Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534059 nr. 7

34 059 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht

Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 9 april 2015

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel J, komt te luiden:

J

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

1. De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.

2. Partijen kunnen dit, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren of de rechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de toelichting onderscheidenlijk de bescheiden.

3. De rechter beslist of de in het tweede lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de rechter beslist dat de weigering onderscheidenlijk de beperking niet gerechtvaardigd is, kan hij daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

5. Indien de rechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

6. Indien de rechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die toelichting onderscheidenlijk die bescheiden uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

B

In artikel I wordt na onderdeel J een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

Ja

Na artikel 22 worden twee artikelen ingevoegd, die luiden:

Artikel 22a

1. De rechter kan, indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen.

2. De rechter kan, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen.

Artikel 22b

De rechter kan door partijen verschafte gegevens en bescheiden buiten beschouwing laten indien zij op zijn verzoek niet aangeven ter toelichting of staving van welke stelling de gegevens of bescheiden zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is.

C

Artikel I, onderdeel N, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 30a, derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. de naam en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de door eiser gekozen woonplaats in Nederland, respectievelijk de woonplaats of, bij gebreke daarvan, het werkelijk verblijf van de verzoeker,

2. Artikel 30b wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt de zinsnede «Met de procesinleiding kunnen gelijktijdig zowel een vordering als een verzoek worden ingediend» vervangen door: Het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kunnen worden gecombineerd in één procesinleiding.

b. In het tweede lid wordt de zinsnede «Indien een procesinleiding betrekking heeft op zowel een vordering als een verzoek, dan zijn» vervangen door: In geval van toepassing van het eerste lid zijn.

3. Artikel 30c wordt als volgt gewijzigd:

a. In het tweede en derde lid wordt «deze wet» telkens vervangen door: dit wetboek

b. Aan het derde lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, die luidt: Dit lid is niet van toepassing op akten als bedoeld in artikel 156 en op de ondertekening van documenten in een arbitrageprocedure ingevolge het Vierde Boek.

c. In het vierde lid wordt «voor natuurlijke personen en verenigingen» vervangen door: voor natuurlijke personen en voor verenigingen.

d. In het zesde lid wordt de zinsnede «stelt de rechter eiser of verzoeker in de gelegenheid» vervangen door: stelt de rechter de desbetreffende partij in de gelegenheid.

4. Artikel 30f komt te luiden:

Artikel 30f

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het elektronisch verkeer met de rechter, het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de gerechten of van de toegang tot dit systeem.

5. Artikel 30i wordt als volgt gewijzigd:

a. In het achtste lid wordt «de oorspronkelijke eiser» vervangen door: de oorspronkelijke eiser of verzoeker».

b. Het negende lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «in kantonzaken vier weken en in andere zaken zes weken» vervangen door: in vorderingsprocedures voor de kantonrechter vier weken, in andere vorderingsprocedures zes weken.

b. Na de tweede volzin wordt een zin ingevoegd, die luidt: In verzoekzaken is artikel 282, eerste lid, van toepassing.

6. In artikel 30k, vijfde lid, wordt de zinsnede «tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet» vervangen door: tenzij artikel 30c, achtste lid, van toepassing is of de goede procesorde zich daartegen verzet.

7. In artikel 30n, zevende lid, wordt «een schriftelijk proces-verbaal» vervangen door: een schriftelijke weergave van het proces-verbaal.

8. In artikel 30q, tweede lid, vervalt «tevens».

D

Artikel I, onderdeel SS, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 111, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel d wordt «behalve in kantonzaken» vervangen door: behalve in kantonzaken of zaken in kort geding.

b. In onderdeel e wordt «artikel 140, tweede lid» vervangen door: artikel 140, derde lid.

c. In onderdeel f komt «of gemachtigde» te vervallen en wordt «gelijkluidende stukken indienen» vervangen door: gelijkluidende stukken indienen of gelijkluidend verweer voeren.

d. Onderdeel g wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt de zinsnede «indien het een zaak betreft anders dan een kantonzaak,».

b. In de aanhef wordt de zinsnede «zal worden geheven,» vervangen door: zal worden geheven en.

c. In de aanhef wordt «een lager griffierecht» vervangen door: een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht.

d. Aan het slot van de aanhef wordt «ingediend» vervangen door: overgelegd.

e. Onderdeel 2° komt te luiden:

2°. een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder 3, van de Wet op de rechtsbijstand, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;

2. Artikel 112 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het eerste lid wordt aan het slot een zin toegevoegd, die luidt: Het exploot van betekening van het oproepingsbericht wordt door de eiser ingediend uiterlijk op de dag, voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen.

b. In het tweede lid wordt «bij exploot bezorgen» vervangen door: doen betekenen.

c. In het vijfde lid komen de eerste en tweede volzin te luiden: Indien het tweede lid van toepassing is, kunnen het oproepingsbericht en de procesinleiding door de deurwaarder worden verbeterd of aangevuld, met uitzondering van wijziging van eis. In dat geval vervangen dit gewijzigde oproepingsbericht en deze gewijzigde procesinleiding het eerdere oproepingsbericht onderscheidenlijk de eerdere procesinleiding.

3. In artikel 113, derde lid, wordt de zinsnede «het oproepingsbericht en de procesinleiding» vervangen door: het exploot van betekening, het oproepingsbericht en de procesinleiding.

4. Artikel 114 komt als volgt te luiden:

Artikel 114

Een verweerder geldt als in de procedure verschenen:

a. in zaken voor de kantonrechter, indien hij binnen de termijn, genoemd in artikel 30a, derde lid, onder c, de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient,

b. in zaken voor de voorzieningenrechter, indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling,

c. in alle overige zaken, indien hij binnen de termijn, genoemd in artikel 30a, derde lid, onder c, advocaat stelt.

E

In artikel I, onderdeel YY, wordt artikel 121 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «dan wel verzuimt hij advocaat te stellen».

2. In het tweede lid wordt «een nieuwe datum» vervangen door: een nieuwe uiterste datum.

F

Artikel I, onderdeel JJJ, komt als volgt te luiden:

JJJ

Artikel 139 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «Indien de gedaagde niet op de eerste of op een door de rechter nader bepaalde roldatum in het geding verschijnt dan wel verzuimt advocaat te stellen» wordt vervangen door: Indien het oproepingsbericht is betekend en de verweerder niet in de procedure verschijnt.

G

In artikel I, onderdeel BBBB, wordt onder vernummering van het eerste en tweede onderdeel tot tweede en derde onderdeel, een onderdeel toegevoegd, dat luidt:

1. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, komt te luiden:

1. Indien schorsing heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 225, tweede lid, wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond:

a. doordat degene die het geding heeft geschorst, in de tot de schorsing strekkende akte verklaart dat het geding wordt hervat;

H

Artikel I, onderdeel FFFF, wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een tweede onderdeel toegevoegd, dat luidt:

2. In het tweede lid wordt «artikel 28, vijfde en zesde lid» vervangen door: artikel 29, vijfde en zesde lid.

I

Artikel I, onderdeel KKKK, wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een tweede onderdeel toegevoegd, dat luidt:

2. In het vierde lid wordt «Artikel 28, vijfde en zesde lid» vervangen door: artikel 29, vijfde en zesde lid.

J

In het eerste onderdeel van artikel I, onderdeel OOOO, wordt «procesinleiding» vervangen door: oproepingsbericht.

K

In Artikel I, onderdeel PPPP, komt het tweede onderdeel te luiden:

2. In het tweede lid wordt «terechtzitting» vervangen door «zitting» en wordt aan het slot een zin toegevoegd die luidt: Artikel 112, tweede lid, is niet van toepassing.

L

In artikel I, onderdeel EEEEE, wordt in artikel 282, eerste lid, «verweerder» vervangen door: belanghebbende.

M

Artikel II, onderdeel H, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 8:36b, eerste lid, «voor natuurlijke personen en verenigingen» vervangen door: voor natuurlijke personen en voor verenigingen.

2. In artikel II, onderdeel H, wordt artikel 8:36e als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «van:» vervangen door: van een zakelijke samenvatting van:.

b. De zinsnede «of een door of namens de bestuursrechter gemaakte beeld- of geluidsopname van een zakelijke samenvatting daarvan,» vervalt.

c. De zinsnede «kan vervangen» wordt vervangen door: vervangt.

3. Artikel 8:36f wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt de zinsnede «en het digitale systeem voor gegevensverwerking van de bestuursrechter» vervangen door: , het digitale systeem voor gegevensverwerking en de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wegens verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties of van de toegang tot dit systeem.

b. In het tweede lid vervalt «nadere».

N

Artikel II, onderdeel Q komt te luiden:

Q

In artikel 8:61 wordt, onder vernummering van het negende lid tot tiende lid, een lid ingevoegd, dat luidt:

9. Nadat de bestuursrechter toepassing heeft gegeven aan artikel 8:36e, kan de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad verzoeken een schriftelijke weergave van de gesproken tekst van de beeld- of geluidsopname op te stellen.

Toelichting

Deze nota van wijziging wordt u toegezonden mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

A en B (artikelen 22, 22a en 22b Rv)

Voorgesteld wordt de regeling van de beperking van de kennisneming of de geheimhouding van stukken zoals die staat in de Awb en zoals die reeds door de civiele kamer van de Hoge Raad is overgenomen, in de artikelen 22 en 22a Rv neer te leggen. Zowel in artikel 8:29 Awb als in het huidige artikel 22 Rv is geregeld dat partijen die verplicht zijn in een procedure inlichtingen te geven of stukken over te leggen, dit kunnen weigeren met een beroep op gewichtige redenen. Artikel 8:29 regelt daarnaast ook dat deze partijen de rechter kunnen mededelen dat alleen hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen of de stukken. De rechter kan dan beslissen dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en hij de inlichtingen of de stukken wil meenemen in zijn overwegingen bij de einduitspraak, zonder dat de wederpartij daarvan kennis kan nemen. Dat kan hij echter alleen met toestemming van de andere partij(en). Weigeren die partijen die toestemming te geven, dan moet de zaak worden verwezen naar een andere kamer, omdat de eerste rechter inmiddels wel kennis heeft genomen van de inlichtingen of de stukken. Deze aanpak is overgenomen door de civiele kamer van de Hoge Raad in twee arresten waarin een beroep werd gedaan op geheimhouding van stukken (HR 20 december 2002, NJ 2004, 4, Lightning Casino en HR 11 juli 2008, NJ 2009, 451, Telegraaf/De Staat).

De voorgestelde regeling in artikel 22 vormt aldus een codificatie van jurisprudentie van de Hoge Raad en zorgt tevens voor harmonisatie met de Awb. Harmonisatie met de Awb is ook noodzakelijk in het kader van de digitalisering. Dit hangt samen met de bescherming van de privacy bij het inrichten van het digitale systeem van de gerechten. Uit het bovenstaande blijkt al dat het wenselijk is om in dat systeem een voorziening te treffen voor de omstandigheid dat niet alle stukken altijd voor alle betrokkenen bij de procedure beschikbaar kunnen zijn. Vanuit de Raad voor de rechtspraak is verzocht om ook in het civiele recht een wettelijke basis te geven voor het inrichten van een digitaal systeem, waarbij bepaalde stukken in het digitale dossier slechts voor bepaalde personen worden ontsloten. Het zou onwenselijk zijn als dit voor het civiele digitale dossier anders ingericht zou moeten worden dan voor het bestuursrechtelijke digitale dossier. Daarom is uit oogpunt van harmonisatie en digitalisering ook een overeenkomstige bepaling als in artikel 8:32 Awb overgenomen in artikel 22a Rv. Dit artikel maakt het mogelijk dat de kennisneming van stukken door een partij is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is of voor die kennisneming bijzondere toestemming van de rechter heeft gekregen. Het moet dan gaan om stukken waarbij de kennisneming ervan door de partij zelf haar eigen lichamelijke of geestelijke gezondheid of andermans persoonlijke levenssfeer onevenredig zou schaden. Gedacht kan worden aan een deskundigenrapport in een zaak over een minderjarige. De verwijzing naar «onevenredig» schaden betekent dat de rechter de zwaarte van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer moet afwegen tegen het procesbelang van de partij die van de stukken kennis wil nemen. Dit zal door de rechter van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Het nieuwe artikel 22b bevat de substantiëringsplicht die in het wetsvoorstel in artikel 22, tweede lid, is geformuleerd. Door de uitwerking van de beperking van de kennisneming of de geheimhouding van stukken in artikel 22, past de substantiëringsplicht hierin niet meer goed. De inhoud van artikel 22b is ongewijzigd ten opzichte van het oude artikel 22, tweede lid.

C (artikelen 30a, 30b, 30c, 30d, 30f, 30i, 30k, 30n en 30q Rv)

Artikel 30a Rv

De voorgestelde tekst van artikel 30a wekte ten onrechte de indruk dat de eis van woonplaatskeuze in Nederland zou zijn vervallen. De samenvoeging in artikel 30a, derde lid, onder a, van de tekst van het huidige artikel 111, tweede lid, onder a, voor de dagvaarding en artikel 278, eerste lid, voor het verzoekschrift is opnieuw herschikt, zodat duidelijk wordt dat het opnemen van het werkelijk verblijf in de procesinleiding alleen bedoeld is voor verzoekers en niet voor eisers.

Artikel 30b

In artikel 30b, eerste lid, over de gecombineerde procesinleiding (die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kan worden ingediend), is de formulering verbeterd, zonder daarmee een inhoudelijke wijziging te beogen. Het gelijktijdig indienen van een vordering en een verzoek maakte nog onvoldoende duidelijk dat daarmee indiening in één procesinleiding is bedoeld. Daarom is deze formulering vervangen door het gecombineerd aanhangig maken van een vordering en indienen van een verzoek in één procesinleiding. In het tweede lid van artikel 30b is de formulering vereenvoudigd door te verwijzen naar het eerste lid.

Artikel 30c Rv

Het derde lid over de elektronische handtekening is enkel bedoeld voor de ondertekening van documenten die worden ingediend door partijen bij het gerecht (zoals de procesinleiding en het verweerschrift) of die door het gerecht (de rechter of de griffier) worden opgesteld. Ter verduidelijking hiervan wordt toegevoegd dat dit lid niet ziet op de ondertekening van stukken die in een arbitrageprocedure door partijen of door de arbiters worden opgesteld (Vierde Boek Rv, zoals de artikelen 1057, derde lid, en 1060, vijfde lid) en ook niet op de ondertekening van algemene akten die zijn gedefinieerd in artikel 156 Rv.

In artikel 30c, zesde lid, dat gaat over het verzuim doordat de procesinleiding ten onrechte op papier in plaats van digitaal is ingediend, is in het wetsvoorstel sprake van herstel van dat verzuim door eiser of verzoeker. Echter, ingevolge het eerste lid van dat artikel, moet ook verweerder in beginsel digitaal procederen en dus moet ook hij in de gelegenheid worden gesteld een verzuim op dit terrein te herstellen. Daarom dient ook in het zesde lid gesproken te worden van «de desbetreffende partij».

De overige wijzigingen die worden voorgesteld in het tweede, derde en vierde lid van artikel 30c, betreffen redactionele aanpassingen.

Artikel 30f Rv

In reacties op de internetconsultatie over het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht kwam naar voren dat er behoefte bestaat aan een meer expliciete grondslag voor een nadere regeling over de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen die is voorzien in die algemene maatregel van bestuur. De voorgestelde wijziging in artikel 30f voorziet in deze grondslag. Tevens is in lijn met de overige formuleringen in het wetsvoorstel het «digitale» verkeer met de rechter vervangen door het «elektronisch» verkeer met de rechter.

Artikel 30i Rv

In het geldende artikel 136 Rv is opgenomen dat een gedaagde geen eis in reconventie kan instellen als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid – bijvoorbeeld als curator of bewindvoerder – en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Een dergelijke regeling is niet opgenomen in het huidige artikel 282 voor een tegenverzoek in een verzoekschriftprocedure. Het is daar ook moeilijker denkbaar dat een tegenverzoek de oorspronkelijk verzoeker persoonlijk zou kunnen betreffen. Echter, door de voorgestelde mogelijkheid van een gecombineerde procedure, is het mogelijk om tegen een verzoeker die is opgetreden in hoedanigheid, een tegenvordering in te stellen die hem persoonlijk betreft. Met het oog hierop is aan artikel 30i, achtste lid, toegevoegd dat deze uitzondering ook opgaat voor de oorspronkelijke verzoeker.

In artikel 30i, negende lid, over de termijnen voor het indienen van een verweerschrift op een tegenverzoek of tegenvordering, was ten onrechte niet een termijn vermeld voor het indienen van een dergelijk verweerschrift in een verzoekprocedure. Die is nu toegevoegd.

Artikel 30k Rv

De rechter kan stukken die te laat voor de mondelinge behandeling worden ingediend, buiten beschouwing laten. De wijziging strekt ertoe hierop niet alleen een uitzondering te maken als de goede procesorde zich ertegen verzet, maar ook als artikel 30c, achtste lid, van toepassing is. Dit laatste artikel bevat immers een regeling voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

Artikel 30n Rv

Volgens artikel 30n lid 3 houdt het proces-verbaal een zakelijke samenvatting in van het verhandelde ter zitting. Nu volgens artikel 30n, zevende lid, de rechter kan bepalen dat het proces-verbaal wordt vervangen door een door of namens hem gemaakte beeld- of geluidsopname, hoeft die opname in beginsel enkel gemaakt te worden van de zakelijke samenvatting die de rechter ter zitting uitspreekt. Die opname is dus veel minder omvangrijk dan een opname van de hele zitting en de hogere rechter kan vragen die opname woordelijk op schrift te stellen. In artikel 30n, zevende lid, wordt verduidelijkt dat het schriftelijke proces-verbaal, dat op verzoek van een hogere rechter kan worden opgesteld nadat een beeld- of geluidsopname van de zakelijke samenvatting van het verhandelde ter zitting het proces-verbaal heeft vervangen, een schriftelijke weergave dient te zijn van die opname. Dat betekent dat het schriftelijke proces-verbaal woordelijk gelijk dient te zijn aan de opname. Anders zouden er twee inhoudelijk verschillende processen-verbaal ontstaan. Overigens kan er daarnaast nog steeds een beeld- of geluidsopname gemaakt worden van de hele zitting, maar die kan niet gelden als proces-verbaal. Die integrale opname biedt alle betrokkenen een weergave van de zitting waar ze altijd op kunnen terugvallen indien er verschil van mening bestaat over hetgeen daar is voorgevallen. Die opname wordt opgenomen in het digitale dossier in Mijn Zaak. Zowel voor die integrale opname als voor de opname die het proces-verbaal vervangt geldt dat, als een partij zich erop beroept, hij op grond van artikel 22, tweede lid, moet aangeven op welk onderdeel van de opname hij zich beroept. Het maken van een beeld- of geluidsopname (hetzij integraal, hetzij van de zakelijke samenvatting) is niet verplicht, het staat de rechter vrij om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Zie ook hieronder de toelichting bij de wijziging van het overeenkomstige artikel 8:61 Awb.

Artikel 30q Rv

In artikel 30q, tweede lid, is het woordje «tevens» overbodig.

D (artikelen 111–114 Rv)

Artikel 111 Rv

Bij de voorgestelde wijzigingen in artikel 111, tweede lid, was per abuis uitgegaan van een verkeerde versie van de huidige wettekst. De nu voorgestelde wijzigingen strekken ertoe de eerder bedoelde wijzigingen op de juiste wijze in de geldende tekst te verwerken. Er worden geen nieuwe wijzigingen voorgesteld.

