Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534088 nr. 7

34 088 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180)

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 6 maart 2015

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel I, onderdeel A wordt na subonderdeel 4 een subonderdeel ingevoegd, luidende:

5. In de definitie van «Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens» wordt de zinsnede «Verordening (EG) 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van «Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (PbEU L316)» vervangen door: Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT- systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PBEU L 180/1).

2. In artikel I, onderdeel D komt subonderdeel 3 te luiden:

3. Na het vijfde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

6. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 is afgewezen indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over toepassing van het derde en het zesde lid.

3. In artikel I, onderdeel P wordt na «aanhef» ingevoegd: van.

4. In artikel I, onderdeel S wordt «artikel 8, onder f, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag als bedoeld in artikel 14» vervangen door: artikel f, g en h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a of 59b.

5. In artikel I, onderdeel T wordt «artikel 8, onderdeel g, h, of f, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag als bedoeld in artikel 28» vervangen door «artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28» en «artikel 8, onderdeel h» vervangen door: artikel 8, onder h.

6. In artikel I, onderdeel V wordt na «vierde lid» een komma ingevoegd.

7. In artikel II wordt «artikel 8, onderdeel g, h of f» vervangen door: artikel 8, onder f, g of h.

Toelichting

In onderdeel 1 wordt de definitie van de zogenaamde Eurodac-verordening aangepast aan het van toepassing worden van Verordening (EU) nr. 603/2013 met ingang van 20 juli 2015.

In onderdeel 2 wordt naar aanleiding van vaste jurisprudentie over de toepassing van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn een grondslag gecreëerd om de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, op te leggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 is afgewezen indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert. Deze grondslag is van belang om bij voortzetting van de grensbewaring na een afwijzende beschikking op een asielaanvraag de maatregel ook voort te kunnen zetten indien er sprake is van een risico op onderduiken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dit punt terecht een gebrek in de implementatie van de Terugkeerrichtlijn geconstateerd. Hierdoor kon een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid van de wet alleen worden opgelegd indien betrokkene de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn (zie ABRvS, 17 augustus 2012, zaak nr. 201205224/1/V4, bevestigd in ABRvS, 8 april 2014, zaak nr. 201402277/1/V3). Met het oog op deze wijziging is ook de delegatiegrondslag verruimd. Gelet op de invoering van de grensprocedure in dit wetsvoorstel en de Europeesrechtelijke samenhang tussen de grensprocedure en de Terugkeerrichtlijn past het om dit element ook in dit wetsvoorstel mee te nemen.

De onderdelen 3 en 6 betreffen het herstel van twee verschrijvingen.

In de onderdelen 4, 5 en 7 worden de formele grondslagen voor inbewaringstelling van rechtmatig verblijvende vreemdelingen in het kader van een reguliere aanvraag en rechtmatig verblijvende vreemdelingen in het kader van een asielaanvraag herzien. Abusievelijk was in het wetsvoorstel artikel 59b ook van toepassing verklaard op vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, onderdelen g en h, in het kader van een reguliere verblijfsaanvraag en in het kader van een verlenging van een asielaanvraag. In deze nota van wijziging wordt dit hersteld en wordt systematisch consequent een onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben in het kader van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 28 en vreemdelingen die anderszins rechtmatig verblijf hebben gedurende een procedure, bijvoorbeeld in het kader van een reguliere aanvraag of in het kader van een aanvraag tot verlenging van een asielvergunning. De eerste categorie wordt, in overeenstemming met de Opvangrichtlijn, ondergebracht in artikel 59b, terwijl de tweede categorie, conform het thans geldende recht, ondergebracht blijft in artikel 59, eerste lid. De wijziging in de formele grondslagen zoals voorgesteld in deze nota van wijziging zullen naar alle verwachting geen praktische gevolgen hebben voor de inbewaringstelling ten opzichte van het oorspronkelijk bij Uw Kamer ingediende wetsvoorstel.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven