Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734218 nr. D

34 218 Wijziging van de Faillissementswet in verband met de aanwijzing door de rechtbank van een beoogd curator ter bevordering van de afwikkeling van een eventueel faillissement en vergroting van de kansen op voorzetting van een onderneming of van een doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen (Wet continuïteit ondernemingen I)

D NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VEILIGHEID EN JUSTITIE1

Vastgesteld 21 februari 2017

De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord. Zij hebben nog een aantal vragen aan de regering.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

In het voorgestelde artikel 363, eerste lid wordt aangegeven dat de schuldenaar bij zijn verzoek ten aanzien van zijn specifieke situatie aannemelijk dient te maken dat de voorbereiding op een dreigend faillissement gediend is met de benoeming van een beoogd curator, omdat diens voorbereiding meerwaarde heeft. Mede vanwege de strenge sancties – zie artikel II, onder A en artikel III van het wetsvoorstel – voor de bestuurder, waarbij achteraf wordt aangenomen dat hij ten onrechte heeft gedaan alsof er sprake was van meerwaarde bij de stille voorbereidingsfase en de benoeming van een beoogd curator, is het wenselijk dat het begrip nader wordt afgebakend. Kan de regering nog wat scherper zijn in haar nadere definiëring van het begrip «meerwaarde», zoals bedoeld in artikel 363, eerste lid, van het wetsvoorstel?

In de memorie van toelichting is opgemerkt dat de aanwijzing van een beoogd curator ertoe kan bijdragen dat er in stilte alsnog een oplossing voor de financiële problemen wordt gevonden.2 Wat is de opvatting van de regering over het niet alleen laten uitmaken van deze mogelijkheid als onderdeel van de meerwaarde als vermeld in artikel 363, eerste lid, van het wetsvoorstel, maar dit ook te laten behoren tot het met de aanwijzing beoogde doel, zoals opgenomen in artikel 363, vierde lid, van het wetsvoorstel?

Uit de memorie van toelichting lijkt te volgen dat bedrijven die een betalingsregeling met de Belastingdienst hebben getroffen en deze niet tijdig nakomen, niet in aanmerking kunnen komen voor de stille voorbereidingsfase als bedoeld in artikel 363, eerste lid, van het wetsvoorstel.3

Is de regering het met de leden van de VVD-fractie eens dat deze uitleg nadelig uit kan pakken voor bedrijven die hun betalingsonmacht bij de Belastingdienst hebben gemeld, en ook onwenselijk is? En lokt een dergelijke «sanctie» niet uit dat zij het melden van hun betalingsonmacht zo lang mogelijk uitstellen? Juist voor deze bedrijven zou een stille voorbereidingsfase wel eens zeer nuttig kunnen blijken en zelfs een mogelijk faillissement kunnen voorkomen, dan wel een – betere – doorstart mogelijk maken. Moet deze strakke uitleg zoals in de memorie van toelichting beschreven, inderdaad in alle omstandigheden worden toegepast? Is dat inderdaad de bedoeling van de regering? Graag haar reactie.

De leden van de VVD-fractie vernemen graag van de regering of de stille voorbereidingsfase ook van toepassing kan zijn in de situatie dat een schuldenaar verkeert in «de toestand van opgehouden hebben te betalen», maar nog wel de lopende verplichtingen kan voldoen. Dat is bijvoorbeeld het geval in de situatie dat kredieten zijn opgezegd.

De leden van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zien de reactie van de regering – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Duthler

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Kox (SP), Engels (D66), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA) (vice-voorzitter), Duthler (VVD) (voorzitter), Ten Hoeve (OSF), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Backer (D66), Knip (VVD), Barth (PvdA), Beuving (PvdA), Hoekstra (CDA), Popken (PVV), Schouwenaar (VVD), Schrijver (PvdA), Bikker (CU), Bredenoord (D66), Van Dijk (SGP), Markuszower (PVV), Van Rij (CDA), Rombouts (CDA), Van Weerdenburg (PVV), Wezel (SP), Van de Ven (VVD).

X Noot
2

Kamerstukken II 2014/15, 34 218, nr. 3, p. 9.

X Noot
3

Kamerstukken II 2014/15, 34 218, nr. 3, p. 11.