34 198 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2016)

Nr. 10 DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 21 augustus 2015

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van het eerste onderdeel vervalt.

2. Onder vernummering van het derde onderdeel tot vierde onderdeel, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

3. In de definitie van financiële onderneming wordt het tweede onderdeel r geletterd s.

B

In artikel I, onderdeel C, wordt «subonderdeel 8» vervangen door: subonderdeel 9.

C

In artikel I worden na onderdeel C drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Ca

Artikel 1:112 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «met zetel in Nederland».

2. In het tweede lid wordt na «Nederland» ingevoegd: en financiële ondernemingen die ingevolge het deel Markttoegang financiële ondernemingen vergunningplichtig zijn voor activiteiten van een bijkantoor in Nederland.

Cb

In de artikelen 1:116, 1:118, 1:119, 1:124 en 1:125 vervalt telkens de zinsnede «met zetel in Nederland».

Cc

Artikel 1:121, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «niet zijnde een bank of beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door: niet zijnde een financiële onderneming waarop de artikelen 92 tot en met 96 van de richtlijn kapitaalvereisten van toepassing zijn.

2. In de tweede volzin wordt na «bijkantoor» ingevoegd: dat geen ingevolge het deel Markttoegang financiële ondernemingen vergunningplichtige activiteiten verricht,.

D

In artikel I, onderdeel D, wordt in het tweede onderdeel «eerste tot en tweede lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

E

In artikel I, onderdeel E, eerste onderdeel, wordt «d. artikel 3:15, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen die het dagelijkse beleid van de afwikkelonderneming bepalen;» vervangen door: d. artikel 3:15, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijkse beleid van de afwikkelonderneming bepaalt;.

F

Artikel I, onderdeel F, onder 3, wordt «eerste tot en tweede lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

G

In artikel I wordt na onderdeel S een onderdeel ingevoegd, luidende:

Sa

Artikel 3:64 komt te luiden:

Artikel 3:64

Artikel 3:63 is van overeenkomstige toepassing op banken met een zetel in een andere lidstaat als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid.

H

Artikel I, onderdeel V, komt te luiden:

V

In artikel 3:86, eerste lid, vervalt na «bijkantoren van»: afwikkelondernemingen en.

I

In artikel I worden na onderdeel CC twee onderdelen ingevoegd, luidende:

CCa

Artikel 3:159t wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een overbruggingsinstelling of van een rechtspersoon die tot taak heeft de eigendom in een overbruggingsinstelling te houden.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. De Nederlandsche Bank kan een overbruggingsinstelling of rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening.

CCb

Na artikel 3:159t wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3:159ta

1. De overbruggingsinstelling beschikt, voor zover nodig voor de uitoefening van haar werkzaamheden, van rechtswege over een vergunning als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid, 2:27, eerste lid, of 2:48, eerste lid.

2. De Nederlandsche Bank kan tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer van de vereisten, bedoeld in artikel 2:26b, eerste lid, 2:31, eerste lid, of 2:49, eerste lid, met het oog op:

a. het voorkomen van significante nadelige gevolgen voor de stabiliteit van het financiële stelsel;

b. het vermijden van een beroep op publieke middelen; of

c. het beschermen van de rechten van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij verzekeringen.

3. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3:195t, tweede lid, beschikt, voor zover nodig voor de uitoefening van zijn taak, van rechtswege over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid.

J

In artikel I wordt na onderdeel GG een onderdeel ingevoegd, luidende:

GGa

Aan artikel 3:160, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een bank of verzekeraar waarvan de Europese Centrale Bank onderscheidenlijk de Nederlandsche Bank de vergunning heeft ingetrokken.

K

Artikel I, onderdeel II, komt te luiden:

Artikel 3:162c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt »3:159c, eerste lid» vervangen door: 3:160, eerste of tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «artikel 3:159c, tweede lid, onderdeel a of b» vervangen door: artikel 3:159c, derde lid, onderdeel a of b.

L

In artikel I wordt na onderdeel KK een onderdeel ingevoegd, luidende:

KKa

In artikel 3:195, tweede lid, wordt »3:162, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin» vervangen door: 3:162, 3:162a, 3:162b en 3:162d, tweede lid, eerste volzin.

M

In artikel I, onderdeel BBB, onder 4, en onderdeel CCC, onder 4, wordt «4:87a» telkens vervangen door:

2:67a, eerste, derde en vierde lid

4:37p, eerste lid

4:87a.

N

In artikel IA worden voor onderdeel A, drie onderdelen ingevoegd, luidende:

0A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel h door een punt, vervalt onderdeel i.

0B

In artikel 5, derde lid, wordt «artikel 36, derde lid, van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten» vervangen door: artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep.

0C

Na artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12a

1. Voor de toepassing van bijlage I wordt verstaan onder mkb-onderneming:

a. een onderneming die op grond van de laatste vastgestelde jaarrekening op het moment van de aanvraag of melding van de eenmalige toezichthandeling aan ten minste twee van de volgende drie criteria voldoet:

1°. een gemiddeld aantal werknemers gedurende het boekjaar van minder dan 250;

2°. een balanstotaal van ten hoogste € 43.000.000;

3°. een jaarlijkse netto-omzet van ten hoogste € 50.000.000.

2. In afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van onderdeel A9 emissies van bijlage I onder een mkb-onderneming verstaan: een uitgevende instelling waarvan op het moment van de aanvraag van de eenmalige toezichthandeling nog geen vastgestelde jaarrekening beschikbaar is, indien de totale tegenwaarde van de onder het prospectus aan te bieden effecten ten hoogste € 25.000.000 bedraagt.

3. Indien de onderneming deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek, wordt bij de beoordeling of sprake is van een mkb-onderneming uitgegaan van de vastgestelde geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moeder.

4. In afwijking van het eerste lid wordt een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden als bedoeld in verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L176) niet aangemerkt als mkb-onderneming.

O

In artikel IA, onderdeel A, worden, onder vernummering van het vierde, vijfde en zesde subonderdeel tot tiende, elfde en twaalfde subonderdeel, zes subonderdelen ingevoegd, luidende:

4. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» wordt in de beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A6.03 na «van een beleggingsinstelling» ingevoegd: of een beheerder van een beleggingsinstelling.

5. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» wordt in de categorie «Wft.A6 inschrijving/aanmelding» na de eenmalige toezichthandeling met code Wft.A6.03 de volgende eenmalige toezichthandeling ingevoegd:

Wft.A6.03a

Een inschrijving als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 5° van de Wet op het financieel toezicht van een beheerder van een beleggingsinstelling

€ 1.500

6. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» komt de beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A6.10 te luiden:

Een inschrijving als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 9° of 10°, met uitzondering van een inschrijving van een financiële onderneming naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 2:66a, derde lid, onderdeel a.

7. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» vervalt de eenmalige toezichthandeling met code Wft.A6.11a.

8. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» komt de beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A8.01 te luiden:

De toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10 of 5:29 van de Wet op het financieel toezicht of van een persoon als bedoeld in artikel 2 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

9. In het onderdeel «Toezichthouder:AFM» komt de beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A8.04 te luiden:

De toetsing van de geschiktheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de Wet op het financieel toezicht die het dagelijks beleid bepaalt van een financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, artikel 2:80, eerste lid, artikel 2:86, eerste lid en 2:92, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht of van een persoon als bedoeld in artikel 2a van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

P

In artikel IA, onderdeel B, tweede onderdeel, wordt in de vijfde kolom «– het eigen vermogen van degene die handelt voor eigen rekening zoals genoemd in onderdeel a van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip «het verrichten van een beleggingsactiviteit».» vervangen door: – honderd maal het minimum aan te houden toetsingsvermogen dat door DNB is vastgesteld van degene die handelt voor eigen rekening zoals genoemd in onderdeel a van het in artikel 1:1 Wft gedefinieerde begrip «het verrichten van een beleggingsactiviteit».

Q

In artikel II, onderdeel A, onder 2, wordt onder plaatsing van een puntkomma aan het slot, «Europees parlement» vervangen door: Europees parlement.

R

In artikel II, onderdeel U, wordt «Europees parlement» in artikel 49f, onderdeel h, vervangen door: Europees parlement.

S

De komma aan het slot van artikel III, onderdeel I, vervalt.

T

In artikel IV wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 3:20, eerste lid, wordt «Een financiële onderneming met zetel in het buitenland wordt, indien zij in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat,» vervangen door: Een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat wordt, onverminderd de bevoegdheden van de toezichtautoriteit en de door haar aangewezen toezichthouders uit hoofde van artikel 1:7 en hoofdstuk 7,.

U

Na artikel VII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIIA

Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 komt de zinsnede met betrekking tot de Wet bekostiging financieel toezicht als volgt te luiden: Wet bekostiging financieel toezicht: een besluit omtrent de goedkeuring als bedoeld in de artikelen 3 en 6.

B

In de artikelen 7 en 11 komt de zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 te luiden:

Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba tot en met 10d.

V

Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XA

In artikel II, tweede lid, van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen wordt «artikel 1:128, tweede lid» telkens vervangen door: artikel 1:128, eerste lid.

W

Na artikel XIA wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIB

Op wettelijke controles die betrekking hebben op een boekjaar dat reeds is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel X, blijft artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel X, van toepassing.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging strekt er allereerst toe een aantal aanpassingen van overwegend technische aard aan te brengen in het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2016.

Daarnaast wordt het wetsvoorstel aangevuld met een aanpassing van de Wet op het financieel toezicht (Wft) zodat de mogelijkheid bestaat dat een overbruggingsverzekeraar in bepaalde omstandigheden gedurende een korte periode over een vergunning beschikt ook al wordt niet aan alle vergunningvereisten voldaan.

Ook wordt door middel van deze nota van wijziging gezorgd voor een beter aansluiting van de reikwijdte van hoofdstuk 1.7 Wft (Beloningsbeleid) op de reikwijdte van de voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo) geldende regelgeving met betrekking tot beloningsbeleid.1

Bovendien is een aantal aanvullende wijzigingen in de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) aangebracht, onder meer ter verduidelijking van het begrip «mkb-onderneming», en is voorzien in een overgangsregeling ten aanzien van de verkorte roulatietermijn onder de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta).

Artikelsgewijs

A

De Wet toezicht kredietunies en de Wbfo voegen per abuis beide een onderdeel r toe aan de opsomming in de definitie van «financiële onderneming». Deze onjuistheid wordt hersteld door het tweede onderdeel «r» te letteren «s».

C

Ca

Hoofdstuk 1.7 van de Wft bevat bepalingen met betrekking tot een beheerst beloningsbeleid. In artikel 1:112 van de Wft is bepaald op welke financiële ondernemingen welke afdelingen van hoofdstuk 1.7 van toepassing zijn. In artikel 1:112, eerste lid, ontbraken financiële ondernemingen met zetel in een staat buiten de Europese Unie, die wel een vergunning in Nederland hebben. Het gaat om de vergunningen in de artikelen 2:3.0g (afwikkelondernemingen), 2:6 (clearinginstellingen), 2:20 (banken), 2:26d (herverzekeraars), 2:40 (levens- en schadeverzekeraars), 2:50 (natura-uitvaartverzekeraars), 2:54d (entiteiten voor risico-acceptatie) en 2:54l (wisselinstelling). Bij de vergunningverlening aan deze ondernemingen (en in het doorlopend toezicht) wordt wel getoetst aan artikel 3:17 (beheerste bedrijfsvoering) op grond waarvan ook het tot de inwerkingtreding van hoofdstuk 1.7 van de Wft geldende Besluit beheerst beloningsbeleid Wft en de Regeling beheerst beloningsbeleid Wft van De Nederlandsche Bank (DNB) van toepassing waren. De wijzigingen in artikel 1:112 van de Wft bewerkstellingen dat wordt aangesloten bij het toepassingsbereik van het (inmiddels ingetrokken) Besluit beheerst beloningsbeleid en de, uit de memorie van toelichting blijkende, bedoeling van de Wbfo.

Cb

In artikel 1:112 van de Wft is bepaald op welke financiële ondernemingen welke afdelingen van hoofdstuk 1.7 van de Wft van toepassing zijn. In de artikelen 1:116, 1:118, 1:119, 1:124 en 1:125 van de Wft werd in het artikel zelf nogmaals beschreven op welke financiële ondernemingen het artikel van toepassing is. Aangezien deze reikwijdtebepaling al in artikel 1:112 van de Wft is opgenomen, wordt in de artikelen 1:116, 1:118, 1:119, 1:124 en 1:125 van die wet slechts de formulering «financiële onderneming» gehanteerd.

Cc

Het zesde lid van artikel 1:121 van de Wft heeft als doel om bijkantoren van financiële ondernemingen met zetel buiten Nederland onder het bonusplafond te brengen. Gelet op de richtlijn kapitaalvereisten2, het daarin opgenomen bonusplafond en de wederkerigheid die deze bepaling met zich mee brengt, is het bonusplafond van artikel 1:121 van de Wft niet van toepassing op bijkantoren van een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat, waarop het bonusplafond uit de richtlijn kapitaalvereisten op grond van de regelgeving in die andere lidstaat van toepassing is. Aangezien ook sprake kan zijn van bijkantoren van een bank of beleggingsonderneming met zetel in een andere staat, die niet onder het bonusplafond van de richtlijn kapitaalvereisten vallen, wordt in het zesde lid van artikel 1:121 van de Wft verduidelijkt dat alleen wanneer ingevolge de richtlijn kapitaalvereisten het bonusplafond van toepassing is, het bonusplafond op grond van artikel 1:121 van de Wft niet van toepassing is.

Daarnaast wordt in artikel 1:121, zesde lid, tweede volzin, verduidelijkt dat, wanneer sprake is van een vergunning ingevolge de Wft voor de activiteiten van het bijkantoor, de toezichthouder die deze vergunningverlening verzorgt, verantwoordelijk is. In alle andere gevallen is bij een bijkantoor de toezichthouder verantwoordelijk die aan de financiële onderneming vergunning zou verlenen als de financiële onderneming haar zetel in Nederland zou hebben.

G

Het huidige artikel 3:64 voorziet in het liquiditeitstoezicht op bijkantoren in Nederland van banken en beleggingsondernemingen in de zin van de verordening kapitaalvereisten3 met zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie. Uit artikel 151 van de richtlijn kapitaalvereisten volgt dat, wanneer de Europese Commissie op grond van artikel 460 van de richtlijn een uitvoeringsverordening vaststelt ter harmonisering van de liquiditeitsvereisten, het liquiditeitstoezicht op bijkantoren voortaan wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst (home country) in plaats van de lidstaat van ontvangst (host country). Aangezien de Europese Commissie inmiddels een dergelijke uitvoeringsverordening heeft vastgesteld en deze verordening4 per 1 oktober 2015 van kracht wordt, verliest het huidige artikel 3:64 van de Wft vanaf dat moment grotendeels zijn betekenis. Het artikel wordt nog in een zeer beperkte vorm gehandhaafd voor banken als bedoeld in artikel 2:16 van de Wft. Dat artikel voorziet in een vergunningseis voor de tamelijk uitzonderlijke situatie dat een bank met zetel in een andere lidstaat in Nederland actief wenst te worden die door het recht van de lidstaat van herkomst niet als bank wordt aangemerkt en om die reden niet over een bankvergunning zou beschikken.

I

Artikel 3:159ta van de Wft is de evenknie van artikel 3A:39, dat van toepassing is op een overbruggingsinstelling voor banken. Een overbruggingsonderneming die het bedrijf van een bank uitoefent, is in beginsel vergunningplichtig. Artikel 41, eerste lid, laatste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling banken en beleggingsondernemingen5 voorziet evenwel erin dat een overbruggingsbank voor banken en beleggingsondernemingen kan worden opgericht en gedurende korte tijd een vergunning kan ontvangen zonder dat bij de aanvang aan alle vereisten is voldaan.

Een dergelijke bepaling is eveneens voor een overbruggingsverzekeraar wenselijk. De voornaamste grondslag daarvoor is te vinden in artikel 141 van de richtlijn solvabiliteit II6. Daarin is bepaald dat de toezichthoudende autoriteiten bij een aanhoudende verslechtering van de solvabiliteitspositie van de onderneming de bevoegdheid hebben om alle nodige maatregelen te treffen om in het geval van verzekeringsovereenkomsten de belangen van verzekeringnemers alsook de verplichtingen uit hoofde van herverzekeringsovereenkomsten te beschermen. In dit kader wordt ook gewezen op artikel 27 van die richtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten de toezichthoudende autoriteiten van de noodzakelijke middelen voorzien om het voornaamste doel van het toezicht, namelijk de bescherming van verzekeringnemers en begunstigden, te verwezenlijken. Dat die bescherming voorop staat, blijkt ook uit de punten 16 en 17 van de considerans van de richtlijn solvabiliteit II. De mogelijkheid dat een overbruggingsverzekeraar gedurende korte tijd kan functioneren met een vergunning ook zonder dat aan alle vergunningvereisten is voldaan, kan in bepaalde omstandigheden cruciaal zijn voor de bescherming van degenen die een vordering uit hoofde van verzekering hebben. De bepaling is dan ook met het oog op de bescherming van hun belangen geschreven.

In dit verband wordt erop gewezen dat de richtlijn solvabiliteit II is geschreven voor een verzekeraar in going concern. Op het tijdstip van totstandkoming van de richtlijn was het concept van een overbruggingsverzekeraar nog niet sterk ontwikkeld. Er mag vanuit worden gegaan dat, indien de communautaire wetgever in 2009 had voorzien dat de richtlijn naar de letter ook van toepassing is op overbruggingsverzekeraars, hij een bepaling zou hebben opgenomen die op dezelfde leest is geschoeid als artikel 41, eerste lid, laatste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling banken, die eerst in 2014 tot stand is gekomen. Vergelijk in dit verband een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1985, waarin de overwegingen met betrekking tot een andere richtlijn met zoveel woorden erop neerkomen dat, indien de communautaire wetgever zich had gerealiseerd dat de desbetreffende richtlijn ook in geval van insolventie toepasselijk was, hij wel een bijzondere bepaling voor die situatie had opgenomen.7

Ontheffing van de vergunningvereisten kan worden verleend indien dat nodig is voor de bescherming van de financiële stabiliteit, van overheidsmiddelen en van de belangen van schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering. Deze gronden zijn mutatis mutandis overgenomen uit artikel 14 van de Verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor banken.8

Tot slot wordt ingegaan op de verhouding tussen enerzijds dit artikel en anderzijds de artikelen 2:26b, vierde lid, 2:31, vierde lid, en 2:49, derde lid. In de laatstgenoemde bepalingen is bepaald dat ontheffing van worden verleend van bepaalde vereisten indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de genoemde vergunningvereisten beogen te bereiken anderszins worden bereikt. Artikel 3:159ta is niet beperkt tot specifieke vergunningvereisten, zoals wel het geval is in de artikelen 2:26b, vierde lid, 2:31, vierde lid, en 2:49, derde lid. Een ander verschil is dat de overbruggingsverzekeraar niet behoeft aan te tonen dat aan bepaalde vereisten redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de genoemde vergunningvereisten beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

J

Artikel 3:160 maakt voor de aanvraag van de noodregeling door DNB een onderscheid tussen, kort gezegd, vergunninghoudende banken en verzekeraars (eerste lid) en niet-vergunninghoudende banken en verzekeraars (tweede lid). Met een vergunninghoudende bank of verzekeraar wordt gelijkgesteld een bank of verzekeraar wiens vergunning door de Europese Centrale Bank of DNB is ingetrokken. Dat komt overeen met de wijze waarop het toepassingsbereik van de overdrachtsregeling in artikel 3:159c is vormgegeven. Het eerste lid van artikel 3:160 is daarmee van toepassing op banken of verzekeraars die een vergunning hebben of hebben gehad. Gevolg van deze wijziging is onder meer dat DNB ingevolge artikel 3:161 ook een overdrachtsplan kan overleggen bij de aanvraag van de noodregeling voor een verzekeraar wiens vergunning reeds is ingetrokken.

K en L

De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen houden verband met de onderdelen I en J.

M

In de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 van de Wft wordt een aantal bepalingen m.b.t. beheerders van beleggingsinstellingen toegevoegd teneinde deze te kunnen handhaven door middel van een last onder dwangsom respectievelijk bestuurlijke boete.

N

0A en 0C

Per 1 januari 2015 gelden voor mkb-ondernemingen lagere tarieven voor de controle van het prospectus bij een emissie. Mkb-ondernemingen kunnen daarbij verschillende soorten instellingen zijn die voldoen aan de voorwaarden, bijvoorbeeld ook beleggingsinstellingen. Of een onderneming voor deze lagere tarieven in aanmerking komt, wordt bepaald op basis van de laatst vastgestelde jaarrekening. Dit levert in de praktijk problemen op, omdat niet alle ondernemingen op het moment van de aanvraag over een jaarrekening beschikken. Om die reden wordt het begrip «mkb-onderneming» in het nieuwe artikel 12a Wbft gedefinieerd en artikel 1, onderdeel i, Wbft geschrapt. Daarbij wordt bepaald dat – naast de ondernemingen die op grond van de laatst vastgestelde jaarrekening aan de criteria voldoen – ook ondernemingen waarvan nog geen jaarrekening is vastgesteld in aanmerking kunnen komen voor het mkb-tarief. Dit kan als de tegenwaarde van de effecten die met het prospectus worden aangeboden lager is dan € 25 miljoen. Voor dit bedrag is gekozen, omdat het ruim de helft van het maximale balanstotaal is dat een onderneming mag hebben om op grond van de jaarrekening als mkb-onderneming aangemerkt te worden. Voor ruim de helft is gekozen, omdat een onderneming naast de uitgifte van aandelen over het algemeen ook op andere wijze kapitaal zal aantrekken. Het is dan ook redelijk om ervan uit te gaan dat bij een tegenwaarde van meer dan € 25 miljoen, het balanstotaal van de eerste meer dan de mkb-grens van € 43 miljoen zal bedragen.

In de definitie is verder verduidelijkt dat ondernemingen die deel uitmaken van een groep (in de zin van artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek) alleen aanspraak kunnen maken op het mkb-tarief indien de gehele groep (op grond van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moeder) als mkb-onderneming kwalificeert. Ook is verduidelijkt dat zogenaamde special purpose entities voor securitisatiedoeleinden (zoals gedefinieerd in de verordening kapitaalvereisten) die speciaal zijn opgericht om voor grotere partijen kapitaal op te halen, geen aanspraak kunnen maken op het mkb-tarief.

0B

Artikel 5 van de Wbft bepaalt dat de jaarrekening van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) vergezeld gaat van een verklaring van een accountant die niet verbonden is aan een accountantsorganisatie. In het geval van een Accountant-Administratieconsulent, moet deze wel beschikken over een aantekening dat hij bevoegd is om wettelijke controles te verrichten. Deze aantekening was aanvankelijk geregeld in artikel 36 van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten. Deze wet is echter ingetrokken. De aantekening is nu geregeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep. De tekst van artikel 5 is daarop aangepast.

O

Met de implementatie van de AIFM -richtlijn is geregeld dat het regime van de artikelen 2:66 en 2:70 van de Wft niet alleen geldt voor beleggingsinstellingen met een zetel in een aangewezen staat, maar ook voor beheerders van beleggingsinstellingen met een zetel in een aangewezen staat. De registraties die op grond van deze artikelen plaatsvinden, kunnen nu dus ook zien op beheerders van beleggingsinstellingen. Met de wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat deze beheerders voor die registratie ook een heffing dienen te betalen.

Verder zijn er twee wijzigingen die verband houden met de registratie van beheerders van beleggingsinstellingen die vallen onder de lichtere regeling van artikel 2:66a van de Wft en van de fondsen die zij beheren. Deze beheerders worden op grond van artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel 5, van de Wft geregistreerd. Zij betalen hiervoor op dit moment een heffing van € 1 500 op grond van Wft.A6.11a. In de omschrijving van deze toezichthandeling wordt verwezen naar de melding op grond van artikel 2:66a, derde lid, van de Wft. Omdat op grond van dit artikellid meerdere meldingen gedaan worden, is ervoor gekozen te verduidelijken dat alleen een heffing in rekening wordt gebracht bij de registratie op grond van artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onder 5, van de Wft. Hiervoor is een nieuwe tariefcode ingevoerd (Wft.A6.03a) voor deze eenmalige toezichthandeling, met hetzelfde tarief als de huidige code Wft.A6.11a, die komt te vervallen. Ook de financiële ondernemingen die beheerd worden door beleggingsinstellingen die vallen onder de lichtere regeling van artikel 2:66a van de Wft worden sinds 1 januari 2015 geregistreerd.9 Dit gebeurt op grond van artikel 1:107, tweede lid, onder 9, van de Wft. Deze registratie vergt echter maar beperkt extra werk, zodat daarvoor geen kosten in rekening worden gebracht. Deze registraties in het kader van het lichtere regime worden dan ook uitgezonderd in de omschrijving van de eenmalige toezichthandeling «inschrijving als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 9° of 10°» in Bijlage I van de Wbft.

Met het nieuwe achtste en negende lid wordt een grondslag ingevoerd om een tarief in rekening te brengen voor de toetsing van de betrouwbaarheid en de geschiktheid van beleidsbepalers van tussenpersonen die zich richten op «werkzaamheden ten behoeve van een publieksfinanciering». Het gaat daarbij om beleidsbepalers van crowdfunding-platformen die zijn vormgegevens als een tussenpersonen met een ontheffing op grond van artikel 4:3, vierde lid, van de Wft. Op dit moment geldt al de eis dat beleidsbepalers van deze platformen betrouwbaar zijn. Vanaf 1 januari 2016 zullen aangescherpte eisen gaan gelden op grond van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Een van deze eisen is dat de bestuurders en leden van de raad van commissarissen geschikt zijn. Zowel de betrouwbaarheid als de geschiktheid wordt door de AFM getoetst. Voor de toetsing van de betrouwbaarheid geldt een standaardtarief van € 1 000 per beleidsbepaler, dat is afgestemd op de kosten van de werkzaamheden die worden verricht. De beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A8.01 is aangepast zodat ook de toetsing van de betrouwbaarheid van beleidsbepalers van crowdfunding-platformen daaronder komt te vallen.

Voor de toetsing van de geschiktheid zal de AFM een tarief van € 1 200 per beleidsbepaler in rekening brengen. Voor de hoogte van dit tarief is aangesloten bij het tarief voor het toetsen van de geschiktheid van beleidsbepalers van financiëledienstverleners. De beleidsbepalers van crowdfunding-platformen zullen op dezelfde wijze getoetst worden als de beleidsbepalers van financiëlediensverleners. De beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A8.04 is aangepast zodat ook de toetsing van de geschiktheid van beleidsbepalers van crowdfunding-platformen daaronder komt te vallen.

Op grond van artikel 5:29 van de Wft dient de betrouwbaarheid van beleidsbepalers van een gereglementeerde markt buiten twijfel te staan. Dit wordt allereerst getoetst door de AFM in het kader van de vergunningverlening. Het betreft de eenmalige toezichthandeling Wft.A2.11. Het komt echter ook voor dat de AFM de betrouwbaarheid van beleidsbepalers los van een vergunningaanvraag toetst. Voor de toetsing van de betrouwbaarheid geldt een standaardtarief van € 1 000 per beleidsbepaler, dat is afgestemd op de kosten van de werkzaamheden die worden verricht. De beschrijving van de eenmalige toezichthandeling Wft.A8.01 is aangepast zodat ook de toetsing van de betrouwbaarheid van beleidsbepalers van gereglementeerde markten daaronder komt te vallen.

P

In onderdeel B, tweede lid, is voorgesteld om de toezichtcategorieën beheerders van beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen niet voor eigen rekening en beleggingsondernemingen voor eigen rekening van DNB samen te voegen. De maatstaf voor het bepalen van de heffing voor deze partijen is een combinatie van het soort activiteiten waarvoor zij een vergunning hebben en het «beheerd vermogen». Voor verschillende partijen in deze categorie is nader gespecificeerd wat onder «beheerd vermogen» wordt verstaan. Voor beleggingsondernemingen voor eigen rekening was gekozen voor de specificatie «eigen vermogen». De maatstaf «minimum aan te houden toetsingsvermogen dat door DNB is vastgesteld» blijkt echter een betere afspiegeling te geven van de relatieve omvang van de beleggingsondernemingen voor eigen rekening onder elkaar. Het gaat dan om het bedrag aan toetsingsvermogen dat de beleggingsondernemingen van DNB minimaal moeten aanhouden. De omvang van het minimum aan te houden toetsingsvermogen van de beleggingsondernemingen voor eigen rekening verhoudt zich minder goed tot het vermogen van de andere partijen in deze categorie. Het vermogen is in verhouding te klein. Om ook tot een redelijke afspiegeling van de omvang van de beleggingsondernemingen voor eigen rekening ten opzichte van die partijen te komen, is als maatstaf gekozen voor «honderd maal het minimum aan te houden toetsingsvermogen».

Q tot en met S

Deze onderdelen betreffen redactionele verbeteringen.

T

Ingevolge artikel 3:20 van de Wfm BES wordt een financiële onderneming met zetel in het buitenland (dat wil zeggen buiten Caribisch Nederland), die in Caribisch Nederland werkzaam is door middel van een bijkantoor, vermoed aan de toepasselijke prudentiële regels te voldoen indien zij in de staat van haar zetel een vergunning heeft en aldaar onder prudentieel toezicht staat. Dit zogeheten bewijsvermoeden is geen onweerlegbare aanname. Het laat onverlet dat DNB bevoegd is rechtstreeks informatie in te winnen over de financiële situatie bij de financiële onderneming (dat wil zeggen het buiten Caribisch Nederland gevestigde hoofdkantoor, dat immers de houder is van de ten behoeven van het bijkantoor verleende vergunning) en gebruik te maken van de overige bevoegdheden die DNB of de door haar aangewezen toezichthouders op grond van artikel 1:7 en hoofdstuk 7 van de Wfm BES bij de uitoefening van haar toezicht ter beschikking staan. Om dit laatste buiten twijfel te stellen wordt het in artikel 3:20, eerste lid, expliciet vastgelegd.

U

A

In artikel 1 van hoofdstuk 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voor een aantal besluiten geregeld dat daartegen geen beroep kan worden ingesteld. Het gaat om besluiten die zijn genomen op grond van artikelen die daar zijn opgesomd. Een van die artikelen is artikel 13, derde lid, van de Wbft. Deze bepaling heeft sinds 1 januari 2015 een andere inhoud, waardoor er geen reden meer is om de bepaling te noemen in bijlage 2 bij de Awb. Gehandhaafd blijft, dat geen beroep openstaat tegen besluiten tot goedkeuring of onthouding van goedkeuring van de begroting van de AFM en DNB (als bedoeld in artikel 29 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen) en van de jaarrekening van de AFM en de verantwoording van DNB (als bedoeld in artikel 34, tweede lid, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen). Naar deze besluiten wordt verwezen in de artikelen 3 en 6 van de Wbft.

B

De voorgestelde wijziging van de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Awb strekt tot aanpassing van een te ruime verwijzing naar de Sanctiewet 1977. Met die verwijzing was slechts beoogd voor handhavingsbesluiten dezelfde bijzondere rechtsgang te regelen als voor dergelijke besluiten op grond van de Wft, de Wet toezicht trustkantoren en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Een daartoe strekkende beperking wordt met de voorgestelde wijziging alsnog ingevoegd. Voor andere besluiten op grond van de Sanctiewet 1977, met name aanwijzingsbesluiten in de zin van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II, dient de reguliere rechtsgang van artikel 8:6 Awb te gelden.

V

In het overgangsrecht dat is opgenomen in de Wbfo werd per abuis twee keer verwezen naar artikel 1:128, tweede lid, van de Wft, waar was bedoeld te verwijzen naar het eerste lid van artikel 1:128. Deze wijziging zorgt ervoor dat wordt verwezen naar artikel 1:128, eerste lid, onderdeel b, van de Wft, waarin is bepaald wat het gevolg van staatsteun in verband met de financiële stabiliteit is op de vaste beloningen.

W

In dit artikel wordt een overgangsbepaling voorgesteld voor het verkorten van de roulatietermijn van de externe accountant van zeven naar vijf jaar. Het ontbreken van een overgangsbepaling zou er toe leiden dat een externe accountant, die op de datum van inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 24, eerste lid, van de Wta, voor het zesde of zevende jaar een wettelijke controle verricht, op dat moment zijn werkzaamheden direct moet beëindigen. Er is dan geen mogelijkheid voor de externe accountant om zijn controle af te ronden. Op grond van de voorgestelde overgangsbepaling blijft de roulatietermijn van zeven jaar gelden voor wettelijke controles die betrekking hebben op een boekjaar dat reeds is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 24, eerste lid, van de Wta.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Onder andere het Besluit beheerst beloningsbeleid en de Regeling beheerst beloningsbeleid.

X Noot
2

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L176).

X Noot
3

Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L176).

X Noot
4

Gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PbEU 2015, L 11).

X Noot
5

Richtlijn 2014/59/EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L173).

X Noot
6

Richtlijn 2009/138/EG van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (PbEU 2009, L 335).

X Noot
7

HvJEG 7 februari 1985, C-135/83 (Abels), LJN AB9660; ECLI:NL:HR:1985:AB9660.

X Noot
8

Verordening (EU) Nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU L 225).

X Noot
9

Zie ook de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet financiële markten 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3).

Naar boven