Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534123 nr. 10

34 123 Regels over het hergebruik van overheidsinformatie (Wet hergebruik van overheidsinformatie)

Nr. 10 AMENDEMENT VAN DE LEDEN SCHOUW EN VOORTMAN

Ontvangen 3 juni 2015

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Na artikel 14c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14d Samenloop Wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik

Indien het bij koninklijke boodschap van 9 december 2014 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik (Kamerstukken 34 106), tot wet is of wordt verheven en in werking is gereden of in werking treedt, wordt in artikel 4, vierde en vijfde lid, van deze wet «vier weken» telkens vervangen door: twee weken.

Toelichting

Dit amendement regelt dat de beslistermijn voor met een publieke taak belaste instellingen voor een verzoek om hergebruik verkort wordt van vier tot twee weken indien de koppeling met de dwangsom wegvalt. Een dergelijke instelling heeft daarmee, inclusief de nieuwe termijn die geldt voor verdaging, ten hoogste vier weken om te beslissen op een verzoek om hergebruik. Daarmee wordt de termijn teruggebracht naar de beslistermijnen die ook golden voor Wob-verzoeken voordat de termijnen omwille van de koppeling met de dwangsom bij niet tijdig beslissen verlengd werden. Nu blijkens de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2014/15, 34 123, nr. 6, p. 2–3) ook voor onderliggende wet die koppeling wegvalt, lijkt het de indieners niet meer dan redelijk ook de termijn in onderliggende wet terug te brengen.

Omdat indieners de termijn pas willen verkorten indien de koppeling met de dwangsom wegvalt, en dit pas het geval is bij inwerkingtreding van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik (Kamerstukken 34 106), regelt dit amendement via een samenloopbepaling dat de termijnen pas worden verkort op het moment dat het voornoemde wetsvoorstel in werking treedt.

Naast het bovenstaande blijkt dat voor Wob-verzoeken in het algemeen – waar op dit moment verzoeken om hergebruik nog steeds onder vallen – het overgrote deel (85 procent) een werklast van maximaal tien werkdagen behelst. Een termijn van twee weken om te beslissen is dan werkbaar en redelijk. Voor meer complexe verzoeken staat dan nog een mogelijkheid tot verlenging met twee weken open. Bovendien stimuleert het terugbrengen van de termijn de betreffende instellingen zoveel mogelijk datasets uit eigen beweging op een online portal, zoals data.overheid.nl, te publiceren. Daarmee neemt het aantal verzoeken af; voor dezelfde materie als steeds afgehandelde verzoeken en andere uit eigen beweging openbaar gemaakte informatie hoeft immers geen verzoek meer ingediend te worden. Dat bevordert zowel het belang van de betreffende instelling als die van geïnteresseerden in hergebruik van die overheidsinformatie zoals ondernemers en journalisten.

Schouw Voortman