Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot
het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
1. Inleiding
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het in oktober 2014 gesloten
verdrag waarbij Nederland en Duitsland als buurlanden het gebruik van het vaarwater
in de Westereems proberen te regelen. De genoemde leden hebben nog een aantal vragen
over dit verdrag.
2. Inbreng PvdA-fractie
De leden van de PvdA-fractie betreuren het met de regering dat het opnieuw niet mogelijk gebleken is om
een zeegrens tussen de twee landen overeen te komen en daarmee ook geen officiële
afbakening van de territoriale zee in de Eems. De regering vermeldt dat haar opvatting
is en blijft dat de grensafbakening in de Eems-Dollard de in het volkenrecht geldende
hoofdregel van de Thalweg moet volgen dan wel de gelijke afstandslijn. Dit terwijl
Duitsland zich voor wat betreft de loop van de grens blijft beroepen op historische
rechten die, zoals in de jaren ’60 bij de goedkeuringswet voor het Eems-Dollardverdrag
is gememoreerd, teruggaan tot de 15e eeuw. Worden de besprekingen met Duitsland om tot vaststelling van een staatsgrens
te komen nog voortgezet of zijn deze vooralsnog geheel opgeschort? Deelt de regering
de opvatting van de leden van de PvdA-fractie dat het bevreemding wekt dat twee EU-
en NAVO-lidstaten er niet in slagen om in de geest van het in artikel 1 genoemde goed
nabuurschap overeenstemming te bereiken over de loop van hun zeegrens en daarmee over
de uitoefening van hun beider soevereine rechtsmacht over de territoriale zee in dit
gebied?
Bij ontstentenis daarvan waarderen de leden van de PvdA-fractie dat beide staten een
verdrag zijn overeengekomen voor de praktische regeling van het geografische bereik
van de uitoefening van hun wederzijdse rechten, verantwoordelijkheden en bevoegdheden,
in het bijzonder het gebruik van de vaargeulen in het gebied (inclusief beloodsing),
installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie (windmolens), kabels, pijpleidingen,
zendmasten en niet-levende natuurlijke hulpbronnen alsmede gelijkwaardige, onbelemmerde
en efficiënte toegang tot de havens in de Eemsmonding. Diverse van deze gebruiksvormen
staan met name genoemd in artikel 5. Is de indruk juist dat artikel 5 een limitatieve
opsomming over de materiële reikwijdte van het verdrag bevat?
Het is de leden van de PvdA-fractie opgevallen dat daarbij geen aparte verantwoordelijkheden
en bevoegdheden zijn opgenomen voor een goed beheer van natuur en zeemilieu alsmede
het nastreven van de doelstelling van duurzame ontwikkeling. Graag ontvangen zij van
de regering een toelichting op de reden van het ontbreken van deze milieudimensie
in het verdrag.
Voorts merken de leden van de PvdA-fractie op dat het verdrag geen bepalingen bevat
over rechtshandhavend optreden ingeval van bijvoorbeeld schending van de vaarregels,
drugssmokkel of milieudelicten. De genoemde leden vragen de regering om een reactie
hierop. Betekent dit dat beide staten eventueel onafhankelijk van elkaar kunnen blijven
optreden binnen de door hen formeel geclaimde zeegebieden?
Het is de leden van de PvdA-fractie bekend dat er dynamische plannen bestaan ter verruiming
en verbetering van het gebruik van de Eemshaven en het traject vanuit de Noordzee
daarnaartoe. Zij vragen de regering in hoeverre de in dit Westereemsverdrag opgenomen
rechten, verantwoordelijkheden en bevoegdheden voldoende zijn om dit toenemende gebruik
adequaat mogelijk te maken.
Ten slotte hebben de leden van de PvdA-fractie een vraag over de in Hoofdstuk V van
het verdrag opgenomen regeling voor geschillenbeslechting. Naast consultatie voorziet
deze in arbitrage, waarbij verwezen wordt naar de regelingen van het Permanente Hof
van Arbitrage. De genoemde leden vragen de regering om welke redenen hier niet (ook)
verwezen is naar geschillenbeslechting door het Internationaal Gerechtshof of door
het Internationaal Tribunaal voor het Recht van de Zee, die door Nederland onder Deel
XV van het VN-verdrag inzake het Recht van de Zee als de voorkeursmechanismen voor
geschillenbeslechting zijn opgegeven.
De leden van de vaste commissie zien de memorie van antwoord van de regering binnen
vier weken met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Schrijver
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk