deze manier wordt gewaarborgd dat niet meer (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt dan noodzakelijk voor het beoogde doel en dat het privéleven van het kind zoveel als mogelijk wordt beschermd.

– Een geoorloofd, expliciet doel

Artikel 8, tweede lid, van het EVRM stelt als legitimiteitseis dat een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven uitsluitend mag geschieden binnen de kaders van de expliciet en limitatief in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, opgesomde belangen. Eén van deze belangen is de bescherming van de gezondheid. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat hieronder nadrukkelijk ook de gezondheid en het welzijn van jeugdigen geschaard dienen te worden.

Doorbreking medisch beroepsgeheim

De inspectie moet toegang hebben tot de dossiers wanneer dat noodzakelijk is voor de vervulling van haar taken. Dossiers bevatten veelal de informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van hulpverlening, bijvoorbeeld ten aanzien van het toepassen van richtlijnen en protocollen. Op grond van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is weliswaar een ieder verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, maar in het tweede lid is geregeld dat wie uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is tot geheimhouding, het verlenen van medewerking mag weigeren, voor zover dit uit zijn geheimhoudingsplicht voortvloeit. Om inzage ten behoeve van de taken van de inspectie toch mogelijk te maken (zonder toestemming van de cliënt of zijn vertegenwoordiger), bepaalt het vijfde lid van het onderhavige artikel daarom dat in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, Awb de ambtenaren van de inspectie bevoegd zijn tot inzage in de dossiers. Ter bescherming van de betrokken jeugdige of ouder, geldt voor de ambtenaren die voor de uitvoering van hun taken kennis hebben genomen van patiëntendossiers dezelfde geheimhoudingsplicht als die op de aanbieder van jeugdzorg rust.

6. Administratieve lasten

Het is moeilijk een goede inschatting te maken van de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de administratieve lasten. De direct uit dit wetsvoorstel voortvloeiende administratieve lasten, die gelegen zijn op het terrein van toezicht, zullen beperkt zijn tot informatie die aangeleverd moet worden bij de inspectie zodat deze in staat is toezicht uit te oefenen.

De kwaliteitsverbetering van jeugdzorg en (gezins)voogdij in Caribisch Nederland wordt stapsgewijs opgepakt. Er is de afgelopen jaren veel op dit terrein verbeterd, maar er moet ook nog veel gebeuren. Deze kwaliteitsverbetering heeft gevolgen voor de administratieve lasten, zoals betere dossieropbouw en het werken met hulpverleningsplannen. Deze administratieve lasten zijn onlosmakelijk verbonden aan de verbetering van kwaliteit, waarbij scherp gelet wordt op het voorkomen van onnodige administratieve lasten.

7. Consultatiereacties

De voorgestelde regelgeving is ter consultatie voorgelegd aan de eilandbesturen. De eilanden hebben in officiële brieven gereageerd. Het bestuurscollege van Bonaire heeft aangegeven dat het instemt met de voorliggende wetswijziging. De aanpassing leidt volgens het bestuurscollege tot meer duidelijkheid over verantwoordelijkheden en zorgt voor een betere kwaliteitsborging. Sint Eustatius en Saba hebben aangegeven kennis genomen te hebben van het wetsvoorstel en geen opmerkingen te hebben bij deze wijziging van de IBES.

De betrokken organisaties in Caribisch Nederland (Rijksdienst Caribisch Nederland, Centrum voor Jeugd en Gezin, JGCN en de Voogdijraad) zijn intern ook geconsulteerd en hadden geen bezwaren tegen het voorliggende wetsvoorstel.

Overigens raakt het wetsvoorstel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet direct in die zin dat het kosten, administratieve lasten of andere betrokkenheid voor de openbare lichamen teweegbrengt.

Artikelsgewijs

ARTIKEL I

A

Artikel 18.4.7a-BEGRIPSBEPALINGEN

Gekozen is om onderhavig wetsvoorstel in de Invoeringswet BES op te nemen. Nu er geen specifieke regeling is die gaat over de jeugdzorg op de BES, ligt wijziging van de IBES voor de hand.

Dit voorgestelde artikel bevat van diverse begrippen een definitie. Voor zover nodig worden deze hier toegelicht.

Aanbieder van jeugdzorg

De aanbieders van jeugdzorg in Caribisch Nederland zijn momenteel JGCN en de gesubsidieerde instellingen Stichting Project en Rosa di Sharon.

Onder een «aanbieder van jeugdzorg» wordt geen school, sportclub, vrijetijdsvereniging of zorginstelling zoals een huisartsenpraktijk verstaan, ook al kunnen zij ook ondersteuning van en hulp aan jeugdigen bieden bij opgroei- en opvoedingsproblemen of bij dreigende zodanige problemen. Het moet gaan om (rechts)personen of samenwerkingsverbanden die van het Rijk middelen ontvangen voor het aanbieden van jeugdzorg. De genoemde aanbieders van jeugdzorg worden gefinancierd vanuit het Ministerie van VWS.

De subsidies aan de instellingen worden verleend door de Minister van VWS op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. De bevoorschotting van deze subsidies loopt via de RCN. De JGCN wordt bevoorschot via de Rijksdienst Caribisch Nederland, door middel van schatkistbankieren, en wordt op deze wijze in feite rechtsreeks bekostigd vanuit de VWS-begroting. Deze rechtstreekse financiering berust daardoor in feite op de begrotingswet van VWS en algemene regelgeving zoals die in Caribisch Nederland vigeert.

Calamiteit en geweld bij de verlening van jeugdzorg of de uitvoering van (gezins)voogdij

Een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdzorg of (gezins)voogdij en die leidt tot ernstige schade of zelfs de dood van een jeugdige of een ouder, wordt aangeduid als een calamiteit. Het professionele handelen van verleners van jeugdzorg en (gezins)voogdij dient erop gericht te zijn om dergelijke gebeurtenissen te voorkomen. Indien zich een calamiteit voordoet is het van belang dat dit gemeld wordt, teneinde het professionele handelen te kunnen verbeteren.

Geweld van welke aard ook dient vanzelfsprekend achterwege te blijven bij de verlening van jeugdzorg en bij de uitvoering van (gezins)voogdij. De jeugdzorgverlener en de medewerker van een (gezins)voogdij-instelling dienen zich er voortdurend van bewust te zijn dat de jeugdige of zijn ouder op hem is aangewezen en van hem afhankelijk is. Ook kan zich geweld tussen jeugdigen of ouders onderling voordoen, terwijl zij bij een aanbieder van jeugdzorg of een (gezins)voogdij instelling verblijven. In alle gevallen is het wenselijk dat een aanbieder of instelling dan optreedt.

Dossier

Onder deze definitie valt ook het onderzoeksdossier van de voogdijraad, uitmondend in een verzoek aan de rechter om een maatregel als ondertoezichtstelling of ontheffing of ontzetting op te leggen.

Jeugdige

Er is gekozen voor een leeftijdsgrens van 18 jaar, met de mogelijkheid om jeugdzorg, voort te zetten of te hervatten totdat de jeugdige 23 jaar is geworden. Het gaat hier om de noodzakelijke voortzetting of hervatting van jeugdzorg voor een jeugdige die reeds jeugdzorg ontving voordat hij meerderjarig werd of om de start van de jeugdzorg als vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is gebleken dat jeugdzorg voor die persoon noodzakelijk is. Het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd betekent in de praktijk niet altijd dat de noodzaak en mogelijkheid tot opvoeding voorbij is. Ouders houden immers ook niet ogenblikkelijk op met opvoeden als hun kind meerderjarig wordt. Ook kan het nodig zijn om na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar jeugdhulp voort te zetten in verband met de toeleiding naar de arbeidsmarkt.

Jeugdzorg

Voor de omschrijving van het begrip jeugdzorg is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in de voormalige Wet op de jeugdzorg.

Er is overwogen om in deze wet aan te sluiten bij het begrip «jeugdhulp» uit de Jeugdwet, om een lijn te trekken met het Europese deel van Nederland. Toch is er omwille van de duidelijkheid voor gekozen om niet het begrip «jeugdhulp» te gebruiken, maar het begrip «jeugdzorg» uit de Wet op de jeugdzorg. De Jeugd Geestelijke GezondheidsZorg (JGGZ) en de zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (LVB) in Caribisch Nederland blijven namelijk onder de Zorgverzekeringswet vallen. De geestelijke gezondheidszorg en de ondersteuning en zorg aan jeugdigen met een verstandelijke beperking vallen niet onder het begrip «jeugdzorg». Deze zorg valt bij de Jeugdwet wel onder de definitie van «jeugdhulp». De inspectie voor de gezondheidszorg houdt toezicht op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet. Waar sprake is van samenloop van jeugdzorg en gezondheidszorg, zullen beide inspecties hun toezichtactiviteiten zoveel mogelijk afstemmen.

(Gezins)Voogdij-instelling, gezinsvoogdij en voogdij

De (gezins)voogdij-instelling op de BES is momenteel JGCN. JGCN voert – in opdracht van de kinderrechter – zowel de voogdij als de gezinsvoogdij uit.

Gezinsvoogdij is de uitvoering van een door de kinderrechter opgelegde maatregel tot onder toezichtstelling (artikel 1:254 BW BES). Bij gezinsvoogdij houdt de ouder het ouderlijk gezag over het kind. De gezinsvoogd is bevoegd om schriftelijke aanwijzingen te geven ten aanzien van hoe het gezag moet worden uitgeoefend. Belangrijke keuzes in het leven van het kind moeten eerst worden besproken met de gezinsvoogd.

Van voogdij is sprake in geval een kinderrechter een ander dan de ouder belast met het gezag over een kind (artikel 1:245 BW BES). Dit gebeurt bijvoorbeeld na de oplegging van een maatregel tot ontheffing of ontzetting uit de ouderlijke macht (artikelen 1:267 en 1:269 BW BES). In afdeling 6, paragraaf 3, van Boek 1 BW BES staan de grondslagen vermeld op basis waarvan een kinderrechter in Caribisch Nederland een voogd kan toewijzen. De voogd is de wettelijk vertegenwoordiger van het kind. Op grond van artikel 1:302 BW BES kan de voogdij worden opgedragen aan rechtspersonen, waarvan de statuten of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven, zoals JGCN.

Voogdijraad

De voogdijraad is het orgaan als bedoeld in artikel 1:238, eerste lid, BW BES. Deze raad is vergelijkbaar met de Raad voor de Kinderbescherming. De samenstelling en werkwijze zijn geregeld in het Besluit voogdijraad BES.

Artikel 18.4.7b en Artikel 18.4.7c – VERANTWOORDE JEUGDZORG EN VERANTWOORDE (GEZINS)VOOGDIJ

Met de eis van verantwoorde jeugdzorg en verantwoorde (gezins)voogdij wordt bedoeld dat de jeugdzorg en de (gezins)voogdij van goed niveau zijn en dat die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend. Het begrip «verantwoorde jeugdzorg» sluit aan bij de omschrijving van kwaliteit ingevolge de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Jeugdwet en de Wet kinderopvang. Het begrip verantwoorde jeugdzorg of verantwoorde (gezins)voogdij legt een grote verantwoordelijkheid bij de aanbieders van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling. Zij zijn primair verantwoordelijk voor de invulling van de kwaliteit. Dit betekent dat zij dienen te komen tot een beschrijving van wat in algemene zin verantwoorde jeugdzorg of verantwoorde (gezins)voogdij is.

Deze basiseisen van verantwoorde jeugdzorg voor Caribisch Nederland zijn uitgewerkt in het kwaliteitskader dat is opgesteld door JGCN in samenwerking met de inspectie. Het kwaliteitskader wordt stapsgewijs opgebouwd. Aan een kwaliteitskader voor de voogdijraad wordt gewerkt.

De aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling dienen de jeugdzorg op zodanige wijze te verzorgen, dat de instelling zowel kwalitatief als kwantitatief van voldoende personeel en materieel is voorzien. Verder dient zij zorg te dragen voor een goede verantwoordelijkheidstoedeling. Eén en ander moet redelijkerwijs leiden tot verantwoorde jeugdzorg. Hieronder wordt vanzelfsprekend met name ook de veiligheid van de kinderen verstaan, namelijk zowel de fysieke veiligheid, als het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Daarnaast zijn medezeggenschap en een klachtprocedure belangrijke onderdelen van de kwaliteit.

Hoewel het behoort tot het wezen van het goed organiseren van werkzaamheden om stelselmatig na te gaan of bij de gekozen structuur en inzet van mensen en middelen nog steeds goed werk kan

worden verricht, en deze verplichting daarmee onderdeel uitmaakt van de verplichting tot het verlenen van verantwoorde jeugdzorg, wordt een afzonderlijke bepaling van die strekking onmisbaar geacht. Dit is derhalve verwerkt in het tweede lid van beide artikelen. De uitwerking van het systeem wordt aan de aanbieders van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling overgelaten.

Met systematische bewaking van de kwaliteit wordt mede beheersing en verbetering van het beleid bedoeld. Van de aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling wordt verwacht dat ze op systematische wijze gegevens betreffende de kwaliteit van de dienstverlening verzamelen en registreren, dat ze deze gegevens op systematische wijze toetsen en vervolgens op basis van de uitkomst daarvan zo nodig veranderingen doorvoeren. Dit betreft een groeimodel.

Artikel 18.4.7d- MELDINGEN

Net zoals in de Jeugdwet wordt voor aanbieders van jeugdzorg en (gezins)voogdij-instellingen een meldplicht opgenomen voor calamiteiten en geweld bij de verlening van jeugdzorg of (gezins)voogdij. Jeugdigen en ouders staan bij de verlening van jeugdzorg of (gezins)voogdij in een afhankelijkheidsrelatie tot de medewerker van de betreffende aanbieder of instelling. Dit maakt hen extra kwetsbaar en daarom is van belang dat de inspectie onverwijld op de hoogte wordt gesteld wanneer in dat kader sprake is van een calamiteit of geweld.

Op basis van de verplichte melding aan de inspectie kan deze de aanbieder van jeugdzorg of de (gezins)voogdij-instelling verzoeken vervolgens een feitenonderzoek naar de situatie te doen of zal de inspectie zelf onderzoek verrichten en bekijken hoe de handhaving verder moet worden ingericht om doelgericht tot verbetering te komen. Een melding aan de inspectie laat wettelijke verplichtingen tot het doen van aangifte van strafbare feiten onverlet.

Artikel 18.4.7e -INHOUD TOEZICHT

In dit artikel wordt de taak van de ambtenaren van de inspectie jeugdzorg geregeld. Bij het vervullen van hun deze taak zullen de ambtenaren van de inspectie waar nodig rekening houden met de behoeften van Caribisch Nederland.

Toezicht op naleving regels door aanbieders van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling

Het eerste lid bevat de grondslag voor de ambtenaren van de inspectie om toezicht te houden op de naleving van artikel 18.4.7b, artikel 18.4.7c en de krachtens artikel 18.4.7i gestelde regels door de aanbieders van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling.

Verrichten van onderzoek

Het verrichten van onderzoeken naar de kwaliteit in algemene zin van de jeugdzorg, de aanbieders van jeugdzorg, de (gezins)voogdij, de (gezins)voogdij-instelling en de voogdijraad is noodzakelijk in Caribisch Nederland. In het eerste lid is geregeld dat de ambtenaren van de inspectie dit onderzoek mogen verrichten. Het gaat daarbij niet alleen om toezicht op de naleving van in de wet neergelegde normen, maar ook om bijvoorbeeld de algehele effectiviteit van het jeugdstelsel (kwaliteitstoezicht). De ambtenaren van de inspectie mogen tevens waar nodig middelen aangeven ter verbetering van de kwaliteit van de jeugdzorg en de (gezins)voogdij.

Toezicht op de civiele taken van de voogdijraad

De voogdijraad is verantwoordelijk voor een verantwoorde uitvoering van de aan de voogdijraad wettelijk opgedragen taken. Voorgesteld wordt het toezicht op de civiele taken van de voogdijraad, de taken van de voogdijraad uit het BW BES, in de IBES te regelen. De ambtenaren van de inspectie gaan toezicht houden op de civiele taken van de voogdijraad. Deze taken staan in de artikelen 212, 232d, 232l, eerste lid, 232n, lid 1, onderdeel a, 238, 240, lid 1, 241, 242, 253g, 254, 267, lid 1, 267, lid 1, 270, 271, 272, lid 1, 278, 299, 377o, 377u, 377ff en 377kk lid 1, van Boek 1, BW BES.

Het gaat daarbij om een aantal taken op het gebied van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering. In het geval van interlandelijke adoptie is de voogdijraad aangewezen als vergunninghoudende instelling in de zin van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie en is zij verder aangewezen als vergunninghouder in de zin van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (artikel 1:232d, lid 2, BW BES). Voorts zijn aan de voogdijraad de taken opgedragen die in Europees Nederland aan de raad voor de kinderbescherming toekomen en die zijn genoemd in de artikelen 1 tot en met 14 met uitzondering van de artikelen 7 en 10, derde lid, laatste volzin van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (artikel 1:232n, eerste lid, onderdeel a, BW BES).

In geval van internationale kinderontvoering is de voogdijraad belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 2 van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10) en artikel 6 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139) en met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst (artikel 1:232d BW BES).

Naast de taken op het gebied van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering vervult de voogdijraad de taken die de wet haar toewijst om de belangen van minderjarigen te behartigen en hen te beschermen, indien hun ontwikkeling wordt bedreigd. Zo stelt de voogdijraad zich gevraagd en ongevraagd op de hoogte van alle gevallen waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden (artikel 1:242 BW BES). Indien een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat of dat gezag niet over hem wordt uitgeoefend, kan de voogdijraad de kinderrechter verzoeken in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien (artikelen 1:241, lid 1 en 1:253g BW BES). Als een kind zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd, kan de kinderrechter het kind op verzoek van onder meer de voogdijraad onder toezicht stellen (artikel 1:254 BW BES). Indien de kinderrechter besluit het kind onder toezicht te stellen, dan geeft hij JCGN opdracht om de onder toezichtstelling uit te voeren. Het JGCN wijst dan een gezinsvoogd aan.

Een ontheffing van gezag vanwege ongeschiktheid of onmacht wordt slechts uitgesproken op verzoek van de voogdijraad of op vordering van het openbaar ministerie (artikel 1:267, eerste lid, BW BES). Ontzetting van het gezag vanwege moedwillig plichtsverzuim of onwaardigheid om de taak als opvoeder of verzorger te vervullen wordt slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of aanverwanten van het kind tot en met de vierde graad, de voogdijraad, op vordering van het openbaar ministerie of door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich genomen heeft (artikel 1:270 BW BES). In een geval van ontheffing of ontzetting kan de kinderrechter onder meer op verzoek van de voogdijraad een voogd benoemen (artikel 1:299 BW BES). De kinderrechter kan mede op verzoek van de voogdijraad een uit het gezag ontheven ouder wederom voorzien in het gezag (artikelen 1:277 j° 1:278 BW BES).

Ook kan een kind voorlopig aan de voogdijraad worden toevertrouwd, bijvoorbeeld indien het ter voorkoming van zedelijke of lichamelijke ondergang van een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is (artikelen 1:241, lid 2, 1: 271 en 1:272, lid 1, BW BES). Onder gezag van de voogdijraad wordt de minderjarige dan voor een korte periode door de JGCN in crisisopvang geplaatst.

