Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 november 2016
Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie
voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking inzake wetsvoorstel
34 158 (Voorstel van rijkswet van het lid Taverne tot wijziging van de Rijkswet goedkeuring
en bekendmaking verdragen in verband met het informeren van de Staten-Generaal over
een ieder verbindende bepalingen van verdragen). In dit verslag zijn enkele vragen
gesteld aan de regering. Het betreft vragen over de gevolgen van het voorstel voor
de extra jaarlijkse werklast voor departementale ambtenaren, de effectiviteit van
verdragssamenwerking en de praktijk van voorlopige toepassing van verdragen. Met deze
brief beantwoord ik deze vragen.
Extra werklast
De regering staat positief tegenover een verzwaarde informatieplicht ten aanzien van
mogelijk een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Inderdaad vereist een meer
structurele aandacht voor deze bepalingen een extra inspanning met betrekking tot
het opstellen van de goedkeuringsstukken. Ambtenaren zullen teksten van alle verdragen
moeten onderzoeken op een ieder verbindende bepalingen, en in geval van mogelijke
eeniederverbindendheid de reikwijdte van die eeniederverbindendheid moeten motiveren.
Dit geldt uiteraard ook voor ambtenaren, die werkzaam zijn voor de andere landen van
het Koninkrijk.
In de huidige goedkeuringspraktijk wordt onderzoek gedaan naar de strekking van een
ieder verbindende bepalingen, bijvoorbeeld bij mensenrechtenverdragen, en de mogelijke
strijd van deze bepalingen met bestaande nationale wetgeving. Vanuit die invalshoek
bezien bouwt de informatieplicht van het voorstel voort op de huidige praktijk van
onderzoek naar de strekking en de gevolgen van een verdrag en de neerslag daarvan
in de goedkeuringsstukken.
Het voorstel zal naar de inschatting van de regering niet leiden tot een toename van
het aantal verdragen dat ter goedkeuring aan het parlement zal moeten worden voorgelegd.
De uitzonderingen, ingevolge de Rijkswet, op het goedkeuringsvereiste blijven door
het voorstel ongewijzigd; technische, en soms zeer omvangrijke, uitvoeringsverdragen
en verdragen tot wijziging van technische bijlagen bij verdragen zullen, ook als zij
een ieder verbindende bepalingen bevatten, niet aan het parlement ter goedkeuring
hoeven te worden voorgelegd.1 Door behoud van de uitzonderingen op het goedkeuringsvereiste wordt een sterk verhoogde
werklast voorkomen.
De hoeveelheid tijd van ambtenaren die op jaarbasis gemoeid zal zijn met een studie
naar mogelijk een ieder verbindende bepalingen, is vooralsnog lastig in te schatten.
De duur en intensiteit van deze studies is namelijk mede afhankelijk van de totale
hoeveelheid verdragen op jaarbasis, de aard, complexiteit en omvang van de verdragen.
Effectiviteit verdragssamenwerking
Het voorstel vraagt enige inspanning en daarmee enige tijd tijdens de ambtelijke voorbereiding
van goedkeuringsstukken. Of het proces van goedkeuring en ratificatie zal worden vertraagd,
hangt af van het parlement. Het parlement bepaalt immers of eventuele aanwezigheid
van een ieder verbindende bepalingen in een verdrag aanleiding zou zijn om, in geval
dat verdrag stilzwijgend is voorgelegd, de stilzwijgende procedure om te zetten in
een uitdrukkelijke. Het voorstel zal echter niet leiden tot een toename van het aantal
parlementaire procedures doordat de uitzonderingen op het goedkeuringsvereiste ongewijzigd
blijven: de regering blijft door het voorstel bijvoorbeeld in staat in spoedgevallen
op zeer korte termijn verdragen te sluiten, zoals de MH17-verdragen met Oekraïne en
Australië.
Praktijk voorlopige toepassing van verdragen
Verdragen, die bepalingen bevatten die afwijken van de Grondwet of tot zodanig afwijken
noodzaken kunnen niet voorlopig worden toegepast. Ook verdragen met een ieder verbindende
bepalingen, die afwijken van de wet of tot zodanig afwijken noodzaken kunnen niet
voorlopig worden toegepast. Wanneer de regering overgaat tot voorlopige toepassing
van een verdrag wordt daarvan onverwijld mededeling gedaan aan het parlement.2 In dat geval legt de regering het verdrag na totstandkoming zo spoedig mogelijk ter
goedkeuring voor aan het parlement, om de duur van de voorlopige toepassing zoveel
mogelijk te beperken. Het voorstel heeft geen andere gevolgen voor de praktijk van
voorlopige toepassing, dan dat het parlement bij de voorlegging in de goedkeuringstukken
zal worden geïnformeerd over mogelijk een ieder verbindende bepalingen, die al dan
niet voorlopig worden toegepast.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
A.G. Koenders