Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de leden van de PVV-fractie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende
vragen.
Inleiding
De leden van de PVV-fractie hebben met verontrusting kennis genomen van bovenstaand
wetsvoorstel. Zij hebben de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de in dit wetsvoorstel begrepen naheffing
van 642,7 miljoen euro is veroorzaakt door de herberekening van het Bruto Binnenlands
Product (BBP) van alle EU-landen. In Nederland is het Centraal Bureau voor de Statistiek
verantwoordelijk voor die herberekening. Kan de regering aangeven hoe die verantwoordelijkheid
in andere EU-landen ligt? De vraag is met name of de onafhankelijkheid van alle andere
statistische bureaus in dezelfde mate gegarandeerd is als in Nederland.
Zelfs als die onafhankelijkheid op papier gegarandeerd is, blijft de vraag of die
berekeningen in andere landen – die voor de Nederlandse heffing minstens zo belangrijk
zijn als de Nederlandse berekening – wel met voldoende kennis en kunde en zonder vooroordeel
tot stand zijn gekomen. Het is de leden van de PVV-fractie bekend dat de berekening
van het BBP zeer complex is en zeer deskundige schattingen van niet gemeten onderdelen
van de economie bevatten. Kan de regering precies en gedetailleerd aangeven hoe de
controle op de berekeningen en schattingen in andere EU-landen tot stand is gekomen?
Gezien de complexiteit van de materie is uitgebreide en veel tijd vergende controle
op de berekening van alle EU-landen noodzakelijk. Het verwondert de leden van de PVV-fractie
derhalve in hoge mate dat pas in een zeer laat stadium een zo grote correctie als
waarvan hier sprake is, als een konijn uit de hoge hoed komt. Het schijnt dat het
verslag van de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie (PVEU)
van 17 oktober 2014 voor het eerst melding maakt de mogelijkheid van een naheffing
van de EU van 642,7 miljoen euro. Kan de regering dit uitgebreid toelichten?
Gezien de ernst van de situatie verzoeken de leden van de PVV-fractie om volledige
openbaarmaking van dit verslag van de PVEU en van het verzoek om betaling van de Europese
Commissie van 21 november 2014.
Aangezien het ondenkbaar is dat alle BBP berekeningen nu volledig correct zijn – een
deel is immers gebaseerd op schattingen – verzoeken de leden van de PVV-fractie om
met een gedetailleerd schema aan te geven wanneer en hoe de volgende herberekeningen
plaatsvinden en wanneer die welke gevolgen hebben voor de bijdragen van de lidstaten.
Op het inmiddels door de Minister van Financiën per ultimo december 2014 overgemaakte
bedrag aan de EU vindt, als de leden van de PVV-fractie het goed hebben begrepen,
in 2015 een gedeeltelijke terugbetaling plaats. Terwijl voor andere landen een betalingsregeling
is getroffen, betaalt Nederland de facto vooruit. Kan de regering aangeven wat de
kosten en de risico’s zijn van deze voorfinanciering?
Is het juist dat deze vooruitbetaling verband houdt met een ernstig liquiditeitstekort
van de EU?
Als deze voorfinanciering van de EU de facto geld zou opleveren door het verschijnsel
negatieve rente, zoals in de lijst van vragen en antwoorden die op 15 december 2014
aan de Tweede Kamer is gezonden wordt gesteld, mag hieruit dan de conclusie worden
getrokken dat de regering binnen de totale Nederlandse begroting geen betere besteding
van middelen kon vinden dan voorfinanciering van de EU?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking
en van de vaste commissie voor Europese Zaken zien de antwoorden van de regering met
belangstelling tegemoet en ontvangen deze bij voorkeur uiterlijk dinsdag 3 maart 2015.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Kappen
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Strik
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Gradenwitz
De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Bergman