De kinderrechter kan op verzoek of ambtshalve de voogdijraad belasten met de voorlopige toevertrouwing van het kind indien gevaar bestaat dat het kind onttrokken wordt aan een bevel tot afgifte van het kind aan degene die het gezag erover toekomt (artikel 1:377u, vierde en vijfde lid, BW BES). Ook kan de voogdijraad worden belast met de voorlopige toevertrouwing van een kind in geval van illegale adoptie (artikel 1:377kk, lid 1, BW BES). De voogdijraad treedt in een geval van voorlopige toevertrouwing, indien dat nodig is, op ten behoeve van de minderjarige (artikel 1:240 BW BES).

Op grond van artikel 1:212 BW BES kan de voogdijraad tot bijzondere curator worden aangewezen in zaken van afstamming waarin een minderjarig kind optreedt als verzoeker of belanghebbende.

In artikel 1:240, lid 1, BW BES is bepaald dat de voogdijraad zorgt voor de minderjarigen die hun krachtens enig wettelijk voorschrift door de rechter of het openbaar ministerie voorlopig zijn toevertrouwd. De voogdijraad treedt zonodig ook op ten behoeve van de minderjarige. De voogdijraad is en blijft qualitate qua (op basis van het BW BES) eindverantwoordelijk voor jeugdigen ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken of jeugdreclassering is opgelegd. De voogdijraad houdt toezicht op deze jeugdigen. Anders gezegd: de voogdijraad houdt toezicht op casusniveau op de ondertoezichtstelling, waarvan de uitvoering is belegd bij de jeugdzorg en gezinsvoogdij. De ambtenaren van de inspectie houden toezicht op de naleving van deze taak van de voogdijraad.

De ambtenaren van de inspectie houden echter geen toezicht op de naleving van de taak genoemd in artikel 1:240, lid 2 BW BES. In dit artikel staat dat de voogdijraad zorgt, dat de gelden die aan de voogdijraad ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd (inning kinderalimentatie), aan de daarop rechthebbende worden uitbetaald, en toeziet dat deze gelden overeenkomstig hun bestemming worden besteed. Op deze taak ziet het Ministerie van VenJ toe via de planning en control-cyclus. Er wordt verantwoording over afgelegd via het jaarverslag en financieel verslag dat de voogdijraad jaarlijks dient te overleggen.

De Minister van VWS en de Minister van VenJ zijn beiden verantwoordelijk voor de organisatie van de inspectie jeugdzorg, ook al is de inspectie organisatorisch een onderdeel van het Ministerie van VWS. Op grond van het derde lid nemen de ambtenaren van de inspectie instructies in acht van zowel de Minister van VWS als de Minister van VenJ. De inspectie verricht haar taak uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van VWS of de Minister van VenJ.

Artikel 18.4.7f- AANWIJZING/BEVEL

De ambtenaren van de inspectie jeugdzorg voeren ook een handhavende taak uit. Deze taak is gekoppeld aan het toezicht op de naleving en heeft betrekking op aanbieders van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling. Handhaving gaat over de maatregelen die de inspectie treft als de kwaliteit van jeugdzorg, (gezins)voogdij en de veiligheid van een jongere in het geding zijn. Het handhavingsbeleid is erop gericht om onmiddellijk en adequaat op te treden. De maatregelen die de inspectie kan initiëren bij het toezicht op de naleving zijn divers en verschillen in zwaarte.

Artikel 18.4.7f biedt een instrumentarium om de wet te handhaven. Indien de wettelijke voorschriften niet of niet juist wordt nageleefd, hebben beide Ministers elk in de eerste plaats de mogelijkheid de aanbieder van jeugdzorg, de (gezins)voogdij-instelling of de voogdijraad met een schriftelijke aanwijzing te dwingen tot naleving van de wet. In spoedeisende gevallen kan op grond van het vierde lid de inspectie voor de duur van zeven dagen daartoe ook een bevel geven, dat vervolgens eventueel door de Minister van VWS of de Minister van VenJ kan worden verlengd.

Beide Ministers zijn afzonderlijk bevoegd tot handhaving door middel van een aanwijzing of verlenging van een bevel. Hierdoor hoeven de Ministers niet bij elke aanwijzing of bij elke verlenging van een bevel formeel steeds gezamenlijk tot besluitvorming te komen, maar kan door eenvoudige afstemming het beoogde resultaat worden bereikt. Vanzelfsprekend zullen beide Ministers hun optreden onderling afstemmen. Dit geldt ook voor de bevoegdheid die in artikel 18.4.7g (bestuursdwang) is geregeld.

Aanbieders van jeugdzorg en (gezins)voogdij-instellingen zijn verplicht gehoor te geven aan een aanwijzing of een bevel. Aanwijzingen en bevelen hebben daardoor het karakter van een beschikking. De instelling die het niet eens is met een bevel of aanwijzing kan daartegen bezwaar aantekenen en in beroep gaan bij de rechter.

Artikel 18.4.7g-HANDHAVING BEVEL/AANWIJZING

Bij het niet opvolgen van de aanwijzing of het bevel, hebben de Ministers afzonderlijk de bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen. In artikel 18.4.11 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. In deze titel zijn regels gesteld omtrent het toepassen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat de bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen, de bevoegdheid impliceert een last onder dwangsom op te leggen. De opvolging van een aanwijzing of een bevel kan dus ook door oplegging van een last onder dwangsom worden afgedwongen.

De instelling die het niet eens is met een last kan daartegen bezwaar aantekenen en in beroep gaan bij de rechter.

Er is niet voor gekozen om bij het niet opvolgen van de aanwijzing of het bevel aan de Ministers de mogelijkheid te bieden om een bestuurlijke boete (afdeling 5.4 van de Awb) op te leggen. De mogelijkheid tot het opleggen van een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang wordt voldoende geacht voor de handhaving van de wet in Caribisch Nederland.

Artikel 18.4.7h-VERWERKEN PERSOONSGEGEVENS EN INZAGE IN DOSSIERS

Dit artikel stelt regels over de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens door de inspectie. Op het aspect van de privacy is uitgebreid ingegaan in onderdeel 5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 18.4.7i- DELEGATIEBEPALING

In dit artikel wordt de delegatiebepaling uit het oude artikel 18.4.7a opgenomen. Het artikel wordt verplaatst in verband met een logischere indeling van de wet. Verder wordt de grondslag verruimd: het wordt ook mogelijk om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen omtrent de kwaliteit van de jeugdzorg in Caribisch Nederland.

B

In artikel 18.4.7i is de delegatiebepaling opgenomen. Dit dient derhalve te worden aangepast in artikel 18.4.8.

C

De in artikel 18.4.11, eerste lid, van toepassing verklaarde artikelen en titels van de Awb zien op de bevoegdheden die de ambtenaren van de inspectie hebben in verband met de aan hen toegekende taak. Voor zover een ambtenaar werkzaam is in het kader van een onderzoekstaak, is hij geen toezichthouder in de zin van de Awb. In het tweede lid wordt een aantal bepalingen inzake toezichthouders echter van overeenkomstige toepassing verklaard op deze ambtenaren. Hierdoor is een dergelijke ambtenaar in het kader van het kwaliteitsonderzoek onder meer onderworpen aan een legitimatieplicht en is hij bevoegd plaatsen te betreden en inlichtingen te vorderen.

D

Gekozen is om de hier bedoelde zin te laten vervallen en om de bepalingen die over de jeugdzorg gaan te groeperen in deze wet.

In artikel 18.4.12, derde lid, stond de Inspectie voor de Volksgezondheid vermeld. Hier dient echter conform artikel 38, eerste lid, van de Gezondheidswet juncto artikel 1 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid de «Inspectie voor de Gezondheidszorg» te staan, aangezien de Inspectie voor de Gezondheidszorg toezicht uitoefent in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

ARTIKEL II

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de wet. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, blz. 97.

X Noot
2

Inspectie jeugdzorg, Kwaliteit van de jeugdzorg in Caribisch Nederland, Utrecht, maart 2014.

X Noot
3

Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Pb EG L 281) (Pb EG L 281).