In het kader van de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen tussen Nederland
en Zweden brachten op 25 en 26 augustus de Voorzitters van de Eerste Kamer der Staten-Generaal,
mevrouw Broekers-Knol, en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, mevrouw Van Miltenburg,
een bezoek aan de Rijksdag in Zweden. De delegatie bestond verder uit de voorzitter
van de commissie Europese Zaken van de Eerste Kamer, mevrouw Strik, en de voorzitter
van de commissie Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer, mevrouw Eijsink. De delegatie
werd ambtelijk begeleid door de Griffier van de Eerste Kamer, de heer Hamilton, EU-adviseur
van de vaste commissie voor Europese Zaken, mevrouw Seriese en mevrouw Pos, Bureau
Protocol. Zeer gewaardeerde ondersteuning ter plaatse en in de voorbereiding werd
verleend door ZM Ambassadeur te Stockholm, de heer De Heer, en zijn medewerkers, in
het bijzonder mevrouw Van Stegeren.
De Voorzitter van de Eerste Kamer, Broekers-Knol
De Voorzitter van de Tweede Kamer, Van Miltenburg
De Griffier van de Eerste Kamer, Hamilton
De Griffier van de Tweede Kamer, Biesheuvel-Vermeijden
Het werkbezoek stond in het teken van de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen
tussen Nederland en Zweden. De Nederlandse Staten-Generaal speelden bij de totstandkoming
van het Verdrag inzake de vestiging van diplomatieke betrekkingen een belangrijke
rol: de Voorzitter van de Staten-Generaal was namens Nederland ondertekenaar. Om dit
te onderstrepen overhandigden de beide Voorzitters aan hun Zweedse evenknie, de heer
Westerberg, een facsimile van het Verdrag. Ook werd een exemplaar ten geschenke gegeven
aan het Nationaal Archief in Stockholm. Het aldaar oorspronkelijk ook bewaarde exemplaar
van het Verdrag is in de achttiende eeuw bij een brand verloren gegaan.
In een korte briefing ging de ambassadeur van Nederland onder andere in op de politieke
situatie in Zweden. De aanstaande verkiezingen aldaar leiden vanzelfsprekend tot veel
debat, en de peilingen wijzen erop dat de regerende conservatieve alliantie na acht
jaar plaats moet maken voor een sociaal-democratische regering.
Hoewel in de gesprekken die zijn gevoerd met de voorzitter van de Zweedse Rijksdag, Westerberg, en de drie ondervoorzitters Eberstein, Holm en Ertsborn, eveneens werd
stilgestaan bij de komende verkiezingen, lag het zwaartepunt daarin op de samenwerking
tussen de nationale parlementen in de Europese Unie. Van beide kanten werd benadrukt
dat deze van groot belang is en ook meer gewicht zou moeten krijgen. Dat geldt zowel
voor de relatie met de Europese Commissie als voor die met het Europees parlement.
Het doel moet niet zijn elkaar te bevechten maar te beïnvloeden. Daarvoor is de subsidiariteitstoets
sinds het Verdrag van Lissabon een belangrijk instrument, maar ook inhoudelijk moet
er meer dialoog komen tussen nationale parlementen en de Europese instellingen. Westerberg bracht naar voren dat de zgn. artikel 13 conferentie een grotere rol zou kunnen gaan
spelen als een soort Europese senaat. Van Nederlandse kant werd naar voren gebracht dat het belangrijk is dat vertegenwoordigers van nationale
parlementen elkaar vaker ontmoeten, de COSAC-bijeenkomsten beter benutten en sturen
en dat de vertegenwoordigingen van de nationale parlementen in Brussel hierin een
belangrijke rol vervullen. De in het rapport Voorop in Europa (Kamerstuk 33 936) gedane aanbevelingen dragen hieraan bij. De Zweedse gesprekspartners hebben hiervan
met veel belangstelling kennis genomen.
Mevrouw van Miltenburg bracht naar voren dat de Tweede Kamer het bij publicatie van het voorstel voor een
Europees Openbaar Ministerie niet heeft gelaten bij een negatief subsidiariteitsoordeel.
Er is ook gewerkt aan elementen voor een nieuw voorstel, die bij andere nationale
parlementen en de Europese instellingen in bespreking worden gebracht.
Mevrouw Broekers-Knol onderstreepte het belang van een adequate behandeling van subsidiariteitsbezwaren
door de Europese Commissie. In de hoorzittingen met de nieuw te benoemen Europees
Commissarissen zou dit door het Europees parlement indringend naar voren dienen te
worden gebracht.
In het gesprek met de Minister van Handel, mevrouw Björling, is stilgestaan bij de aanstaande verkiezingen, de omvangrijke vluchtelingenstroom
naar Zweden en de uitdagingen die deze met zich meebrengt als het gaat om huisvesting
en werkgelegenheid. Onderwerpen met een Europese dimensie waren de interne markt,
de samenhang binnen de EU, de sancties tegen Rusland en het verloop van de onderhandelingen
over het partnerschap tussen de EU en de Verenigde Staten inzake trans-Atlantische
handel en investeringen (TTIP).
Met de voorzitter van de parlementaire commissie Buitenlandse Zaken, mevrouw Arkelsten, is gesproken over de neutrale positie van Zweden ten opzichte van de NAVO en de
samenwerking tussen Zweden en Nederland op het terrein van buitenlands en veiligheidsbeleid.
Ook de ontwikkelingen in de relatie met Rusland en de situatie in Oekraïne kwamen
aan de orde.
In een briefing door de waarnemend directeur van het Stockholm International Peace
Research Institute (SIPRI), de heer Anthony, werden de activiteiten van het nieuwe Europese Veiligheidsprogramma van dit instituut
belicht. Hij onderstreepte het belang van de integrale benadering en de gerichte besteding
van defensiebudgetten. Hij ging eveneens in op de rol van Zweden in de NAVO en de
EDA (European Defence Agency).