34 200 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2014

34 210 XV Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2015 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 15 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2015

Op 25 juni jl. was het WGO over de verantwoordingsstukken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dit overleg heb ik toegezegd om – mede namens de Staatssecretaris – een aantal vragen schriftelijk te zullen beantwoorden.

Dhr. Uhlenbelt heeft gevraagd om een toelichting op de OBR-bedragen en of de voorwaarden voor inkomensverrekening niet te streng zijn.

De OBR is bedoeld voor mensen die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-leeftijd én onvoldoende middelen hebben om de periode tussen het einde van de VUT- of prepensioenregeling en de AOW-leeftijd te overbruggen. De regeling heeft derhalve het karakter van een minimumvoorziening waarbij indien er nog ander inkomen aanwezig is, bijvoorbeeld inkomen uit arbeid, pensioen of een socialezekerheidsuitkering, de uitkering aanvullend op dat inkomen is. Inkomsten uit sociale uitkeringen en aanvullend pensioen van de rechthebbende worden volledig verminderd op de uitkering. Om te stimuleren dat mensen aan het werk blijven of aan het werk gaan – zij hebben immers nog niet de pensioengerechtigde leeftijd bereikt – wordt een deel van het inkomen uit arbeid vrijgelaten (15% wml + 1/3e van het meerdere).

De (bruto) maximumbedragen voor de OBR bedragen vanaf 1 juli € 1.135,20 voor een alleenstaande en € 734,36 voor gehuwden (excl. vakantiegeld). Personen zonder inkomsten ontvangen het volledige bedrag. Onderstaande tabel geeft ter illustratie voor verschillende casussen de hoogte van de uitkering aan, waarbij we uitgegaan zijn dat betrokkenen een volledige AOW-opbouw hebben. Genoemde bedragen zijn bruto.

Tabel – Hoogte bruto overbruggingsuitkeringen
 

Gehuwd

Alleenstaand

Geen inkomsten

€ 734,36

€ 1.135,20

Aanvullend pensioen ad. € 400 per maand

€ 334,36

€ 735,20

     

Sociale zekerheidsuitkering ad. € 400 per maand

€ 334,36

€ 735,20

     

Inkomsten uit arbeid ad. € 400 per maand

€ 618,47

€ 1.019,31

Het bruto AOW-bedrag voor een alleenstaande is € 742,04 en voor een gehuwde € 1.088,21 (excl. IOAOW en vakantiegeld). Hoewel de bruto AOW-bedragen verschillen van de OBR-bedragen – onder andere omdat in de AOW bij de netto-netto-koppeling rekening wordt gehouden met de fiscale ouderenkortingen – is het bruto inkomen van een OBR-gerechtigde zonder inkomen niet sterk verschillend van het inkomen van een AOW’er. Gezien het karakter van een minimumvoorzieningen vind ik het billijk dat voor mensen met aanvullende inkomsten de OBR lager is dan de AOW.

Dhr. Uhlenbelt heeft gevraagd naar een nadere duiding van de daling tussen 2012 en 2014 van het percentage arbeidsongevallen onder werknemers dat verzuim tot gevolg heeft.

Tussen 2012 en 2013 was sprake van een afname van het percentage. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat tussen 2013 en 2014 sprake is geweest van een daadwerkelijke daling, omdat er in 2014 een aantal wijzigingen heeft plaatsgevonden in de manier waarop dit percentage tot stand is gekomen.

De belangrijkste wijziging is een gewijzigde vraagstelling. In 2014 is expliciet gevraagd naar een arbeidsongeval («een voorval tijdens het werk waardoor u lichamelijk letsel of geestelijke schade heeft opgelopen»). In eerdere jaren was de vraagstelling of men tijdens het werk betrokken was geweest bij «een ongeval of voorval, waardoor men lichamelijk letsel of geestelijke schade heeft opgelopen». Omdat gebleken is dat dit breder dan arbeidsongevallen opgevat wordt, is de formulering aangescherpt. Deze scherper geformuleerde vraagstelling heeft geleid tot een lager percentage in 2014. Andere wijzigingen in de meetmethode die van invloed kunnen zijn geweest zijn op de daling zijn: (1) de overstap van schriftelijke enquêtering naar web-enquêtering (2) wijziging van de ondervraagde populatie (van personen van 15–65 jaar personen van 15–75 jaar) en (3) vergroten van de steekproef.

Dhr de Graaf heeft gevraagd naar de casus van een Poolse mevrouw, die onder verschillende namen stond ingeschreven.

Ik zoek op dit moment uit of en hoe een dergelijke casus voor kan komen en informeer u hierover op een nader tijdstip.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Naar boven