Artikel 112 Rv

Aan artikel 112, eerste lid, wordt toegevoegd dat de eiser uiterlijk de dag voordat de verweerder ten laatste kan verschijnen (artikel 30a, derde lid, onder c), het exploot moet indienen bij de griffie. Dit is niet nodig als verweerder in de tussentijd is verschenen. Zonder het exploot is het voor de rechtbank niet zichtbaar of er informeel bezorgd is of dat er formeel betekend is. Als er informeel bezorgd is en er binnen vier weken na indiening van de zaak nog geen verweerder verschenen is, krijgt eiser twee weken om alsnog formeel te betekenen en verweerder vier weken om alsnog te verschijnen (artikel 112, tweede lid, nieuw). Als er formeel betekend is, moet de rechtbank dat weten, omdat ze dan vier weken na indiening van de procesinleiding een verstekvonnis moet opstellen als verweerder niet verschijnt. Anders zou er altijd zolang er geen verweerder verschijnt, minimaal acht weken na indiening van de procesinleiding afgewacht moeten worden, of er bezorgd en betekend is, alvorens er een verstekvonnis kan worden opgesteld. Ingevolge artikel 121, eerste lid, moet de rechter alvorens verstek te verlenen, nagaan of het exploot lijdt aan een gebrek dat nietigheid meebrengt. In dat laatste geval kan er geen verstek verleend worden en kan eiser desgewenst een herstelexploot uitbrengen. Verschijnt gedaagde en brengt hij vervolgens naar voren dat het exploot nietig is, dan zal hij daartoe zelf het exploot als bewijs moeten overleggen. Die nietigheid wordt dan in de meeste gevallen gedekt door de verschijning (artikel 122, eerste lid). Alleen als de rechter van oordeel is dat het gebrek de verweerder onredelijk in zijn belangen heeft geschaad, wordt het exploot nietig verklaard. Het is dus alleen voor een verstekvonnis nodig om kennis te kunnen nemen van het exploot. In het tweede lid wordt een verschrijving gerepareerd.

In het vijfde lid wordt naast wijziging van het oproepingsbericht ook expliciet voorzien in wijziging van de procesinleiding. Hoewel het oproepingsbericht ingevolge de aanhef van artikel 111, tweede lid, ook de procesinleiding omvat, moet het duidelijk zijn dat de deurwaarder beide documenten – voor zover het oproepingsbericht als een afzonderlijk document gezien kan worden – zoals deze eerder door de eiser informeel zijn bezorgd, kan aanpassen. Het gaat daarbij om technische en niet om inhoudelijke aanpassingen, wijziging van de eis is op dat moment niet meer mogelijk.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat de bewijsstukken waarop eiser zich in de procesinleiding beroept, wel op basis van artikel 85 Rv zoveel mogelijk moeten worden bijgevoegd, maar geen onderdeel zullen uitmaken van het oproepingsbericht (waarin wel de procesinleiding is opgenomen) zoals de eiser deze van de griffier ontvangt. In vorderingszaken zonder verplichte procesvertegenwoordiger worden de bewijsstukken in beginsel altijd bezorgd of betekend, op grond van artikel 85 Rv. In de overige vorderingszaken is voorstelbaar dat waar de bewijsstukken zeer omvangrijk zijn, deze geüpload worden (binnen de twee dagen) en via het digitale dossier beschikbaar worden voor verweerder. Het digitaal procederen biedt hiermee meer mogelijkheden aan partijen en zo wordt alsnog voldaan aan de plicht voor eiser uit artikel 85 Rv.

Artikel 113 Rv

De wijziging van artikel 113 verduidelijkt dat ook het exploot van betekening moet worden ingediend bij de rechtbank, samen met het oproepingsbericht en de procesinleiding. Dit is in lijn met de wijziging van artikel 112, eerste lid. Ik verwijs naar de toelichting hierboven bij dit artikel.

Artikel 114 Rv

In het voorgestelde artikel 114 bestond onduidelijkheid of de daarin beschreven drie vormen van verschijning in alle procedures zouden moeten gelden. Het door verweerder zelf indienen van het verweerschrift en het zich melden in de procedure zijn enkel in kantonzaken gebruikelijk. In de overige rechtbankprocedures dient de verweerder te verschijnen door advocaat te stellen. En de wijze van verschijning in kort geding is enkel mogelijk door verschijning op de mondelinge behandeling. Daarop is de formulering aangepast, zodat de wijze van verschijning beter aansluit bij hetgeen nu gebruikelijk is.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is verweerder het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding. Dit betreft alle vormen van verschijning in artikel 114. De toevoeging aan het voorgestelde artikel 114, eerste lid, onder a, dat een verweerder het griffierecht moet hebben betaald om te zijn verschenen in het geval hij zijn verweerschrift heeft ingediend, is dan ook niet op haar plaats en wordt geschrapt. Dit laat onverlet dat het niet betalen van griffierecht tot gevolg heeft dat het ingediende verweerschrift buiten beschouwing wordt gelaten en verweerder alsnog bij verstek wordt veroordeeld (artikel 139).

E (artikel 121 Rv)

Het eerste lid is aangepast aan de opsomming in artikel 114 van de wijzen van verschijning, waaronder ook valt het stellen van advocaat.

Teneinde te verduidelijken dat de vermelding van een datum voor verschijning de verweerder er niet van hoeft te weerhouden om eerder te verschijnen, is artikel 121, tweede lid, in die zin aangevuld dat de nieuwe verschijningsdatum in geval van een herstelexploot een uiterste termijn is.

F (artikel 139)

Het verschijnen van verweerder kan op alle wijzen als bedoeld in artikel 114. Daarom kan in de tekst van artikel 139 het verzuim van het stellen van advocaat vervallen, nu de eerst volzin al verwijst naar het verschijnen van verweerder.

G (artikel 227 Rv)

In het voorstel tot wijziging van artikel 225, tweede lid, is opgenomen dat de schorsing plaatsvindt door een akte en niet door betekening van de ingeroepen schorsingsgrond aan de wederpartij, zoals nu nog het geval is. Met het schrappen van die betekening was nog geen rekening gehouden in artikel 227, eerste lid, onder a. Dit wordt nu hersteld.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om enkele tekstuele onvolkomenheden in artikel 227, eerste lid, aanhef en onderdeel a, op te lossen. Ten eerste suggereert de aanhef van artikel 227, eerste lid, dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt als een van de gronden van artikel 225, eerste lid, zich voordoet. Voor schorsing is echter nodig dat die aan de wederpartij wordt aangezegd. Daarop wordt de aanhef van het eerste lid van artikel 227 aangepast. Tevens is in onderdeel a van het eerste lid verwerkt dat het geding niet kan worden hervat door de «partij» bij wie de grond voor schorsing is opgekomen, want doorgaans heeft die partij immers juist de zeggenschap over de procedure verloren, bijvoorbeeld omdat hij is overleden. Daarom wordt een neutralere formulering voorgesteld, die verwijst naar degene die het geding heeft geschorst.

H en I (artikelen 231 en 247 Rv)

In de artikelen 231 en 247 is een verkeerde verwijzing naar een vernummerd artikel vervangen.

J (artikel 254 Rv)

Het gaat bij de wijziging van de derde volzin van artikel 254, tweede lid, om de voorwaarden die de rechter kan verbinden aan de dagbepaling voor het kort geding. Het ligt voor de hand dat deze voorwaarden in het door de griffier op te stellen oproepingsbericht worden opgenomen, in plaats van in de door de eiser opgestelde procesinleiding.

