Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd:
I
In artikel I, onderdeel E, wordt «de rechtbank Den Haag» vervangen door: van de rechtbank
Den Haag.
II
In artikel II wordt «van die wet» vervangen door: van dat wetboek.
III
In artikel III, onderdeel D, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
13. Indien de gerechtelijke procedure ingevolge artikel 80, tweede lid, in Curaçao
of Sint Maarten wordt gevoerd, wordt de in het tweede lid bedoelde bijlage bij dagvaarding
dan wel bij conclusie van eis in reconventie en in kort geding op de terechtzitting
overgelegd. Onder de verweerder in de leden vijf tot en met acht en twaalf wordt in
deze procedure telkens de gedaagde verstaan.
IV
In artikel IV, onderdeel D, komt artikel 5 te luiden:
Artikel 5
1. De termijnen van verschijning in vorderingsprocedures worden bij algemene maatregel
van rijksbestuur vastgesteld.
2. Indien het beroep in cassatie aanhangig wordt gemaakt volgens de regels die gelden
voor de verzoekprocedure, bericht de griffier van de Hoge Raad de verweerder of belanghebbende
over de indiening van het cassatieberoep.
Toelichting
Onderdelen I en II
De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen betreffen een taalkundige en een terminologische
verbetering.
Onderdeel III
Artikel 80, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet 1995 verklaart de rechtbank in Den
Haag in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd ten aanzien van een aantal in dat lid
genoemde vorderingen. Het tweede lid van artikel 80 bepaalt dat de rechtbank Den Haag
en de voorzieningenrechter van die rechtbank in eerste aanleg in Nederland bij uitsluiting
bevoegd zijn ten aanzien van een aantal andere, in dat lid genoemde vorderingen, waaronder
de vordering als bedoeld in artikel 70. De exclusieve bevoegdheid in procedures in
Nederland betekent dat de rechtbank Den Haag en de voorzieningenrechter van die rechtbank
bevoegd zijn ten aanzien van vorderingen, afkomstig uit het Europese deel van Nederland
en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, maar niet uit Curaçao en
Sint Maarten (en Aruba op grond van artikel 113 van de Rijksoctrooiwet 1995). Nu de
voorgestelde terminologische wijzigingen in verband met de wetsvoorstellen KEI in
artikel 70 uitsluitend betrekking hebben op procedures die bij een gerecht in het
Europese deel van het Koninkrijk worden gevoerd, moet voor procedures die in Curaçao
en Sint Maarten aanhangig zijn de terminologie worden gehandhaafd die op grond van
het aldaar geldende procesrecht gebruikelijk is. Dit geschiedt door toevoeging van
een nieuw, dertiende lid aan artikel 70.
Onderdeel IV
In dit onderdeel wordt artikel 5 van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in technische zin verbeterd.
Verduidelijkt wordt dat het eerste lid van artikel 5 van toepassing is op vorderingsprocedures
en dat het tweede lid geldt wanneer het cassatieberoep in een Caribische zaak aanhangig
wordt gemaakt via de regels van de verzoekprocedure. In het eerste lid over de termijn
van verschijning van verweerders, was dit al af te leiden uit het gebruik van de term
«termijn van verschijning», maar dit wordt via deze nota van wijziging duidelijker
verwoord. Het tweede lid is enkel bedoeld voor de verzoekprocedure, die in de praktijk
gangbaar is bij het indienen van een Caribische cassatiezaak en nu wettelijk wordt
verankerd. De Hoge Raad stelt de verweerder of belanghebbenden dan in kennis van het
ingediende cassatieberoep. Bij deze codificatie is de mogelijkheid om door middel
van een vorderingsprocedure cassatieberoep in te stellen, opengehouden. Wanneer de
eiser in cassatie voor de vorderingsprocedure kiest, roept de eiser zelf de verweerder
op en doet de Hoge Raad dat niet, zoals het aanvankelijk voorgestelde tweede lid ten
onrechte suggereerde.
Het handhaven van zowel de (wettelijke) vorderingsprocedure als de (gangbare) verzoekprocedure
voor het aanhangig maken van een Caribische cassatiezaak – met de verschillende wijzen
waarop de wederpartij in de procedure wordt opgeroepen – kwam in de voorgestelde wijziging
van artikel 5 niet uitdrukkelijk naar voren en wordt via deze nota dus nader geëxpliciteerd.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur