Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634078 nr. 6

34 078 Voorstel van wet van de leden Bosma en De Graaf ter bescherming van de culturele traditie van het sinterklaasfeest (Zwarte Piet-wet)

Nr. 6 VERSLAG

Vastgesteld 1 maart 2016

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemers op de gestelde vragen en de ge-maakte opmerkingen tijdig en genoegzaam zullen hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

I

ALGEMEEN DEEL

1

     

1.

Inleiding

1

2.

Doelstelling wetsvoorstel

4

 

Belang van het behoud van Zwarte Piet

4

 

Keuze voor het codificeren

4

 

Invulling van het wetsvoorstel

5

     

II

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

5

I ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van wet van de leden Bosma en De Graaf, ter bescherming van de culturele traditie van het sinterklaasfeest. Het wetsvoorstel geeft specifieke voorschriften waaraan het uiterlijk en de kleding van Zwarte Piet moeten voldoen. De leden van de VVD-fractie willen een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel maken, alsmede de indieners een paar vragen stellen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggend initiatiefwetsvoorstel met betrekking tot Zwarte Piet. De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat het niet aan de politiek is om te bepalen hoe Zwarte Piet er uit moet zien, laat staan om voor te schrijven dat bestuursorganen verantwoordelijk worden voor het uiterlijk van Zwarte Piet.

De leden van de SP-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de Zwarte Piet-wet en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.

Zo misten de leden van de SP-fractie het advies van Sinterklaas over dit wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het initiatiefvoorstel om het uiterlijk van Zwarte Piet en de organisatorische implicaties daarvan te codificeren. Deze leden hechten grote waarde aan Sinterklaas als traditioneel kinderfeest. Met het formaliseren van het Sinterklaasfeest wordt de essentie van dit feest, namelijk een kinderfeest waar ieder op zijn eigen manier invulling aan geeft en dat zich mee ontwikkelt met ontwikkelingen in de samenleving, bevroren.

De discussie over de invulling van het Sinterklaasfeest en de gedaante van Zwarte Piet dient naar de mening van de leden van de CDA-fractie dan ook niet gevoerd te worden door de wetgever. Deze discussie is een aangelegenheid van burgers zelf. De CDA-fractie zal het voorliggende wetsvoorstel dan ook niet steunen.

De leden van de D66-fractie kraken liever geen valse noot,

maar vragen zich af wat de initiatiefnemers te binnen schoot.

Zwart, wit of in kleuren,

de discussie moet in de maatschappij gebeuren.

Sinterklaas regel je niet in Den Haag,

de kleur van Piet splits je niet per wet in de maag.

Doe dit dus vooral niet,

regel voor deze wet snel een intrek-Piet.

Met grote belangstelling en vol verwachting hebben de leden van de SGP-fractie uitgezien naar de behandeling van het voorstel om de culturele traditie van het sinterklaasfeest in de wet vast te leggen. Deze leden hebben de nodige vragen over dit voorstel. Met name of het noodzakelijk is om Zwarte Piet in de wet vast te leggen, over de authenticiteit van de in het wetsvoorstel gekozen uitdossing van Zwarte Piet, de beperkte vastlegging van de sinterklaastraditie in het wetsvoorstel en de gekozen bewoordingen.

De indieners van het voorstel willen de Nederlandse identiteit behouden. De leden van de SGP-fractie vragen zich daarom af welke inkleuring van de Nederlandse identiteit de indieners van het wetsvoorstel precies voor ogen hebben. Kunnen zij aangeven wat de kenmerkende elementen zijn van de Nederlandse identiteit? Gaat het hierbij om de joods-christelijke beschaving als dragende ondergrond van deze identiteit?

De indieners sluiten in de toelichting op hun voorstel aan bij de figuur van Zwarte Piet, zoals die in 1850 is vastgelegd in het boek «Sinterklaas en zijn knecht» van de Nederlandse leraar Jan Schenkman uit Amsterdam. De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom de indieners niet alleen met woorden, maar ook met beeld hebben duidelijk gemaakt hoe de heer Schenkman destijds de figuur van Zwarte Piet heeft vastgelegd. Wat nog belangrijker is: de authentieke bron waar de indieners naar verwijzen laat juist een heel andere vorm van Zwarte Piet zien dan in het wetsvoorstel wordt beschreven. Vinden de indieners het verantwoord dat de oorspronkelijke en authentieke vorm van Zwarte Piet, zoals deze is vastgelegd door Jan Schenkman, op basis van het voorliggende voorstel zou moeten worden verboden?

De leden van de SGP-fractie vragen de indieners van het voorstel om, aan de hand van de in de bijlage bij dit Verslag opgenomen illustraties (de afbeel-dingen 1, 2 en 3) uit het boek van 1850, aan te geven waarom zij niet voor de authentieke invulling hebben gekozen1.

Zijn zij het met de aan het woord zijnde leden eens dat hieruit blijkt dat de oor-spronkelijke Zwarte Piet ten minste geen (zichtbaar) rood geverfde lippen heeft, geen goudkleurige oorbellen, schijnbaar niet in een fluweelachtig pak en niet in een pofbroek is gekleed, geen hoofddeksel draagt en ook geen veer heeft? Hoe beoordelen zij deze authentieke verschijningsvorm van Zwarte Piet in het licht van hun voorstel? In hoeverre zijn de indieners van mening dat deze oorspronkelijke vorm ook mogelijk moet blijven? Hoe kijken zij aan tegen het feit dat, in het genoemde boek, Zwarte Piet zich ook (soms) per paard verplaatst (afb. 2), en Sint-Nicolaas niet op een schimmel rijdt (afb. 3)?

De indieners beogen met dit wetsvoorstel de sinterklaastraditie in Nederland te beschermen en richten zich hiermee op Zwarte Piet. De leden van de SGP-fractie vragen waarom de figuur van Sinterklaas (Sint-Nicolaas) met het soms betwiste kruis op de mijter niet in het wetsvoorstel wordt vastgelegd, alsmede dat beiden met een stoomschip uit Spanje geacht worden te arriveren. Kunnen zij voor deze leden verduidelijken waarom dit voorstel zich alleen toespitst op een deel van deze traditie? Verdienen de andere elementen niet evenveel bescherming als Zwarte Piet? Is het niet beter om dan ineens het geheel van de sinterklaastraditie in de wet vast te leggen?

De leden van de SGP-fractie vragen zich af waarom niet tevens de oorspron-kelijke vormen waarin Sinterklaas uit Nederland geacht werd te verdwijnen, in de wet worden vastgelegd? In de oorspronkelijke versie van 1850 vertrekt Sint per luchtbal (afb. 4) en in 1853 per trein (afb. 5), zoals blijkt uit de bijgevoegde illustraties2. Horen deze elementen naar de mening van de indieners ook bij de Nederlandse sinterklaastraditie? Zo niet, waarom niet?

De leden van de SGP-fractie hebben niet de gelegenheid gehad om alle lokale gebruiken rond het sinterklaasfeest te onderzoeken. Zij veronderstellen dat de indieners nauwkeurig onderzocht hebben hoe in de in de afgelopen eeuw in de verschillende delen van het land precies het Sinterklaasfeest werd gevierd. Zij missen hierover een toelichting. Kunnen zij alsnog duidelijk maken hoe deze viering sinds 1850 precies heeft plaatsgevonden in de verschillende delen van het land?

Het is de leden van de SGP-fractie bijvoorbeeld gebleken dat bij de aankomst van Sinterklaas in 1920 in Amsterdam Zwarte Piet een witte in plaats van een gekleurde veer lijkt te hebben en ook geen pofbroek. 3 Bij de aankomst in 1923 in Breda waren de Zwarte Pieten gezeten te paard en droegen zij ook geen of witte veren.4 Ook uit andere bronnen krijgen zij de indruk dat de lokale tradities rond de Sinterklaasviering behoorlijk verschilden. In hoeverre vinden de indieners het relevant dat er nog enige plaatselijke beleidsvrijheid blijft bestaan?

Het lid van de fractie-Klein heeft kennis genomen van het «voorstel van wet van de leden Bosma en De Graaf ter bescherming van de culturele traditie van het sinterklaasfeest». Het lid kan zich volledig vinden in het advies dat is uitgegeven door de Afdeling advisering van de Raad van State inzake dit wetsvoorstel.

2. Doelstelling wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel ertoe strekt de traditie van de sinterklaasviering met Zwarte Piet voor Nederland te behouden. De leden van de VVD-fractie vinden het bewaken van die traditie een sympathiek doel, want het gaat om een oude Nederlandse traditie. Genoemde leden zijn echter van oordeel dat dit doel, met het gebruikte middel, te weten wetgeving, niet bereikt wordt. Het gaat om een traditie en tradities zijn niet in wetgeving te verankeren.

Wat betreft de leden van de PvdA-fractie is een volkscultuur van het volk, wordt die in leven gehouden door het volk, en kan die veranderen als degenen die uiting willen geven aan het Sinterklaasfeest daar om hun moverende redenen behoefte aan hebben. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat het wetsvoorstel het Sinterklaasfeest tot een overheidsfeest maakt en daarmee het spontane en van onderop gevoede karakter ontneemt. Het van bovenaf dwingend opleggen hoe een volksfeest moet worden gevierd, kennen deze leden alleen van totalitaire regimes en hoort niet bij een land waar vrijheid hoog in het vaandel staat. Het mag daarom duidelijk zijn dat de leden van de PvdA-fractie tegen het voorliggend wetsvoorstel zijn. Omdat zij dus vinden dat Zwarte Piet geen onderwerp is dat bij wet geregeld zou moeten worden, hebben de aan het woord zijnde leden verder geen opmerkingen of vragen.

Belang van het behoud van Zwarte Piet

De leden van de SP-fractie lezen in de reactie van de indieners op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, dat de indieners menen dat het «vernietigen van Zwarte Piet slechts het begin is van het kapotmaken van symbolen van onze cultuur, alsmede een criminalisering van ons verleden». Deze leden vragen of de indieners kennis hebben genomen van de vele veranderingen die de traditie van Sinterklaas in de loop der tijd heeft ondergaan. Ook vragen zij waarom die veranderingen in het verleden voor de indieners wel acceptabel zijn. Tevens vragen deze leden waarom de indieners ervoor kiezen om een maatschappelijke traditie onder politieke dwang te brengen. Deze leden spreken daarbij hun vrees uit voor een staatscultuur.

Keuze voor het codificeren

De leden van de SGP-fractie hebben evenals de indieners van het voorstel de indruk dat het niet gebruikelijk is tradities in de wet te verankeren. Zij vragen zich af of het dan niet evenzeer zinvol zou zijn andere tradities of zaken die tot de nationale identiteit behoren in de wet vast te leggen. Hebben de indieners ook overwogen een regeling te treffen voor andere tradities?

De leden van de SGP-fractie vragen zich verder af of maatschappelijk protest niet logischer en effectiever is dan het vastleggen in de wet. In 1963 verzette een Wanrooijse docent zich tegen de figuur van Zwarte Piet. In reactie hierop werd er een actiecomité opgericht waarbij talloze Zwarte Pieten per scooter arriveerden om zich te verzetten tegen de afkeuring van Zwarte Piet.5

Invulling van het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vinden het geen taak van de overheid om dwingend voor te schrijven hoe bepaalde manifestaties van volkscultuur er uit moeten zien. Het is, kortom, niet aan de politiek en de regering om te bepalen hoe Zwarte Piet er uit moet zien. De leden van de VVD-fractie zijn derhalve geen voorstander van een wet die vastlegt hoe Zwarte Piet eruit moet zien. Wel moet worden voorkomen dat Zwarte Piet wordt verboden. Zwarte Piet heet niet voor niets Zwarte Piet en dat kunnen we niet veranderen, aldus de leden van de VVD-fractie.

De leden van de SP-fractie vragen naar de praktische uitvoering van de wet. Welke straffen hebben de indieners voor ogen als mensen ervoor kiezen om een Sinterklaasfeest te vieren met Pieten met een andere kleur? Dit temeer omdat ook de Raad van State stelt dat dit indruist tegen artikel 10 van het EVRM en artikel 7, lid 3 van onze Grondwet.

De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan een zelfsturende samenleving. De overheid dient op afstand te blijven van zaken die burgers zelf kunnen organiseren en waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid dragen. Het Sinterklaasfeest is naar de mening van de leden van de CDA-fractie een cultuuruiting die wordt gevormd en ingevuld door de samenleving zelf, zoals bevestigd door artikel 7, derde lid van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM. De overheid is naar de opvatting van deze leden niet in de positie om dergelijke culturele uitingen te sturen, laat staan bij wet te regelen.

De leden van de SGP-fractie kunnen zich voorstellen dat de indieners onno-dige rechtszaken willen voorkomen, maar vragen zich wel af in hoeverre dit voorstel niet juist veel onduidelijkheid oproept.