K (artikel 255 Rv)

Het huidige artikel 255, tweede lid, bevat een regeling voor vrijwillige verschijning van partijen. Dit tweede lid komt in een nieuwe context te staan nu het wetsvoorstel een voorstel bevat voor de informele bezorging van de procesinleiding. Die houdt in dat niet-verschijning van de verweerder in de procedure, er alsnog een procesinleiding betekend moet worden en er maximaal vier weken aan de procedure worden toegevoegd. Dit past echter niet goed in een kortgedingprocedure en het zou een verweerder de mogelijkheid geven een kort geding te traineren. Daarom wordt aan artikel 255, tweede lid, toegevoegd dat deze formele betekening na een niet-verschijning van verweerder op een informele bezorging (artikel 112, tweede lid) niet van toepassing is in kort geding. Zo blijft de huidige praktijk in kort geding gehandhaafd. Als eiser ervan uitging dat verweerder zou verschijnen en hij hem de procesinleiding informeel bezorgd heeft, maar verweerder verschijnt niet, dan wordt eiser doorgaans niet-ontvankelijk verklaard. De eiser kan dan beter op zeer korte termijn een nieuwe oproeping laten betekenen, dan wanneer dat volgens de procedure van artikel 112, tweede lid, zou moeten gaan.

L (artikel 282 Rv)

In artikel 282, eerste lid, is in de derde volzin de terminologie verbeterd.

M (artikelen 8:36b, 8:36e en 8:36f Awb)

Artikel 8:36b Awb

De wijziging in artikel 8:36b, eerste lid, Awb betreft een redactionele wijziging, in lijn met de wijziging in artikel 30c, vierde lid, Rv.

Artikel 8:36e Awb

Zie de toelichting onder onderdeel N.

Artikel 8:36f Awb

In reacties op de internetconsultatie over het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht kwam naar voren dat er behoefte bestaat aan een meer expliciete grondslag voor een nadere regeling over de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen die is voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Deze wijziging in artikel 8:36e, eerste lid, (nieuw) voorziet in deze grondslag. De wijziging in het tweede lid hangt samen met het schrappen van artikel 8:36e. Het tweede lid bevat de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te geven voor het toepassen van beeld- en geluidsopnamen, maar omdat het artikel 8:36e is geschrapt, kan niet meer gesproken worden van «nadere» regels. Zie verder de hierboven opgenomen toelichting bij artikel 30n, zevende lid, Rv.

N (artikel 8:61 Awb)

In het voorgestelde nieuwe negende lid van artikel 8:61 is bepaald dat een hogerberoepsrechter kan verzoeken om een schriftelijk proces-verbaal van een in beroep gemaakte beeld- of geluidopname. In het wetsvoorstel was deze bevoegdheid ondergebracht in het derde lid, onderdeel c, van dat artikel. In deze nota van wijziging is door aanpassing van artikel 8:36e verduidelijkt dat de daar geregelde beeld- of geluidsopname die het proces-verbaal vervangt, wordt gemaakt van de zakelijke samenvatting van de verschillende onderdelen van de zitting die in artikel 8:36e zijn genoemd. Dit opgenomen proces-verbaal kan het proces-verbaal als bedoeld in artikel 8:61, derde lid, vervangen. Daarnaast kan er van deze beeld- of geluidsopname op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad een schriftelijke weergave gemaakt worden. Dit kan bijvoorbeeld zinvol zijn als het voor de hogerberoepsrechter handzamer is als kan worden teruggegrepen op een schriftelijk dossierstuk in plaats van op een beeld- of geluidsopname. De opname van een zakelijke samenvatting dient woordelijk gelijk te zijn aan de schriftelijke weergave daarvan, om te voorkomen dat er in de hogere instantie onenigheid ontstaat over de vraag of de schriftelijke weergave van de zitting afwijkt van de beeld- of geluidsopname. Er zouden dan in feite twee processen-verbaal bestaan en dat is niet de bedoeling. Omdat de opname, voor zover deze het proces-verbaal vervangt, enkel betrekking heeft op de zakelijke samenvatting van hetgeen ter zitting is voorgevallen, is het opstellen van de schriftelijke weergave geen onevenredig bezwarende opgave. In geval de rechter van de hele zitting een beeld- of geluidsopname heeft laten maken, vervangt deze opname derhalve niet het proces-verbaal als bedoeld in artikel 8:36e. In een procesreglement kan desgewenst het maken van een beeld- of geluidsopname nader geregeld worden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur