34 124 Beleidsdoorlichting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Nr. 38 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 24 april 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 8 januari 2026 inzake de Beleidsreactie Periodieke Rapportage artikel 4 «Vrede, Veiligheid en Duurzame ontwikkeling» (Kamerstuk 34 124, nr. 35).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 24 april 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Den Hollander

De griffier van de commissie, Prenger

Vragen en antwoorden

1

Welke concrete maatregelen zijn naar aanleiding van de evaluatie voorzien om lokalisering te verbeteren? Hoe gaat u in artikel 4 meer aandacht geven aan het versterken van nationale en lokale overheidsstructuren?

Antwoord

Omdat de beleidsdoorlichting van de IOB een lange periode betrof, namelijk 2015–2022, is in de kabinetsreactie al ingegaan op welke wijze opvolging is gegeven aan de aanbevelingen om lokalisering te verbeteren.

Zo is in de in 2022 herziene veranderingstheorie voor veiligheid en rechtsorde lokalisering als voorwaarde gesteld voor het werken in fragiele contexten. Het versterken van lokaal eigenaarschap wordt inmiddels als resultaatgebied aangemerkt bij alle nieuwe activiteiten op dit terrein. In de kabinetsreactie is bijvoorbeeld al gewezen op het subsidiebeleidskader «Contributing to Peaceful and Safe Societies (CPSS)», dat in 2024 van start is gegaan. In dit kader is lokalisatie als hoofddoel aangemerkt en is bovendien de IOB-aanbeveling om de looptijd van programma’s te verlengen ook overgenomen: de huidige programma’s hebben een looptijd van acht jaar.

Lokalisering is ook een structureel onderdeel van het beleid en de dialoog die Nederland voert met humanitaire partners – onder andere gekoppeld aan de internationale verplichtingen met betrekking tot lokalisering onder de Grand Bargain.

Ten slotte is er, mede naar aanleiding van de evaluatie, een interne instructie opgesteld over hoe lokalisering in praktijk kan worden gebracht. Hiermee is ook opvolging gegeven aan de aanbeveling van de OESO-DAC Peer Review van 2023.

Door genoemde maatregelen wordt inmiddels een aantoonbaar groter deel van het budget voor zowel humanitaire hulp als vrede, veiligheid en rechtsorde uitgezet via lokale partners. Ook is er meer budget beschikbaar gesteld voor capaciteitsopbouw van lokale partners op vrede, veiligheid en rechtsorde, waaronder nationale en lokale overheden, bijvoorbeeld via het ontwikkelingsprogramma van de VN, UNDP.

2

De directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) concludeert dat de humanitair-ontwikkeling-vredes-nexus nog onvoldoende beleidsmatig is uitgewerkt. Worden de geschetste belemmeringen herkend?

Antwoord

De evaluatie identificeert de verkokerde financieringsstromen als een belemmering voor de beleidsmatige uitwerking van de humanitair-ontwikkeling-vredes-nexus. Een andere uitdaging voor de nexus-aanpak is de inherente spanning tussen het waarborgen van de humanitaire principes – menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid – en de meer politieke inzet van vredesopbouw activiteiten.

De geschetste belemmeringen worden herkend en vormen een blijvende uitdaging, zeker in een tijd van afnemende financiële middelen. Tegelijkertijd is er sinds 2021 wel degelijk vooruitgang geboekt. Partnerorganisaties hebben, mede op aanwijzing van Nederland, zogenaamde nexus-strategieën ingericht en binnen de humanitaire hulp wordt voortgang geboekt om – waar mogelijk – aan te sluiten op duurzame ontwikkeling bij de vormgeving van hulpprogramma’s. Denk hierbij aan het geven van geld in plaats van hulp in natura, zodat ook de lokale economie profiteert van de hulp. Ook zijn bijvoorbeeld in het meerjarige subsidieprogramma voor humanitaire ontmijning middelen beschikbaar zijn gesteld voor nexus-activiteiten, bijvoorbeeld om economische exploitatie van ontmijnd terrein te bevorderen.

Ten slotte is Nederland ook in OESO-DAC verband actief betrokken bij discussies over de nexus-aanpak, met name in relatie tot migratie en de opvang van vluchtelingen.

3

Kunt u toelichten welke maatregelen worden genomen om de interne coherentie binnen uw ministerie te verbeteren, in het bijzonder met betrekking tot de geconstateerde verkokering en thematische financieringsstructuur?

Antwoord

Sinds 2025 werkt het ministerie met integrale landensturing, met als uitgangspunt dat er op landenniveau een meer strategische koppeling wordt gemaakt tussen de politieke en diplomatieke inzet van Nederland, en de inzet van ontwikkelingssamenwerking. Het proces rondom het opstellen van, en het werken met de Meerjaren Landen Strategieën is langs deze lijn verder uitgewerkt, juist om fragmentatie tegen te gaan en effectiever beleid te kunnen voeren met teruglopende middelen. Dit draagt bij aan meer gerichte en coherente programmering. Ik zal deze lijn verder door te trekken en hierbij nog meer aandacht te besteden aan afstemming met andere gelijkgestemde landen.

4

Welke stappen worden gezet om overlap en duplicatie van projecten en programma’s, zoals geconstateerd in de evaluatie, te verminderen?

Antwoord

De afgelopen jaren heeft een grondige doorlichting van het portfolio op het terrein van vrede, veiligheid en rechtsorde al geleid tot een afname van het aantal activiteiten. De onder antwoord 3 genoemde integrale landensturing, in combinatie met centraal beheer van activiteiten die meerdere landen beslaan, maakt dat er beter zicht is op het totale portfolio en er meer ruimte is voor strategische sturing. Bij het starten van nieuwe activiteiten wordt in de interne beoordelingssystematiek bovendien expliciet gereflecteerd op de toegevoegde waarde van een activiteit, ook in relatie tot wat andere departementen en donoren doen.

5

De IOB concludeert dat de doelstelling met betrekking tot de 3D benadering maar in beperkte mate wordt gerealiseerd. Op welke wijze gaat het ministerie in toekomstige missies de samenhang en coördinatie tussen diplomatieke, militaire en ontwikkelingsinspanningen versterken, en welke concrete maatregelen worden daarvoor voorzien?

Antwoord

De IOB-evaluatie waarin werd gerefereerd aan de 3D-benadering, blikte terug op een ander tijdperk, namelijk die van grootschalige 3D-missies in Afghanistan, Irak en Mali. Het veiligheidslandschap is intussen fundamenteel veranderd. Het kabinet streeft in de praktische inzet van buitenlandpolitieke instrumenten onverminderd samenhang na tussen militaire, diplomatieke en ontwikkelingsinzet en volgt hierbij de principes van de geïntegreerde benadering. Ook ontwikkelingssamenwerking richt zich, vanuit het veiligheidsbelang, nadrukkelijk op stabiliteit in prioriteitsregio’s. Daarin zoeken de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Justitie en Veiligheid naar onderlinge aansluiting, bijvoorbeeld via de wekelijkse interdepartementale Stuurgroep Missies en Operaties. Ook de Kamerbrief «Internationale inzet van Nederlandse militairen, civiele experts en politiefunctionarissen 2025–2028» geeft invulling aan deze benadering en is nog steeds leidend.

Naar boven