Zo is bijvoorbeeld in Grou jaarlijks in februari het feest van Sint Piter, wat voor het overgrote deel lijkt op het sinterklaasfeest en dat ook in plaats hiervan gevierd wordt. De leden van de SGP-fractie vragen zich af in hoeverre deze wettelijke regeling ook van toepassing is op een dergelijk feest. Geldt het alleen voor een viering rond 5 december of ook voor vergelijkbare vieringen gedurende de rest van het jaar? Zo niet, waarom is dan de periode niet opgenomen in het wetsvoorstel?

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Artikel 1 schrijft voor, zo lezen de leden van de VVD-fractie, aan welke kenmerken Zwarte Pieten moeten voldoen. Gaat het hier om een limitatieve opsomming? Wat gebeurt er als er tijdens een Sinterklaasintocht, waarvoor een gemeente toestemming heeft gegeven, een Zwarte Piet rondloopt met «rode» oorbellen in plaats van «goudkleurige» oorbellen? Er wordt dan niet aan alle elementen van artikel 1 voldaan. Moet er dan worden ingegrepen? Zo ja, door wie? Volgen er sancties? Zo ja, welke? Wat gebeurt er als er bijvoorbeeld ook «paarse» pieten aan de intocht deelnemen? Wat gebeurt er als bijvoorbeeld kinderen, verkleed als Zwarte Piet, «blauwe» gezichten hebben? De leden van de VVD-fractie vragen de indieners op deze vragen in te gaan.

Artikel 2

De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor artikel 2 dat betrekking heeft op «bestuursorganen». Wat wordt in dezen onder een «bestuursorgaan» verstaan? Vallen daar bijvoorbeeld ook openbare scholen en verenigingen die gemeentelijke subsidie krijgen, en publieke omroepen, onder? Mogen de leden van de VVD-fractie er van uit gaan dat het wetsvoorstel winkeliers, winkelketens en fabrikanten niet raakt? Gaarne krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van de indieners.

De leden van de SGP-fractie hebben nog enkele vragen over de precieze tekst van het wetsvoorstel:

  • Geldt het voorstel ook voor de private sfeer, als er geen vergunning nodig is?

  • Geldt het voorstel ook voor kinderen die op straat «Sinterklaas en Zwarte Piet» spelen? Is dit anders als zij het doen op het plein voor het gemeentehuis?

  • Geldt het ook voor scholen of maatschappelijke instellingen? Is een sinterklaasviering zonder Zwarte Pieten maar met andersgekleurde pieten in dergelijke instellingen toegestaan, ook als hiervoor geen vergunning nodig is? In hoeverre is het hierbij relevant of een (openbare) school wel of niet als een bestuursorgaan gezien dient te worden?

  • Mag de publieke omroep verslagleggen van een sinterklaasviering die niet aan deze wettelijke eisen zou voldoen?

  • De indieners stellen dat Zwarte Piet zwart als roet is en niet zwart van het roet. Uit het wetsvoorstel blijkt dat Zwarte Piet een egaal zwart of donkerbruin gezicht dient te hebben en rood geverfde lippen. Betekent dit dat de figuur van Zwarte Piet ook niet zwart geverfd mag zijn? Dient het de natuurlijke kleur te zijn?

  • Valt een stroopwafelpiet ook onder de noemer van Zwarte Piet? Zo ja, hoe kan het dan dat de definitie van Zwarte Piet hier niet op is afgestemd? Zo niet, dan is er toch ook geen sprake van een verboden vorm van «Zwarte» Piet?

  • Majorettes en een muziekkorps horen niet bij het gevolg van Sinterklaas. Maakt het hierbij verschil of zij zich verkleden in de vorm van een niet-authentieke Zwarte Piet?

  • Is een witte veer voor Zwart Piet op grond van de tekst van het voorstel toegestaan?

  • Maakt het nog uit of Zwarte Piet een man of een vrouw is?

  • Waarom is er geen strafbedreiging gesteld op het zijn van een niet-authentieke Zwarte Piet? Is het dan wel handhaafbaar?

  • Kunnen de indieners precies duidelijk maken in hoeverre de verschijningsvorm van Zwarte Piet gaat om een vrije meningsuiting, die valt binnen de grondwettelijke vrijheden?

De voorzitter van de commissie, P. Dijkstra

Adjunct-griffier van de commissie, Hendrickx