Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534103 nr. 2

34 103 Initiatiefnota van de leden Sjoerdsma en Servaes: «Wapens en Principes, Ambities voor een geloofwaardig en geharmoniseerd wapenexportbeleid in Europa»

Nr. 2 INITIATIEFNOTA

1. Inleiding

Jaarlijks exporteren landen voor miljarden aan wapens, variërend van kleine wapens en munitie tot oorlogsschepen en militaire vliegtuigen. Koploper is de Verenigde Staten gevolgd door Rusland als grootste wapenexporteur ter wereld. De waarde van door de EU afgegeven wapenexport-vergunningen schommelt sinds 2008 tussen de € 30 en 40 miljard per jaar. Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje zijn momenteel de grootste exporteurs van militaire goederen in de EU.

Nederland stond in 2012 op een achtste plaats binnen de EU met een waarde van € 941 miljoen aan afgegeven vergunningen.1 De export van wapens bestaat zowel uit militaire goederen die worden af gestoten als door directe leveranties. De wapenexportindustrie heeft daarmee een belangrijke economische waarde, schept werkgelegenheid en jaagt innovatie aan. De Nederlandse wapenexportindustrie is daarmee van groot economisch belang voor Nederland en een noodzakelijke voorwaarde voor de continuïteit van de bestaande kennisbasis.2

Waar de economische belangen dus aanzienlijk zijn, is het tegelijkertijd noodzakelijk dat er goede controle plaatsvindt van de wapenexport. Voorkomen moet worden dat wapens die Nederland exporteert gebruikt worden voor de onderdrukking van de lokale bevolking, het aanwakkeren van regionaal conflict of via-via in handen vallen van kwaadwillenden. Dergelijke controles dienen de veiligheidsbelangen en bescherming van de mensenrechten. Indieners van deze nota onderkennen dit spanningsveld en onderstrepen het belang van een zorgvuldige afweging wanneer wel of niet over te gaan tot het verlenen van een exportvergunning.

Indieners zien urgentie om Europees tot een gezamenlijke aanpak te komen. Onwenselijk is immers dat situaties ontstaan waarbij de ene lidstaat besluit niet te leveren, bijvoorbeeld vanwege het risico van ernstige mensenrechtenschendingen, terwijl de andere lidstaat wapenexport juist wel toestaat. Een dergelijk verschil in interpretatie leidt tot onduidelijke en verkeerde signalen van Europa. Dat ondermijnt het Europees buitenlandbeleid. Het ondermijnt ook het gelijke speelveld waardoor sommige landen een oneigenlijk concurrentievoordeel of -nadeel genieten.

EU-lidstaten hechten aan hun individuele beslissingsbevoegdheid voor het afgeven van een exportvergunning. Het vergunningenbeleid is een nationale aangelegenheid en als zodanig in het EU-verdrag vastgelegd. Echter, om interpretatieverschillen en een race to the bottom te voorkomen is het wel noodzakelijk om tot een eenduidige interpretatie van de geldende wapenexportcriteria te komen. Dat is nu vaak niet het geval (zie voorbeelden onder 3b). Indieners zijn daarom van mening dat het wenselijk is om het wapenexportbeleid op Europees niveau verder te harmoniseren, in eerste instantie binnen de bestaande (Verdrags-) kaders.

Deze initiatiefnota bevat vijf voorstellen waarvan indieners menen dat zij bijdragen aan een geloofwaardiger en eenduidiger Europees wapenexportbeleid dat tegelijkertijd de concurrentiepositie van de Nederlandse defensie- en wapenindustrie binnen Europa versterkt. De voorstellen betreffen:

  • i. Oprichting van een onafhankelijke Europese wapenexportautoriteit, onder de verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die in geval van conflicterende afwegingen tussen lidstaten tot advies komt.

  • ii. Right to challenge: mogelijk maken om besluiten tot het verlenen van een wapenexportvergunning van andere lidstaten te laten toetsen door de wapenexportautoriteit wanneer twijfel bestaat over de verenigbaarheid met EU-afspraken.

  • iii. Openbare consultaties met mensenrechtenorganisaties en de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa en van de VN om meer invulling te geven aan de toetsingscriteria van het Europees Gemeenschappelijk Standpunt (EUGS) inzake wapenexport.

  • iv. Verbetering van controle na levering zodat niet alleen vooraf maar ook achteraf gecontroleerd wordt op het eindgebruik van geleverde wapens.

