Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534088 nr. 15

34 088 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180)

Nr. 15 AMENDEMENT VAN DE LEDEN SCHOUW EN KUIKEN

Ontvangen 13 april 2015

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel M, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst en wordt na «In artikel 38» ingevoegd: wordt voor de tekst de aanduiding «1.» geplaatst en.

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij of direct na de indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wijst Onze Minister de vreemdeling erop dat hij elementen en bevindingen aannemelijk moet maken die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere elementen en bevindingen, een rechtsgrond voor de verlening of verlenging van de vergunning vormen. Daarbij wordt hij erop gewezen dat hij daartoe verklaringen moet afleggen en alle bewijsmiddelen waarover hij beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen moet overleggen.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.

Toelichting

In de praktijk zijn de gesprekken met de IND-ambtenaren leidend voor de beslissing van de IND. Het is belangrijk dat het voor de vreemdeling duidelijk is dat deze gesprekken worden meegenomen in de asielprocedure. Door communicatiestoringen (zoals tolken die informatie onjuist vertalen) is het de vreemdeling lang niet altijd duidelijk wat er van hem verlangd wordt, om deze reden is het van belang een wettelijke bepaling op te nemen waarbij deze «bewijsvoorlichtingsplicht» wordt vastgelegd. Dit voorkomt de situatie waarin de vreemdeling niet op de hoogte is van de procedure. Indirect voorkomt het ook herhaalde asielaanvragen. Mocht het voor de vreemdeling onduidelijk zijn dat het noodzakelijk is bewijsstukken te overleggen in de eerste procedure dan volgt dit hoogstwaarschijnlijk in een later stadium.

Dat de bewijsvoorlichtingsplicht wordt vastgelegd in de wet waarborgt de juiste invulling van deze plicht echter niet zonder meer. De Minister dient weliswaar de verantwoordelijkheid te dragen voor het tijdig en volledig informeren van de vreemdeling over zijn rechten en verplichtingen, maar het is niet gebleken dat Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) op dit moment niet op juiste wijze invulling geeft aan de bewijsvoorlichtingsplicht. In het Vreemdelingenbesluit 2000 kan geregeld worden dat de Minister de uitvoering niet zelf ter hand neemt maar overlaat aan bijvoorbeeld VWN. Hiervoor dient dan wel een wettelijke basis te bestaan, welke wordt gecreëerd door het toegevoegde derde lid. Indien de Minister besluit om de uitvoering aan derden over te laten, is het noodzakelijk dat hij zich ervan vergewist dat de vreemdeling tijdig en volledig wordt geïnformeerd.

Schouw Kuiken