  • v. Automatisch bevriezen van leveringen van al gesloten deals indien sprake is van een wapenembargo.

2. Doel van deze initiatiefnota

Indieners zijn van mening dat het kabinet meer invulling kan en moet geven aan haar ambitie om tot een werkelijk geharmoniseerd Europees wapenexportbeleid te komen.

In haar brief van 3 juli 20143 noemt het kabinet een eenduidige implementatie van het EUGS een belangrijk aandachtspunt. Het kabinet benoemt een aantal resultaten die op dit vlak reeds geboekt zijn, vooral door het beter functioneren van de Brusselse Raadswerkgroep COARM. Ook stelt het kabinet dat het mogelijk en wenselijk is om de implementatie van het EUGS verder te harmoniseren en geeft aan via een aantal initiatieven daaraan een bijdrage te leveren, zoals een meer gelijksoortige implementatie van raadsconclusies over wapenembargo’s, meer transparantie in geval van afgewezen vergunningen, betere werkmethoden van de COARM en verbetering van de gebruikersgids voor toepassing van het EUGS.

Indieners spreken hun waardering uit voor bovenstaande inzet, maar zijn van mening dat het ambitieniveau omhoog moet om daadwerkelijk stappen te kunnen zetten om het wapenexportbeleid in Europa te harmoniseren en te verbeteren. Indieners zijn van mening dat daartoe ten minste een aanscherping van procedures en een versterking van instituties, in het bijzonder de oprichting van een Europese wapenexportautoriteit, nodig zijn.

Indieners beogen met deze initiatiefnota een kabinetsinzet voor een eenduidiger Europees wapenexportbeleid mee te geven. Zij doen daartoe een vijftal voorstellen waarmee het kabinet die versterkte ambitie kan tonen. Indieners zijn van mening dat deze stappen essentieel zijn voor een geloofwaardig gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid. Ook dragen de voorstellen bij aan het creëren van een gelijk speelveld voor Europese bedrijven, waarbij het behoud van een competitieve sector hand in hand gaat met het tegengaan van onwenselijke export van goederen die ingezet kunnen worden voor onder meer mensenrechtenschendingen of interne repressie.

Indieners roepen het kabinet op de in deze initiatiefnota genoemde voorstellen over te nemen en op zoek te gaan naar draagvlak bij andere lidstaten. Het Nederlands EU-voorzitterschap in 2016 is een uitgelezen richtpunt voor het kabinet om tot resultaten te komen.

3. Europese wapenexport

3a. Het Europees Gemeenschappelijk Standpunt (EUGS) inzake wapenexport

Alle Europese lidstaten wegen een vergunningsaanvraag aan de hand van het Europees Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport (2008/944/GBVB). Het EUGS bevat acht criteria die door de Europese Raden in Luxemburg en Lissabon in 1991 en 1992 overeen gekomen zijn. De criteria zijn in 1998 vastgesteld in een Gedragscode. In 2008 is die gedragscode herzien en vervolgens opgenomen in het EUGS (2008/944/GBVB van december 2008). De EUGS-criteria zijn:

  • 1. Respect voor internationale verplichtingen van de lidstaten.

  • 2. Eerbiediging van de mensenrechten in het land van eindbestemming.

  • 3. De spanningen of gewapende conflicten in het land van eindbestemming.

  • 4. De mate waarin de wapenleverantie van invloed is op de vrede en veiligheid in de regio.

  • 5. De nationale veiligheid van de lidstaten en bondgenoten.

  • 6. Het gedrag van het land van eindbestemming ten opzichte van de internationale gemeenschap, vooral de houding ten aanzien van terrorisme, de aard van zijn bondgenootschappen en de eerbiediging van het internationaal recht.

  • 7. Risico van omleiding van de goederen binnen het land, of re-export onder ongewenste omstandigheden.

  • 8. Verenigbaarheid van de wapenexport met de technische en economische capaciteit van het ontvangende land (duurzame ontwikkeling).

Toetsing van wapenexport aan de acht criteria uit het EUGS is verplicht voor alle Europese lidstaten. De eerste vier criteria zijn verbodscriteria, de andere vier criteria ter overweging. Dit betekent dat zij wel degelijk meewegen in de toetsing, maar bij negatieve toetsing niet automatisch tot een negatief advies hoeven te leiden. Er bestaan richtlijnen voor de toepassing van de criteria, de zogenaamde Gebruikershandleiding, maar er bestaat geen kader voor het gewicht dat aan niet-verbodscriteria dient te worden toegekend. Daardoor is het soms onduidelijk in hoeverre negatieve scores op niet-verbodscriteria zijn afgewogen tegen andere belangen die landen nastreven.

EU-samenwerking inzake exportcontrole op conventionele wapens vindt onder meer plaats in de Raadswerkgroep conventionele wapenexport, COARM. Namens Nederland nemen vertegenwoordigers van Buitenlandse Zaken deel aan COARM-vergaderingen. In COARM wisselen de lidstaten, in het kader van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) van de EU, informatie uit over hun wapenexportbeleid en trachten zij dit beleid en de daarop betrekking hebbende procedures beter op elkaar af te stemmen. Ook wordt daar maandelijks het exportbeleid door de lidstaten besproken ten aanzien van de implementatie van het EUGS.

Afwijzingen van vergunningsaanvragen voor militair materieel dienen aangemeld te worden bij de centrale databank van afwijzingen die wordt beheerd door de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO).4 Door middel van een notificatie kunnen andere lidstaten kennis nemen van de afwijzing en indien zij een vergunning overwegen dienen zij verplicht over te gaan tot consultatie bij de lidstaat die al heeft afgewezen.5 Het doel daarvan is dat andere lidstaten zich daaraan kunnen houden indien zij te maken krijgen met identieke vergunningaanvragen waarbij het product, de eindgebruiker en het eindgebruik hetzelfde is.

In 2012 heeft een evaluatie van het EUGS plaatsgevonden met als uitkomst dat het EUGS weliswaar voldoet aan haar doelstelling, namelijk dat het de basis vormt van een gecoördineerd exportbeleid. Tegelijkertijd is geconstateerd dat in de werkwijze van de Raadswerkgroep COARM nog ruimte voor verdere harmonisatie bestaat. Zo verloopt de notificatie in geval van afgewezen vergunningen niet altijd volgens de afspraken. Ook geven diverse landen onvoldoende informatie over feitelijke leveringen en kan de databank informatie over vergunningen voor meerdere bestemmingen of voor meerdere soorten wapens niet verwerken.

Een ander zwakte in het systeem is dat wanneer de situatie in het land van bestemming zodanig gewijzigd is dat een exportvergunning wel aan de orde kan zijn, afgeweken kan worden van eerdere besluiten door andere lidstaten. Lidstaten beslissen hier echter zelf over en de afspraak dat na de consultatie het uiteindelijke besluit met een korte motivering aan alle lidstaten bekend wordt gemaakt, wordt in de praktijk lang niet altijd uitgevoerd.

3b. Voorbeelden: waar ging het mis?

De beoordeling van leveringen naar gevoelige bestemmingen blijkt een delicate afweging. Het uiteenlopen van beslissingen laat zien dat sprake is van een ongelijke interpretatie van toetsingscriteria. De verschillen in de interpretatie van de politieke toestand in derde landen zijn soms aanzienlijk tussen de Europese lidstaten. Een aantal voorbeelden illustreert de problematiek van het huidige wapenexportbeleid waarbij lidstaten er verschillende interpretaties van criteria op nahouden:

  • In 2002 leverde België 5500 FN-machinegeweren aan Nepal, terwijl Duitsland die levering geweigerd had vanwege de mensenrechtensituatie (criterium 2) en interne spanningen (criterium 3).6

  • In 2008 bleek dat militaire voertuigen werden geleverd vanuit België via Frankrijk aan het leger in Tsjaad. Sommige lidstaten zoals Frankrijk, Bulgarije en Portugal vonden levering mogelijk, terwijl andere lidstaten zoals Roemenië, Tsjechië en Duitsland juist weigerden militair materieel te leveren aan Tsjaad vanwege mensenrechtenschendingen, risico van interne en regionale conflicten en veiligheidsbelangen van de EU en hun bondgenoten.7

  • Ook de levering van militair materieel door België aan Libië in 2009 was omstreden. Het Verenigd Koninkrijk had een soortgelijke levering juist geweigerd.8

  • Nederland leverde in 2012 wegens het risico van mensenrechtenschendingen geen Leopard tanks aan Indonesië. Duitsland deed dat vervolgens wel.9

  • In 2013 besloot de EU wapenexport naar en veiligheidssamenwerking met Egypte op te schorten. Dat standpunt werd begin 2014 bevestigd. Toch gingen lidstaten daarna over tot de verkoop van o.a. marineschepen en gezamenlijke militaire oefeningen.

  • Terwijl de EU en VS proberen om president Poetin tot de orde te roepen voor de Russische agressie jegens de Oekraïne, wilde Frankrijk in 2014 twee Mistral-class amfibie aanvalsschepen leveren aan Rusland. Onder zware druk van NAVO-bondgenoten is besloten de levering aan de Russen voorlopig op te schorten.10

Zulke voorbeelden laten zien dat door de vele miljarden euro’s die gemoeid zijn met wapenexport een disbalans op de loer ligt tussen de zogeheten koopman die geld wil verdienen en de dominee die de integriteit van de handel wil bewaken. Dat spanningsveld kan ertoe leiden dat bij weging van de beslissing om een wapenexportvergunning af te geven, de koopman de overhand heeft in plaats van de bescherming van mensenrechten of het risico op gewapende conflicten.

4. Voorstellen

De controle van wapenexport dient door alle lidstaten consistent en transparant te worden toegepast. Een bindend Europees advies voor alle lidstaten zou die consistentie doeltreffend tot stand kunnen brengen. Indieners beschouwen het als een stip op de horizon die binnen het huidige Verdrag, dat immers de afgifte van wapenexportvergunningen als een nationale competentie beschouwt, echter niet reëel is. Daarom richten indieners zich in deze nota op een voorstellen die in juridische zin weliswaar niet bindend zijn, maar de politieke weging van de EUGS-criteria versterken, de peer pressure tussen lidstaten vergroten en daarmee de kans op afwijkende oordelen over de toelaatbaarheid van wapenleveranties beperken.

4a. Onafhankelijk advies wapenexportautoriteit

Een uniforme toepassing van het EUGS kan worden bevorderd door een onafhankelijke Europese wapenexportautoriteit op te richten. Het betreft een onafhankelijke scheidsrechter die lidstaten adviseert in het geval wapenexport vanuit de EU dreigt te conflicteren met de Europese criteria.

De wapenexportautoriteit treedt op als onafhankelijk adviseur in het geval een lidstaat overweegt in te stemmen met een vergunningsaanvraag voor een bepaald land terwijl een vergelijkbare aanvraag eerder door een andere lidstaat is afgewezen. De autoriteit maakt hierbij gebruik van de notificaties die lidstaten op dit moment al verplicht zijn te doen wanneer zij een exportvergunning geweigerd hebben (denials). De autoriteit ziet toe op de verbetering van het functioneren van de centrale databank (digitalisering, vereenvoudiging en verheldering van de verzamelde informatie) en kan lidstaten aansporen om (aanvullende) informatie te verschaffen.

Zodra de onafhankelijke wapenexportautoriteit geconfronteerd wordt met een voornemen van een lidstaat om af te wijken van een afwijzing van een andere lidstaat, buigt deze zich over de aanvraag en toets deze opnieuw aan de acht criteria van het EUGS. Het onafhankelijke advies wordt openbaar gemaakt en vervolgens automatisch geagendeerd in de Raad Buitenlandse Zaken. Daar kunnen lidstaten elkaar bevragen en, indien opportuun, de uitkomst van de exercitie bekrachtigen in Raadsconclusies.

De wapenexportautoriteit functioneert onder de verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Door dicht bij de HV te functioneren wordt maximale aansluiting gevonden bij het gemeenschappelijke buitenlandbeleid en kan gebruik gemaakt worden van bestaande kennis en faciliteiten. Voor de precieze opzet van de autoriteit kunnen verschillende opties worden overwogen zoals een drie leden tellende «commissie van wijzen», voorgedragen door de Europese Raad, de Europese Commissie en het Europees parlement.

4b. Right to challenge: toetsing besluit andere lidstaat

Het inwinnen van onafhankelijk advies over de wenselijkheid van wapenexport aan een bepaald land kan ook worden gevraagd in het geval een lidstaat voornemens is een levering te doen, maar er nog geen notificatie over eerdere afwijzingen bestaat. De huidige systematiek voorziet niet in een dergelijk scenario.

Wanneer een of meerdere lidstaten twijfels hebben bij het besluit van een andere lidstaat om afgifte van een vergunning over te gaan en hoe dit besluit zich verhoudt tot het EUGS en/of tot concrete afspraken gemaakt in de Raad Buitenlandse Zaken, kunnen zij om een onafhankelijk advies van de Europese wapenexportautoriteit vragen. De procedure verloopt hierna hetzelfde als hierboven beschreven, dus ook in dit geval volgt na het advies agendering in de Raad Buitenlandse Zaken.

Met de introductie van dit «right to challenge» hopen indieners te voorkomen dat in gevallen waarin de wenselijkheid van wapenexport naar bepaalde bestemmingen niet helemaal duidelijk is, lidstaten de vlucht naar voren nemen door als eerste te besluiten vergunningen af te geven. Zo’n situatie maakt het voor andere lidstaten lastig om alsnog vergunningen af te wijzen en daarmee hun eigen wapenindustrie voor miljoenen euro’s te benadelen. Deze race to the bottom moet gestopt worden.

4c. Openbare consultatie mensenrechtenorganisaties

Bij beoordelingen van aanvragen voor wapenvergunningen zien we vooral een tegenstrijdige interpretatie van het mensenrechtencriterium. Waar de ene lidstaat een vergunning weigert omdat er risico’s zijn voor mensenrechtenschendingen, voor onderdrukking, marteling, straffeloosheid, geweld, ziet een ander lidstaat nauwelijks of geen bezwaar om diezelfde wapens toch te leveren. Het criterium gaat uit van «het risico dat uit te voeren militaire goederen of technologie gebruikt worden voor binnenlandse onderdrukking». Maar daarmee is niet gegeven dat een exportvergunning ook daadwerkelijk geweigerd hoeft te worden. Dat hoeft alleen als sprake is van een duidelijk risico dat het te exporteren militaire product daar expliciet voor wordt ingezet. Het mensenrechtencriterium kent zo een nogal elastische uitleg en toepassing.

Indieners zijn van mening dat bij het mensenrechtencriterium binnen het EUGS gestreefd moet worden naar een zo uniform mogelijke interpretatie. Zij stellen daartoe de volgende stappen voor:

  • Op voorspraak van de Hoge Vertegenwoordiger wijst de Raad Buitenlandse Zaken jaarlijks een aantal risicolanden voor een nadere duiding van de mensenrechtensituatie en de mate waarin veiligheidsorganisaties (leger, politie) hierin een rol spelen;

  • Voor deze landen wordt vervolgens een openbaar advies gevraagd aan mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch, aan de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en aan de VN Hoge Commissaris voor de mensenrechten;

  • Het resultaat van de consultatie wordt gepubliceerd en aan de lidstaten verstrekt zodat zij dit kunnen gebruiken bij hun oordelen over het al dan niet afgeven van wapenexportvergunningen;

  • Bij een latere toetsing van een besluit door de wapenexportautoriteit kan de consultatie opnieuw gebruikt worden.

Indieners zijn van mening dat op deze wijze het mensenrechtencriterium explicieter en uniformer mee kan wegen in beslissingen van lidstaten over wapenexportvergunningen.

4d. Controle na levering

Bij de uitvoering van het wapenexportbeleid ligt de nadruk op de toetsing vooraf. Daarbij wordt gekeken of te exporteren strategische goederen een bedreiging kunnen vormen voor de nationale of internationale veiligheid. Achteraf vindt echter slechts zeer beperkt controle plaats of het werkelijke eindgebruik overeenstemt met het vooraf opgegeven eindgebruik. Weliswaar wordt in de huidige praktijk aan exporteurs gevraagd om bij reparaties het eindgebruik na te gaan. Maar de verdere mogelijkheden tot een systematische ex-postcontrole bij de eindgebruiker zijn beperkt.

Daardoor ontbreekt een volledig inzicht in de vraag of het daadwerkelijke eindgebruik overeenkomt met het vermelde eindgebruik en of de opgegeven eindgebruiker ook de daadwerkelijke eindgebruiker is geweest. Deze constatering van het IOB in het kader van de beleidsdoorlichting Wapenexportbeleid 2004–2008 is nog steeds aan de orde. Het kabinet gaf destijds in een reactie op de beleidsdoorlichting aan «grote waarde te hechten aan betere ex-post controle en dat zij in lijn met de IOB meent dat internationale en Europese samenwerking hierin uitkomst kan bieden.» 11

Indieners zijn van mening dat actief Europese samenwerking moet worden gezocht voor betere controle na levering. Als werkelijke en opgegeven eindgebruik(er) niet overeenkomen, dan dient ook sprake te zijn van consequenties. Indieners stellen voor dat in dergelijke gevallen in elk geval nader onderzoek plaatsvindt door de Europese wapenexportautoriteit. Bij ernstige afwijkingen kunnen maatregelen worden genomen tegen het ontvangende land, variërend van een waarschuwing tot plaatsing op een zwarte lijst.

4e. Exportbevriezing bij wapenembargo

Een deal kan voldoen aan de acht criteria van het EUGS, maar door snel opeenvolgende ontwikkelingen toch zeer onwenselijk worden. De Franse deal om twee top-of-the-line Mistral-class amfibie aanvalsschepen te leveren aan Rusland is daarvan een helder voorbeeld. Ondanks de hoog oplopende spanningen over de Russische agressie jegens de Oekraïne en Europese sancties tegen Rusland, was Frankrijk aanvankelijk niet voornemens de deal te bevriezen. Pas na zware druk heeft Frankrijk besloten de deal voorlopig op te schorten. Die tweeslachtige houding waarbij enerzijds sprake is van sancties wegens agressie en anderzijds een individuele lidstaat kan besluiten om een significante wapenlevering wegens financiële motieven toch doorgang te laten vinden, ondermijnt de ernst van sancties en tast de geloofwaardigheid van een wapenembargo aan.

Indieners vinden dat indien sprake is van economische en/of militaire sancties en een Europees wapenembargo is afgekondigd, de levering van wapens aan het desbetreffende land automatisch en met terugwerkende moet worden bevroren. Nederland dient zich in Europees verband hard te maken voor deze versterking van het wapenembargo.

5. Waarom Nederland voorop?

Juist Nederland kan en dient zich naar de opvatting van de indieners in Europa als voorvechter in te zetten voor verdere harmonisering van het Europese wapenexportbeleid. Nederland is met transparantie en verantwoording over het wapenexportbeleid al koploper in Europa. Ten eerste informeert Nederland al enige jaren openbaar over de waarde van de afgegeven vergunningen en over afgewezen aanvragen voor militaire goederen. Ten tweede brengt Nederland, in overeenstemming met toezeggingen aan de Kamer, jaarlijkse rapporten uit over de waarde van de export van militaire goederen en over de landen van bestemming. En ten derde maakt Nederland al jarenlang als enige EU-lidstaat de waarde van de exportvergunningen van dual-use goederen openbaar.12

Opeenvolgende kabinetten toonden zich ook actief door voortdurend in verschillende EU-fora meer Europese transparantie te bepleiten. Het resultaat daarvan is de opzet van databanken en het delen van informatie tussen Europese lidstaten. Nederland heeft zich ook ingezet voor aanpassingen in de EU-gedragscode. Dit heeft er onder meer toe geleid dat het mensenrechtencriterium is uitgebreid en ook het handelen in overeenstemming met het humanitaire recht omvat. Ook heeft Nederland zich sterk gemaakt voor het tot stand komen van de zogeheten Gebruikershandleiding voor de implementatie van de EUGS en meegewerkt aan de Gebruikershandleiding voor de criteria mensenrechten, intern conflict en de technische en economische capaciteit (het «OS-criterium»).

In deze traditie en geconfronteerd met de tekortkomingen in de huidige systematiek, geïllustreerd door de in deze nota genoemde voorbeelden, zijn indieners van mening dat het Nederland past om opnieuw het voortouw te nemen om te komen tot geloofwaardig en geharmoniseerd Europees wapenexportbeleid. De voorstellen in deze nota bieden daartoe ambitieuze en concrete handvatten. Indieners nodigen met deze initiatiefnota het kabinet uit de handschoen op te pakken.

6. Financiële gevolgen

De financiële consequenties van de voorstellen zijn afhankelijk van de concrete invulling. De kosten zijn zodoende nog niet bekend.

Sjoerdsma Servaes


X Noot
1

Rapport «Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2013» p. 9.

X Noot
2

Rapport «Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2012» gepubliceerd november 2013.

X Noot
3

Brief van de Ministers van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Buitenlandse Zaken d.d. 3 juli 2014 (Kamerstukken II 22 054, nr. 249).

X Noot
5

P. 10, «Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2012», november 2013.

X Noot
11

Kamerbrief 02-04-2010 inzake IOB beleidsdoorlichting Wapenexportbeleid 2004–2008.

X Noot
12

«Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2012», november 2013, p. 8.