Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534053 nr. 6

34 053 Vaststelling van bepalingen op het gebied van jeugdverblijven (Wet op de jeugdverblijven)

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 mei 2015

1. Algemeen

Met belangstelling heeft de regering kennisgenomen van de bijdragen van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA, D66, de ChristenUnie en de SGP aan het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel. Deze fracties geven aan nog vragen en opmerkingen bij dit wetsvoorstel te hebben. Hieronder gaan wij op deze vragen in. Vragen die hetzelfde onderwerp betreffen zijn zo veel mogelijk gezamenlijk beantwoord. Daarbij is getracht de volgorde van het verslag aan te houden.

1.1 en 1.2 Hoofdlijnen van het voorstel & noodzaak tot overheidsinterventie

Feitelijke informatie over de (Nederlands-Turkse) jeugdverblijven

De leden van de PvdA-fractie vragen naar het totale aantal jeugdverblijven in Nederland en de aard (Turks-Nederlands, informele opvang van slachtoffers van loverboys etc.) daarvan. De leden van de SP-fractie informeren naar het totale aantal kinderen die verblijven in een (Turks-Nederlands) jeugdverblijf, en of alle jeugdverblijven bij de overheid in beeld zijn. De leden van de CDA-fractie vragen op hoeveel jeugdverblijven dit wetsvoorstel betrekking heeft. De leden van de D66-fractie informeren naar de spreiding van de jeugdverblijven in Nederland en het totaal aantal kinderen die verblijven op alle jeugdverblijven. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar het aantal betrokken gemeenten en jeugdverblijven die onder dit wetsvoorstel zullen vallen.

Volgens de informatie waar de regering thans over beschikt zijn er in Nederland vijfentwintig jeugdverblijven in gebruik in achttien gemeenten. Tweeëntwintig van deze jeugdverblijven hebben een Turks-Nederlandse signatuur, één jeugdverblijf heeft een Marokkaans-Nederlands signatuur, er is één expatinternaat en één internationale school met een internaatfunctie.

Per 1 januari 2015 verblijven 740 kinderen in Turks-Nederlandse jeugdverblijven, 22 kinderen in het Marokkaans-Nederlands jeugdverblijf en 45 kinderen in het expatinternaat en de internationale school. De jeugdverblijven zijn verspreid door heel Nederland. In de bijlage treft u een overzicht van de jeugdverblijven1. Het aantal kinderen dat in dit overzicht wordt genoemd is gebaseerd op de opgave van betrokken gemeenten.

Incidenteel komen initiatieven als particuliere opvang van slachtoffers van loverboys in de publiciteit. Het is niet bekend hoeveel minderjarigen gedurende welke periode op die plekken verblijven. Het vermoeden is dat het hier slechts een zeer beperkt aantal, en veelal tijdelijke initiatieven betreft. Gemeenten zullen over het algemeen een beter inzicht hebben in deze projecten die immers gemeentelijk gehuisvest zijn. De meldplicht voor de houder van een jeugdverblijf is dan ook bij de gemeente belegd.

De verwachting is derhalve dat niet veel initiatieven buiten het zicht van de gemeente zullen blijven.

De leden van de PvdA-fractie en de SP-fractie informeren of er door de overheid actief wordt gezocht naar jeugdverblijven, op welke manier, of er medewerking is geweest vanuit de branchevereniging ECN en welke inspanningen door de overheid worden verricht om een compleet overzicht te krijgen van alle jeugdverblijven. De leden van de SP-fractie vragen op welke feiten de aanname van de regering is gebaseerd dat het onwaarschijnlijk is dat het aantal jeugdverblijven in de toekomst (sterk) terugloopt. Deze leden informeren tevens of de regering er van uit gaat dat komende jaren nieuwe jeugdverblijven voor Turks-Nederlandse jongeren worden gesticht en of de regering dit een wenselijke ontwikkeling vindt. De leden van de D66-fractie informeren hoe bereikt kan worden dat alle instellingen daadwerkelijk in beeld zijn, hetgeen voor de handhaving van belang is.

Door de overheid is actief gezocht naar in Nederland gesitueerde jeugdverblijven ten tijde van het vrijwillig toezicht en mede met het oog op de in voorbereiding zijnde wetgeving. Door middel van gesprekken met onder andere gemeenten, jeugdverblijven en de Branchevereniging Educatieve Centra met Inwoning Nederland (ECN) heeft de regering gepoogd een zo compleet mogelijk overzicht te verkrijgen. De verkregen informatie geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het aantal jeugdverblijven in Nederland de komende jaren sterk zal stijgen. Volgens het wetsvoorstel geldt er een eenmalige meldplicht voor nieuwe en bestaande jeugdverblijven. Bij de nieuw op te richten jeugdverblijven volstaat de meldplicht indien melding wordt gedaan van het houden van een jeugdverblijf bij bijvoorbeeld de aanvraag van een omgevingsvergunning. Voor reeds bestaande jeugdverblijven wordt van de houder verwacht dat hij een aparte melding doet. Betreffende de vraag naar de wenselijkheid van deze ontwikkeling: de regering beschouwt het bestaan van Turks-Nederlandse jeugdverblijven en het verblijf van kinderen in dergelijke jeugdverblijven niet als probleem. Een toename van deze jeugdverblijven ziet de regering dan ook niet als een probleem. De regering vindt het wel wenselijk dat er toezicht is op de situatie van kinderen in deze jeugdverblijven. In de paragraaf «Van aanleiding naar noodzaak tot overheidsinterventie» wordt dit punt nader toegelicht.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de regering omgaat met het mogelijke risico dat veel kleine particuliere jeugdverblijven buiten het zicht van de overheid blijven.

De regering spoort gemeenten aan alert te zijn op particuliere opvanginitiatieven in de eigen gemeenten. Het blijft altijd mogelijk dat er jeugdverblijven bestaan, die niet bij een gemeente bekend zijn. Wij verwachten niet dat dit vaak het geval zal zijn.

Reikwijdte wetsvoorstel

De leden van de fracties van de PvdA, de SP, het CDA en D66 vragen naar de reikwijdte van het wetsvoorstel en informeren welke andere instellingen (naast Turks-Nederlandse jeugdverblijven en informele opvang van slachtoffers van loverboys) ook onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel zullen vallen.

In het wetsvoorstel «Wet op de jeugdverblijven» wordt een inrichting als een jeugdverblijf aangemerkt, als deze privaat gefinancierd is, en er ten minste vier minderjarigen elk gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd buiten familie-of gezinsverband overnachten, of naar verwachting zullen overnachten. Het betreft derhalve instellingen waarbij van overheidswege nog geen vorm van toezicht bestaat die erop gericht is de (sociale) veiligheid en welzijn van de kinderen die er verblijven centraal stelt. De particuliere initiatieven die tot op heden bij de overheid bekend zijn en onder het bereik van de wet zullen vallen, zijn de jeugdverblijven met een religieuze grondslag of andere levensovertuigingen, een expatinternaat in Oegstgeest en een internationale school in Ommen met een internaatfunctie. De regering heeft bewust voor een brede definitie gekozen om formeel toezicht te kunnen introduceren voor alle vormen van particuliere opvang waar nu nog geen formeel toezicht voor is geregeld. Met deze brede definitie wordt ook getracht te voorkomen dat bij het bekend raken van een nieuwe vorm van particuliere opvang de wet aangepast moet worden.

De leden van de D66-fractie informeren naar het verschil in problematiek van de verschillende type jeugdverblijven.

Het type instellingen en de doelgroepen die er verblijven verschillen van elkaar. Derhalve is op voorhand geen eenduidige situatie te schetsen van een jeugdverblijf. Gemeenschappelijk is dat er minderjarigen als groep langdurig verblijven buiten het directe zicht van de ouders en een vorm van opvang en begeleiding wordt geboden, bijvoorbeeld in de vorm van huiswerkbegeleiding.

Daarnaast informeren de leden van de SP-fractie naar het aantal personen die verblijven in studiehuizen en naar mogelijke overige groepen in Nederland die een eigen jeugdverblijf hebben. Ook informeren deze leden naar de Koran-scholen.

Indien de vraag betrekking heeft op de studiehuizen die geïnitieerd zouden zijn door de vertegenwoordigers van de Gülen-beweging: de regering houdt geen registratie bij van het aantal personen dat in dergelijke huisvesting verblijft. Voor nadere informatie over de studiehuizen, waarbij het om studentenhuisvesting gaat, verwijst de regering naar de beantwoording van Kamervragen daarover2.

Voor wat betreft de scholen die Koranonderwijs bieden: voor zover bij de regering bekend, verschaffen deze scholen informeel onderwijs waarbij geen sprake is van overnachtingen en waarmee zij niet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen.

De regering beschikt momenteel niet over gegevens van mogelijk overige groepen in Nederland die een eigen jeugdverblijf hebben, anders dan de jeugdverblijven die zijn genoemd onder «Feitelijke informatie over de (Nederlands-Turkse) jeugdverblijven».

De leden van de PvdA-fractie vragen naar het risico dat de voorwaarden makkelijk te omzeilen zijn, waardoor de betreffende jeugdverblijven net niet, of niet meer onder het bereik van de wet zullen vallen. In dit kader informeren deze leden hoe de handhaving door gemeenten in de praktijk vorm zal moeten krijgen.

Het risico dat een wet wordt omzeild is niet altijd volledig uit te sluiten. De regering heeft niettemin met de gekozen brede definitie getracht dat risico zoveel mogelijk te beperken. De elementen die bepalend zijn voor de vraag of een jeugdverblijf onder de definitie valt, zijn het bekostigingsaspect, het aantal kinderen, het tijdsaspect, en de wijze van verblijf (overnachten buiten gezinsverband) en geen vorm van overheidstoezicht. Ten aanzien van situaties waarin minder dan vier kinderen voor een zeer beperkte tijd ergens verblijven, is de regering van mening dat het niet proportioneel is om daarvoor regels te stellen.

Begripsbepalingen

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de ontwikkeling van de kinderen in de private jeugdverblijven kan worden verstoord en vragen naar mogelijke voorbeelden. De leden van de SGP-fractie vragen naar een definitie van de ongestoorde ontwikkeling met een duidelijke afbakening, en vragen om een aantal criteria die dit begrip nader invullen.

Met het begrip ongestoorde ontwikkeling is beoogd aansluiting te zoeken bij de bepalingen in Boek 1 van het BW. Het uitgangspunt in Boek 1 van het BW is dat ouders het gezag over hun kinderen hebben. Het ouderlijk gezag is echter niet absoluut: er zijn omstandigheden waarin de overheid hierin kan ingrijpen. In artikel 255 Boek 1 BW vormt de situatie waarin een kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, een grond voor ingrijpen door de kinderrechter. In dat geval kan de kinderrechter besluiten tot ondertoezichtstelling van het kind. In het BW wordt aldus aangegeven, wanneer de overheid kan inbreken in het ouderlijk gezag: als er sprake is van ernstige bedreiging in de ontwikkeling van het kind. In het onderhavige wetsvoorstel wordt met het begrip ongestoorde ontwikkeling aansluiting gezocht bij deze bepaling en wordt op vergelijkbare wijze aangegeven, waar de verantwoordelijkheid van de ouders en de houder van het jeugdverblijf als het ware ophoudt, en stuit op de verantwoordelijkheid van de overheid. Hiermee is ook de vraag van de leden van de SGP-fractie naar duidelijkheid over de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de ouders en de bevoegdheid van de overheid beantwoord (zie verder onder proportionaliteit wetsvoorstel, bevoegdheid overheid, verantwoordelijkheid en keuzevrijheid ouders).

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie naar wat de overheid in dit wetsvoorstel met «veilig» bedoelt: de fysieke veiligheid of de sociale veiligheid.

Met veiligheid wordt in dit wetsvoorstel vooral gedoeld op de sociale veiligheid. Betreffende de fysieke veiligheid is de regering van mening dat daar reeds voldoende (wettelijke) waarborgen voor bestaan, zoals waarborgen rondom de brandveiligheid, en de veiligheid van gebouwen zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Bovendien zijn waarborgen rondom kindermishandeling reeds verdisconteerd in bijvoorbeeld artikel 247, lid 2 van Boek 1 BW en de Jeugdwet.

De Inspectie jeugdzorg beschouwt de veiligheid van een kind als geborgd indien continuïteit is gegarandeerd ten aanzien van:

  • de bescherming van het kind tegen alle vormen van mishandeling,

  • de zorg die het kind nodig heeft,

  • de mogelijkheden die het kind nodig heeft om zich, passend bij zijn of haar leeftijd en persoonlijkheid, te kunnen ontwikkelen.

De leden van de SGP-fractie vragen ook wat de regering verstaat onder de zorg die het kind nodig heeft en de mogelijkheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind. Doelt de regering hier vooral op het voorzien in basale behoeften als voedsel, kleding, medische zorg en begeleiding of is dit begrip bijvoorbeeld ook van toepassing op het lidmaatschap van een sportvereniging, zo informeren de genoemde leden.

Het voorzien in basale behoeften zoals voedsel, kleding, medische zorg en begeleiding valt onder de zorg die het kind nodig heeft. Van een lidmaatschap van bijvoorbeeld een sportvereniging zal niet zonder meer gezegd kunnen worden dat het voor de ontwikkeling van het kind nodig is.

Criterium begripsbepaling jeugdverblijf

De leden van de SGP-fractie vragen of ook voldaan kan worden aan het criterium dat sprake is van verblijf buiten het familieverband indien gezins- of familieleden in het jeugdverblijf actief zijn. Deze leden vragen of met deze toepassing, in relatie tot het aantal kinderen en de verblijfsduur, niet te snel sprake is van een jeugdverblijf. Zij vragen bijvoorbeeld een reactie op de situatie waarin twee meerderjarigen gedurende ruim een half jaar in hun gezamenlijke huishouding elk verantwoordelijkheid dragen en opvang bieden voor twee van hun minderjarige broers of zussen, wegens verblijf in het buitenland van de ouders. In hoeverre maakt het voor het toepassingsbereik van de wet verschil of de houder van het jeugdverblijf in een familiebetrekking tot de minderjarige staat, zo vragen zij.

Indien een familie- of gezinslid in het jeugdverblijf actief is als vrijwilliger (bijvoorbeeld een vader als kok of een zus als huiswerkbegeleidster), wordt het verblijf van minderjarigen van dat familie-of gezinslid, niet gezien als «verblijf binnen het gezins-of familieverband».

Met de toepassing van deze zinsnede is de regering van mening dat er niet te snel sprake zal zijn van een jeugdverblijf. Bij het voorbeeld wat deze leden aandragen is geen sprake van een jeugdverblijf, in de zin van dit wetsvoorstel. De minderjarigen in het voorbeeld verblijven bij een meerderjarig familie- of gezinslid en daarmee binnen het familie- of gezinsverband. Dit verblijf valt hiermee buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel.

Van aanleiding naar noodzaak tot overheidsinterventie

De leden van de SP-fractie vragen waarom wettelijke kaders voor jeugdverblijven noodzakelijk zijn, welke omstandigheden regelgeving rechtvaardigen en waarom het wetsvoorstel de juiste oplossing is voor het probleem. Daarnaast vragen deze leden waarom veiligheid een van de belangrijkste redenen voor dit wetsvoorstel is. Ook verzoeken deze leden om een praktijkvoorbeeld dat aantoont dat nadere wetgeving noodzakelijk is. De leden van de CDA-fractie vragen welke overwegingen bij de regering doorslaggevend waren om extra controle toe te passen bij deze jeugdverblijven gezien hun private karakter. De leden van de D66-fractie vragen de regering om uitgebreid in te gaan op het punt van de Afdeling advisering van de Raad van State dat een analyse van de problematiek in de jeugdverblijven ontbreekt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering helder uiteen te zetten wat de noodzaak tot overheidsinterventie is, gelet op het beeld dat kinderen in jeugdverblijven geen veiligheidsrisico’s lijken te lopen.

De Afdeling Advisering van de Raad van State merkte op dat het onduidelijk was welke factoren leiden tot onveilige situaties in jeugdverblijven en in hoeverre het verblijf in een Turks-Nederlands jeugdverblijf integratie-belemmerend werkt. De regering heeft een onderscheid gemaakt tussen de aanleiding en de daaruit voortvloeiende probleemstelling. De aanleiding is het politieke / maatschappelijke debat over de wenselijkheid van en zorgen over (de mate van integratie van jongeren in) Turks-Nederlandse jeugdverblijven, daarmee ook verwijzend naar de breed gedragen motie Azmani/Yucel3 die aan dit wetsvoorstel ten grondslag ligt. De regering vindt het ontbreken van zicht en formeel overheidstoezicht bij deze jeugdverblijven een probleem. Hoewel de (sociale) veiligheid en ontwikkeling bij deze kinderen momenteel niet in het geding is (en de regering dan ook niet over een praktijkvoorbeeld beschikt van zaken die niet goed gaan), zijn vanwege veranderende opvattingen in de samenleving over de zorgplicht die de overheid heeft ten aanzien van kinderen, de aandacht voor de veiligheid en het welzijn van kinderen vanuit de overheid de afgelopen jaren toegenomen. Ook voor deze groep wenst de overheid de sociale veiligheid en ontwikkeling zoveel mogelijk te waarborgen.

De aanleiding, namelijk de maatschappelijke opvattingen over het gebrek aan toezicht over dit onderwerp (o.a. de mogelijke onveiligheid bij een verblijf in een Turks-Nederlandse jeugdverblijf en de mogelijke integratie-belemmerende factoren van zo’n verblijf), neemt de regering serieus. De regering heeft niet de illusie dat met dit wetsvoorstel alle aspecten voortvloeiend uit het maatschappelijk debat over dit onderwerp worden opgelost. De maatschappelijke signalen zijn voor de overheid aanleiding geweest om grondig te kijken naar de zorgplicht die de overheid heeft ten aanzien van minderjarigen in het algemeen, en hoe deze zich zou moeten verhouden tot de specifieke situatie van de jeugdverblijven. De regering stelt daarbij de jeugd centraal, en niet de aard van het jeugdverblijf. De regering constateert dat de aandacht voor de veiligheid en het welzijn van kinderen vanuit de maatschappij in de loop der jaren is toegenomen vanwege veranderende opvattingen in de samenleving hierover. Bij bijvoorbeeld een kinderdagverblijf of een reguliere school heeft de instelling een financieringsrelatie met de overheid (omdat de overheid om uiteenlopende redenen belang hecht aan het bestaan van deze instellingen) en staan deze instellingen om die reden onder formeel overheidstoezicht. In het geval van de jeugdverblijven, zijn de instellingen privaat gefinancierd en ontbreekt formeel overheidstoezicht, en heeft de overheid geen titel. Die wordt met dit wetsvoorstel geïntroduceerd. Het enkele feit dat sommige instellingen een financieringsrelatie hebben met de overheid (kinderdagverblijven, schippersinternaten etc.) en de jeugdverblijven niet, vormt voor de regering onvoldoende reden om af te zien van minimale waarborgen ten aanzien van de veiligheid, ongestoorde ontwikkeling en een gezond pedagogisch klimaat voor de kinderen. Daarmee zou voorbij worden gegaan aan de zorgen die zijn geuit bij het maatschappelijke en politiek debat over het gebrek aan zicht en toezicht op de jeugdverblijven. Om deze reden acht de regering het wenselijk om over te gaan tot het stellen van enige regels. Deze zijn noodzakelijk om het gebrek aan formeel overheidstoezicht bij jeugdverblijven te verhelpen, en hiermee de veiligheid en ongestoorde ontwikkeling van kinderen die er verblijven zoveel mogelijk te waarborgen.

Proportionaliteit wetsvoorstel & bevoegdheid overheid, verantwoordelijkheid en keuzevrijheid ouders

De leden van de PvdA-fractie willen graag weten waarom dit wetsvoorstel proportioneel is. Deze leden delen de mening dat zo min mogelijk getreden moet worden in de keuzevrijheid van ouders, en zijn tevreden dat in dit wetsvoorstel is gekozen voor zeer beperkt toezicht. Deze leden willen daarom weten of de regering vindt dat naast dit wetsvoorstel vooral moet blijven worden ingezet op vrijwillige medewerking van de jeugdverblijven, en op het betrekken van ouders en de gemeenschap bij het preventief toezicht en waarborgen van het kwaliteitskader op de jeugdverblijven. De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere toelichting op de aanleiding van dit wetsvoorstel en vragen waarom dit wetsvoorstel de balans tussen de vrijheid van ouders, waar het gaat om de opvoeding van kinderen en de verantwoordelijkheid van de overheid, niet verstoort. De leden van de SGP-fractie delen de zorg voor jongeren die in jeugdverblijven verkeren, maar achten een terughoudende opstelling van de overheid gepast, gelet op de status die het ouderlijk gezag inneemt. Deze leden vragen naar een verduidelijking over de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de ouders en de bevoegdheid van de overheid.

Voor een nadere toelichting op de aanleiding van dit wetsvoorstel wordt verwezen naar bovenstaande paragraaf «van aanleiding tot overheidsinterventie». De regering acht de verplichtingen die worden opgelegd in dit wetsvoorstel proportioneel omdat:

  • minderjarigen die voor een langere periode verblijven in een privaat gefinancierde instelling wel onder ouderlijk gezag staan, maar voor een langere periode (als groep) buiten het directe zicht van de ouders verblijven;

  • er geen (formeel) overheidstoezicht is op de (sociale) veiligheid, ongestoorde ontwikkeling en het pedagogisch klimaat van deze minderjarigen;

  • zonder een minimum aan (toe)zicht het voor de overheid onmogelijk is om invulling te kunnen geven aan haar zorgplicht;

  • op andere minderjarigen die in eenzelfde situatie verblijven op een instelling die niet privaat gefinancierd is wel formeel toezicht aanwezig is (zoals de schippersinternaten);

  • de in dit wetsvoorstel gestelde minimumeisen (met terughoudend toezichtinstrumentarium), vanwege het private karakter van de instellingen en vrijwilligers die er werken, toegesneden zijn op het vrijwillige karakter van die instellingen.

Wetsvoorstel in verhouding met artikel 8 EVRM

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om een aanvullende onderbouwing omtrent de overeenstemming van dit wetsvoorstel met artikel 8 EVRM, en vragen zich af of er geen strijdigheid bestaat met mensenrechten en internationale verdragen.

Artikel 8 EVRM stelt de overheid grenzen als het gaat om de wijze van inmenging in het privédomein. Echter, inmenging door de overheid in het privédomein is geoorloofd mits er aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze voorwaarden zijn het dienen van een legitiem doel en de noodzakelijkheid (van inmenging) in een democratische samenleving.

Het doel van dit wetsvoorstel is, zoals aangegeven in de memorie van toelichting (p. 10), om enige vorm van overheidstoezicht op de veiligheid en ongestoorde ontwikkeling van de minderjarige kinderen te introduceren. Gezien de veranderende opvattingen in de samenleving over de zorgplicht die de overheid heeft ten aanzien van kinderen is de aandacht voor de belangen van het kind toegenomen. De bescherming van de belangen van het kind valt, conform jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, onder een van de legitieme doelen van artikel 8 EVRM. Defence for Children heeft in een reactie bij de consultatie van dit wetsvoorstel aangegeven dit wetsvoorstel te zien als een versterking van de uitvoering van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Daarnaast geeft zij aan dat de Staat een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat ondersteuning van ouders mogelijk is door het bieden van passende bijstand en het waarborgen van de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten van kinderzorg. Ook geldt voor de Staat de plicht om het kind te verzekeren van de bescherming en zorg die nodig zijn voor welzijn, waarbij uiteraard rekening dient te worden gehouden met de verantwoordelijkheden van de ouders van het kind.

Voorts is in de memorie van toelichting aangegeven (p. 2 en 10) dat de overheid het, vanuit haar zorgplicht ten opzichte van minderjarigen, noodzakelijk acht dat er enige vorm van zicht en toezicht is op de situatie van deze kwetsbare doelgroep. Zonder een minimum aan (toe)zicht is het voor de overheid onmogelijk om gehoor te geven aan haar zorgplicht. Daarbij erkent zij het private karakter van de jeugdverblijven en heeft ze ervoor gekozen om terughoudend om te gaan met de verplichtingen die aan jeugdverblijven worden opgelegd. De verplichtingen die worden opgelegd zijn minimaal nodig, omdat deze noodzakelijk zijn voor het bereiken van het doel van onderhavig wetsvoorstel, hierbij wordt verwezen naar bovenstaande paragraaf «Proportionaliteit wetsvoorstel & bevoegdheid overheid, verantwoordelijkheid en keuzevrijheid ouders». Overigens ziet de overheid geen strijdigheid met andere mensenrechten en verdragen.

Integratie-aspecten m.b.t. het wetsvoorstel

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering onderzoek heeft gedaan naar mogelijk belemmerende factoren van een verblijf in een Turk-Nederlands jeugdverblijf in relatie tot de integratie, en vragen naar de mogelijke bedreiging van de veiligheid en ontwikkeling van minderjarigen die er verblijven. De leden van de SP-fractie vragen waarom voorliggend wetsvoorstel geen integratiedoelstellingen heeft. De leden informeren naar de opvatting van de regering over de rol die Turkse internaten spelen voor de integratie van jongeren van Turks-Nederlandse afkomst. Zij vragen waarom de regering van mening is dat het verblijf van jongeren in dergelijke internaten op zichzelf geen probleem hoeft te vormen. Voorts vragen ze of de regering het met ze eens is dat een jeugdverblijf voor enkel jongeren van Turks-Nederlandse afkomst samen leven en ontmoeten kan belemmeren? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke wijze het wetsvoorstel bijdraagt aan de integratie van de betreffende kinderen, aangezien zorgen over de mate van integratie de aanleiding vormden voor het wetsvoorstel.

De vragen van de leden van bovengenoemde fracties hebben alle betrekking op de bijdrage van Turks-Nederlandse jeugdverblijven aan de sociaal-culturele integratie van de kinderen die er verblijven, hun veiligheid en het bestaansrecht van deze jeugdverblijven tegen de achtergrond dat de mate van integratie de aanleiding vormden voor het wetsvoorstel.

Uit onderzoek is bekend dat de Turkse gemeenschap in het algemeen gericht is op de eigen groep (bronvermelding SCP onderzoek dichter bij elkaar 20124). Voor de regering vormt het tegengaan van het ontstaan van parallelle gemeenschappen en (als gevolg daarvan) het in afzondering leven van de Nederlandse samenleving een belangrijk uitgangspunt voor het integratiebeleid. In de keuze van ouders om hun kinderen te laten verblijven op een jeugdverblijf en de keuzevrijheid van ouders ten aanzien van de opvoeding van hun kinderen wil de regering echter niet treden. Evenmin kan de regering treden in de gedachten en opvattingen van mensen. Dit wetsvoorstel stelt daarom de veiligheid van de kinderen centraal.

Voor de beantwoording van de vraag of de regering onderzoek heeft verricht naar mogelijke belemmerende factoren, antwoordt de regering dat parallel of voorafgaand aan dit wetsvoorstel door de regering geen nader onderzoek is verricht, maar dat de gemeente Rotterdam in 2014 een onderzoek uitgevoerd heeft naar de mate van integratie van Turks-Nederlandse jongeren die verbleven in een jeugdverblijf5. Daarbij is ook gekeken naar de rol van het jeugdverblijf. Uit dit onderzoek bleek dat het jeugdverblijf relatief positief bijdraagt aan de sociaal-economische integratie (onderwijs, arbeid en maatschappelijke participatie). Zo heeft het programma op de internaten dagelijks aandacht voor huiswerk(begeleiding) en onderwijsondersteuning. Ook biedt het netwerk van internaten volgens het onderzoek een oplossing voor leerlingen die bij sollicitaties geen stage- of arbeidsplaatsen kunnen bemachtigen buiten de eigen kring. Wat betreft de sociaal-culturele integratie zien de onderzoekers een hoge mate van maatschappelijke participatie ten dienste van andere Turkse Nederlanders. De oud-leerlingen zijn sterk georiënteerd op de eigen bevolkingsgroep in Nederland. Zij hechten volgens het onderzoek aan hun Turkse identiteit, maar voelen zich evengoed een Nederlandse burger en willen qua werk en participaties iets betekenen voor andere Turkse Nederlanders in Nederland. Het contact met niet-Turkse Nederlanders lijkt veelal beperkt tot het publieke domein zoals school.

De regering wil er op wijzen, dat de jeugdverblijven soms al een jarenlange bestaansgeschiedenis kennen en veelal voortkomen vanuit de behoefte van ouders om hun kinderen een vorm van begeleiding en ondersteuning te geven die meer perspectief biedt voor de ontwikkeling van hun kinderen dan zij zelf direct kunnen bieden.

De leden van bovengenoemde fracties vragen waarom dit wetsvoorstel geen specifieke integratiedoelstellingen heeft, terwijl dit de aanleiding voor het wetsvoorstel vormde.

De regering acht het, juist vanwege de zorgen die er zijn over integratie-aspecten, van wezenlijk belang dat de jeugdverblijven zich rekenschap blijven geven van het belang van integratie en hierbij het belang van de kinderen, waaronder hun oriëntatie en participatie in de Nederlandse samenleving voor ogen hebben. De jeugdverblijven zijn hier in het algemeen ook actief mee bezig, bijvoorbeeld in de vorm van maatschappelijke activiteiten in de buurt. Daarnaast heeft het vrijwillige traject er toe geleid dat het instrument van dialoog, zowel op nationaal, institutioneel niveau als in de betrekkingen tussen de gemeente en het jeugdverblijf versterkt is. Overigens is het onderwerp burgerschap onderdeel van het kwaliteitskader dat voor het vrijwillig toezicht al van toepassing is. Integratieaspecten kunnen daar ook van deel uitmaken.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel bijdraagt aan het voorkomen van het ontstaan van parallelle samenlevingen en welke andere initiatieven op dit vlak zijn ondernomen door de regering. Daarnaast willen de genoemde leden graag weten of er bij de regering vanuit het onderwijsveld signalen bekend zijn dat jongeren in sommige van dit soort jeugdverblijven bloot worden gesteld aan denkbeelden die haaks staan op onze Nederlandse kernwaarden dan wel op kernbeginselen van onze democratie en rechtsstaat. De leden van de SGP-fractie informeren of de regering jeugdverblijven in beginsel niet als een parallelle samenleving beschouwt. De leden van de VVD-fractie informeren wat de regering vindt van het feit dat kinderen in Turks-Nederlands internaten, behalve het volgen van onderwijs, niet deelnemen aan de Nederlandse samenleving. De leden van de SP-fractie vragen ook naar de rol die Turks-Nederlandse jeugdverblijven spelen bij de integratie van jongeren van Turks-Nederlandse afkomst. Ze informeren waarom het verblijf van jongeren in dergelijke jeugdverblijven op zichzelf geen probleem hoeft te vormen en of de regering van mening is dat een jeugdverblijf waar enkel jongeren van Turks-Nederlandse afkomst samenleven ontmoeting kan belemmeren.

In antwoord op de vragen van de fractie van het CDA over de bijdrage van dit wetsvoorstel aan het voorkomen van parallelle samenlevingen en welke andere initiatieven zijn ondernomen, antwoordt de regering dat de medewerking van de jeugdverblijven aan de totstandkoming van vrijwillig toezicht heeft bijgedragen aan een toegenomen besef bij de jeugdverblijven van de toegevoegde waarde van dit toezicht en de ontwikkeling van meer transparantie van deze internaten als maatschappelijke instelling. Daarmee is een proces op gang gebracht dat bijdraagt aan een meer vanzelfsprekende, transparante en open houding van de jeugdverblijven ten opzichte van de samenleving en de overheid. Dit wetsvoorstel zal deze ontwikkeling verder stimuleren.

Vanuit het onderwijs zijn bij de regering geen signalen bekend dat jongeren in sommige van dit soort jeugdverblijven bloot worden gesteld aan denkbeelden die haaks staan op onze Nederlandse kernwaarden of kernbeginselen. De regering acht het in het algemeen van belang dat (overheids)instellingen alert zijn op signalen die daarop kunnen wijzen en verwacht van dergelijke organisaties dat zij naar bevind van zaken handelen.

De regering erkent dat onderhevige internaten veelal mono-etnisch van karakter zijn. Dit betekent echter niet dat hier sprake is van de parallelle samenleving. Jongeren bezoeken regulier onderwijs, doen aan sport, etc. De regering beschouwt de jeugdverblijven daarom als zodanig niet als parallelle gemeenschap. Daarnaast merkt de regering op dat het vanzelfsprekend de vrijheid is van een ieder om eigen keuzes te maken, eigen voorkeuren te hebben en eigen verbanden op te zoeken.

Van vrijwillig toezicht naar wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie vragen om een nadere onderbouwing waarom een wettelijk kader een noodzakelijke aanvulling is op de vrijwillige deelname. De leden van de SP-fractie informeren naar de reden waarom gekozen is om de vrijwillige afspraken en zelfregulering om te zetten in een wettelijk kader, waarom via vrijwillige afspraken de sociale veiligheid en ontwikkeling van minderjarigen in een dergelijk jeugdverblijf niet kan worden gegarandeerd, en welke aanwijzingen daarvoor zijn.

De regering is blij met de inzet en het committent van besturen van jeugdverblijven en meeste betrokken gemeenten om mee te werken aan het vrijwillig toezicht. Het vrijwillige toezichttraject heeft er toe geleid dat gemeenten meer contacten hebben met de jeugdverblijven. Ook hebben de meeste gemeenten met jeugdverblijven inmiddels een eerste toezichtbezoek afgelegd. Desalniettemin is de regering van opvatting dat een wettelijke verankering wenselijk is om gemeenten een juridisch instrument te verschaffen om in te grijpen indien de situatie op het jeugdverblijf dat noodzakelijk maakt. In het kader van het vrijwillig traject hebben gemeenten een dergelijk middel niet tot hun beschikking. Daarnaast leidt dit wetsvoorstel tot meer rechtszekerheid en gelijkstelling voor alle gemeenten en jeugdverblijven. Dit betekent dat na inwerkingtreding van de wet alle gemeenten worden belast met toezicht op jeugdverblijven (ook de jeugdverblijven die op dit moment niet meedoen aan het vrijwillig traject). Meer rechtszekerheid en gelijkstelling reduceert verder de kans op (gevoelens) van willekeur en draagt bij aan de uniformiteit van de handhaving vanuit alle gemeenten. Ten slotte, de breed gedragen motie Azmani/Yücel6 roept de regering tevens op het kwaliteitskader van het vrijwillig toezicht wettelijk te verankeren.

Stand van zaken vrijwillig toezicht

De leden van de PvdA-fractie informeren naar de laatste stand van zaken omtrent de deelname aan het vrijwillig kwaliteitskader door de bestaande jeugdverblijven, en vragen naar percentages van het aantal deelnemende jeugdverblijven. Ook vragen deze leden naar de eerste ervaringen van de jeugdverblijven met de kwaliteitseisen, en in welke mate er door de jeugdverblijven acties uit zijn gevolgd die daadwerkelijk invulling geven aan het kader. De leden van de D66-fractie vragen naar de oorzaken waarom tot nu toe niet met alle instellingen tot vrijwillige afspraken is gekomen en vragen naar hoe dit toezicht op basis van het landelijk kwaliteitskader nu functioneert. De leden van de ChristenUnie-fractie informeren naar het aantal betrokken gemeenten en jeugdverblijven waarmee een dergelijk vrijwillig toezicht niet is overeengekomen en welke redenen hiervoor zijn aangegeven.

Bij twintig van de vijfentwintig jeugdverblijven is inmiddels in opdracht van (dertien) gemeenten een 0-meting uitgevoerd door de GGD. Bij twee jeugdverblijven zijn de betrokken gemeenten voornemens om ook een 0-meting uit te voeren in het voorjaar van 2015. Twee gemeenten hebben aangegeven de wetgeving af te willen wachten. Op de internaatvoorziening van de internationale school in Ommen heeft geen 0-meting plaatsgevonden omdat dit internaat heeft aangegeven aan internationale eisen te moeten voldoen die strenger zijn dan de afspraken uit het vrijwillig toezicht. De 0-metingen zijn uitgevoerd op basis van de afspraken die in 2013 op vrijwillige basis zijn gemaakt tussen rijk, gemeenten en jeugdverblijven. Met de vertegenwoordigers van jeugdverblijven is afgesproken dat zij de adviezen van de GGD ter hand nemen en verbeteringen doorvoeren, waarna in 2015 in opdracht van gemeenten een vervolginspectie zal plaats vinden. Het beeld dat jeugdverblijven en de ouders hebben van het vrijwillige toezicht is verschillend. Voor de aanvang van de 0-metingen waren de vertegenwoordigers van Turks-Nederlandse jeugdverblijven over het algemeen huiverig voor het toezicht door de GGD-inspecteurs. Volgens de brancheorganisatie van jeugdverblijven met een Turks-Nederlandse signatuur (ECN) is het merendeel van de jeugdverblijven positief over de werkwijze van de GGD-inspecteurs na de 0-metingen. Ook zien jeugdverblijven volgens ECN een meerwaarde in de adviezen van de inspecteurs naar aanleiding van de 0-meting.

Overig

De leden van de PvdA-fractie informeren naar de standpunten van gemeenten en ouders over dit wetsvoorstel.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de paragraaf «consultatie» waar uitgebreid wordt ingegaan op de standpunten van gemeenten en ouders.

1.3 Beleidsinhoudelijke toelichting op de wetsartikelen

Meldplicht

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er voor is gekozen om melding van veranderingen, zoals een verhuizing, niet in dit wetsvoorstel te regelen, en vragen of er weer een meldplicht ontstaat bij een verhuizing naar een andere gemeente. De leden van de D66-fractie vragen waarom er niet gekozen is voor een meldplicht van sluiting van het jeugdverblijf, aangezien de VNG7 in de uitvoeringstoets heeft laten weten het van belang te vinden dat ook van sluiting een melding wordt gedaan, om op die manier onnodige inzet van middelen voor toezicht te voorkomen.

De reden om melding van veranderingen, zoals verhuizingen en sluitingen, niet in dit wetsvoorstel te regelen is om de administratieve lasten van gemeenten en jeugdverblijven te beperken. Een verwacht effect van dit wetsvoorstel is een vergrote transparantie van de situatie van de jeugdverblijven door het toenemen van (structureel) contact en dialoog tussen gemeenten en de jeugdverblijven. Een eenmalige melding bij het opstarten van een jeugdverblijf biedt het college de gelegenheid om toezicht te kunnen uitoefenen. De regering acht een formele melding bij een verhuizing binnen een gemeente of sluiting niet noodzakelijk omdat wordt verwacht dat vanuit de ontstane relatie, de gemeente door het jeugdverblijf op de hoogte wordt gebracht.

Bij een verhuizing naar een andere gemeente kan de gemeente op de hoogte raken van een nieuw te vestigen jeugdverblijf door een aanvraag van de omgevingsvergunning (met overnachtingsfunctie). Voor het jeugdverblijf geldt bij een verhuizing naar een andere gemeente opnieuw een meldplicht aan het college. De meldplicht voor jeugdverblijven is namelijk gericht aan het college; volgens de definitie in artikel 1 van het wetsvoorstel wordt het college bedoeld van de gemeente waar het jeugdverblijf zich bevindt.

De leden van de SGP-fractie vragen wat de gevolgen zijn van het niet melden van een jeugdverblijf dat onder het bereik van het wetsvoorstel valt, en of jeugdverblijven die onder het toepassingsbereik van de wet vallen met sancties bedreigd kunnen worden wanneer zij niet zijn aangemeld.

Deze wet bevat geen sanctie op het niet melden. Het melden heeft enkel als doel dat gemeenten van het bestaan van jeugdverblijven afweten. Wanneer jeugdverblijven zich niet melden en toch bekend raken bij gemeenten, verwacht de regering dat een gemeente in gesprek zal gaan met het jeugdverblijf. De gemeenten kunnen, binnen de gestelde kaders van de Awb, de hun gegeven bevoegdheden tot bestuurlijk optreden ook toepassen op jeugdverblijven die niet zijn aangemeld. Aanmelden is dus geen voorwaarde voor toezicht en handhaving. Echter, gezien de aard en het doel van het wetsvoorstel ligt het in de rede om een bestuurlijke relatie op te bouwen. Zodra een jeugdverblijf bekend is, ongeacht of het zich heeft aangemeld, is het de taak van de betrokken partijen om aan dit contact te werken.

Inlichtingenplicht

De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarop de inlichtingenplicht van het jeugdverblijf jegens het college als de houder verwacht dat het kind voor onbepaalde tijd of gedurende drie maanden tenminste tweederde van de tijd in het jeugdverblijf zal overnachten, is gestoeld. Hetzelfde vragen zij zich af met betrekking tot de verplichting tot het doen van een schriftelijke aangifte bij het college als het kind voor meer dan twee derde van een half jaar in Nederland verblijft en voor meer dan de helft van een half jaar het jeugdverblijf als woonadres heeft.

Op grond van artikel 2.50 van de Wet basisregistratie personen bestaat er voor het college de mogelijkheid om inlichtingen te verlangen omtrent de aanwezigheid van personen in de instelling of het bedrijf die naar verwachting voor onbepaalde tijd of gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd aldaar zullen overnachten. Concreet betekent dit dat het college deze verplichting ook kan opleggen aan een jeugdverblijf. Indien een college dit van een jeugdverblijf verlangt zal het desbetreffende jeugdverblijf moeten aangeven of (de) kinderen, naar verwachting, voor onbepaalde tijd of gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd in het jeugdverblijf zullen overnachten. De verplichting tot schriftelijke aangifte van het woonadres vloeit eveneens voort uit de Wet basisregistratie personen. De Wet basisregistratie personen hanteert voor inschrijving het criterium dat een persoon gedurende een half jaar tweederde van de tijd in Nederland verblijf houdt en gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd daar overnacht. Indien minderjarigen in een jeugdverblijf aan deze criteria voldoen, zullen zij overeenkomstig de verplichting voortvloeiend uit de Wet basisregistratie personen dit schriftelijk aan de betreffende gemeente moeten melden.

Vertrouwenspersoon

De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op degenen die als vertrouwenspersoon kunnen worden aangewezen. Zij vragen of het toereikend is wanneer personen uit dezelfde gemeenschap die niet betrokken zijn bij het jeugdverblijf, als vertrouwenspersoon worden aangewezen, bijvoorbeeld in de situatie van een moskee-internaat. De leden van de VVD-fractie vragen waarom ervoor gekozen is dat het de jeugdverblijven vrij staat om de functie van de vertrouwenspersoon op eigen wijze in te vullen, en op welke wijze waarborgen zijn ingebouwd dat de vertrouwenspersoon onafhankelijk is.

Het staat een jeugdverblijf vrij om elke onafhankelijke vertrouwenspersoon aan te wijzen. Uit welke gemeenschap de vertrouwenspersoon komt is daarbij niet relevant. Onafhankelijkheid wil zeggen dat degene die het jeugdverblijf in stand houdt geen inhoudelijke bemoeienis mag hebben met de werkzaamheden van de vertrouwenspersoon. In eerste instantie wordt invulling overgelaten aan de jeugdverblijven. Het vrijwillig overeengekomen landelijk kwaliteitskader bevat nu reeds een paragraaf over de vertrouwenspersoon. Mocht echter uit de praktijk blijken dat een nadere invulling van deze bepaling noodzakelijk is, dan zal daartoe worden overgegaan in het Besluit op de jeugdverblijven.

Eisen en toezicht nieuw jeugdverblijf

De leden van de SP-fractie informeren naar de eisen waaraan nieuw te vestigen jeugdverblijven moeten voldoen en aan welke eisen de houder als rechtspersoon moet voldoen.

Een nieuw te vestigen jeugdverblijf hoeft op grond van dit wetsvoorstel voor de oprichting niet te voldoen aan bepaalde eisen. De houder van een jeugdverblijf dient na oprichting eenmalig een melding te doen bij het college, zodat het college in staat wordt geacht toezicht te kunnen uitoefenen. Bij een inspectiebezoek dient het jeugdverblijf te voldoen aan de eisen gesteld in het wetsvoorstel.

Ook informeren deze leden naar de wijze waarop toezicht wordt gehouden bij de start van nieuwe jeugdverblijven en wat de consequenties voor gemeenten zijn als ze na de vergunningaanvraag geen toezicht meer houden op het betreffende jeugdverblijf.

Het toezicht op de jeugdverblijven is een wettelijke taak van de gemeenten. Zij bepalen dan ook hoe dat toezicht wordt vormgegeven bij de start van nieuwe jeugdverblijven. Dit houdt bijvoorbeeld in dat zij met de toezichthouder (GGD) kunnen afstemmen dat er jaarlijks meerdere toezichtsbezoeken worden verricht, of op welke wijze zij zelf hun bestuurlijke relatie met de jeugdverblijven vormgeven. Echter, gemeenten worden verplicht minimaal één keer per jaar een toezichtsbezoek uit te voeren. Voor de gevallen waarin gemeenten geen invulling geven aan hun wettelijke taak, is in de wet de mogelijkheid van interbestuurlijk toezicht door de Minister opgenomen. Wanneer deze van mening is dat een gemeente zijn taak niet naar behoren uitvoert, kan deze zijn generieke toezichtsinstrumenten, inzetten.

Toezicht en handhavingsaspecten

De leden van de VVD-fractie vragen of het uitoefenen van toezicht vrijblijvend is of dat dit (onder omstandigheden) een verplichting is.

Het uitoefenen van toezicht is een verplichting. Het college is belast met het toezicht. Toezichthouders zijn de GGD-inspecteurs. Aan de jeugdverblijven wordt minimaal 1 maal per jaar een toezichtsbezoek gebracht door de GGD-inspecteurs.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de verplichtingen van gemeenten in het kader van toezicht en handhaving niet te vrijblijvend zijn geformuleerd. En stellen daarbij de vraag of zowel het toezicht als de handhaving verplicht is voor de gemeenten.

In dit wetsvoorstel wordt voortgebouwd op de intrinsieke motivatie van de betrokken jeugdverblijven en gemeenten en de ervaringen die er reeds met het vrijwillig traject zijn opgedaan. Gemeenten kunnen middels de bestuurlijke relatie jeugdverblijven aanspreken en sturen. Door onderhavig wetsvoorstel ontstaat er namelijk voor de jeugdverblijven de verplichting om een kwaliteitskader op te stellen, bovendien krijgt de toezichthouder de bevoegdheid om binnen te treden. Hierdoor krijgen gemeenten handvatten om daadwerkelijk inzicht te krijgen in de situatie van minderjarigen op een jeugdverblijf. Daarnaast krijgen zij een bestuurlijk sanctie-instrumentarium waarmee zij, indien dat nodig blijkt, richting de jeugdverblijven kunnen optreden. Echter, gezien de genoemde afwegingen, ligt het in de rede dat bestuurlijk sanctioneren niet als eerste wordt ingezet. De wijze waarop met al deze instrumenten nader invulling wordt gegeven aan het toezicht op de naleving ligt bij desbetreffende gemeente. Bij een decentrale taak is het vanzelfsprekend dat de betreffende gemeente, binnen bepaalde grenzen, de vrijheid heeft om de opgelegde taak nader in te vullen. Mocht een gemeente volkomen onwillig zijn om uitvoering te geven aan de aan haar opgelegde taak, dan heeft de Minister als ultimum remedium nog de mogelijkheid om middels het interbestuurlijke toezicht in te grijpen.

Toetsingskader in relatie tot vrijwillig toezicht

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of een evaluatie van het vrijwillig toezicht, inclusief de werking van het toetsingskader, niet gewenst is voordat dit vastgelegd wordt in een wettelijke regeling aangezien het kwaliteitskader waaraan jeugdverblijven getoetst zullen worden, wordt overgenomen van het bestaande vrijwillig overeengekomen toezicht.

In het kader van het vrijwillig toezicht zijn geen afspraken gemaakt over normen, zoals die in het advies van de Raad van State met het oog op handhaving worden voorgesteld. Bij het opstellen van het Besluit op de jeugdverblijven zal evenwel gebruik worden gemaakt van de tot dan toe opgedane ervaringen van het vrijwillig toezicht die voortvloeien uit het kwaliteits- en toetsingskader. Op deze manier wordt getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen met het vrijwillige toezichtstraject is bereikt.

Elementen kwaliteitskader

De leden van de SGP-fractie vragen of wezenlijke uitgangspunten zoals de oriëntatie op de Nederlandse samenleving expliciet in het wetsvoorstel opgenomen dient te worden of door een AMvB8 moeten kunnen worden afgedwongen.

De reikwijdte van dit wetsvoorstel omvat alle particulier gefinancierde initiatieven die vallen onder het begrip «jeugdverblijf». De reikwijdte is breder dan alleen de Turks-Nederlandse jeugdverblijven. Dit wetsvoorstel beoogt de (sociale) veiligheid, de ongestoorde ontwikkeling en het pedagogisch klimaat van alle minderjarigen die verblijven op een jeugdverblijf zo veel mogelijk te waarborgen en heeft daarbij geen specifieke integratie doelstelling.

2. Bestuurlijk

Bevoegdheidsverdeling

De leden van de SP-fractie vragen hoe de bevoegdheidsverdeling tussen de ambtenaren van de GGD, het college en de burgemeester is geregeld. Zij willen weten wie wanneer welke bevoegdheden heeft, hoe deze zich tot elkaar verhouden en of er sprake is van onderlinge afstemming.

Het college is belast met het toezicht op de naleving van deze wet. Dit houdt in dat het college er op toe moet zien dat de wet daadwerkelijk wordt nageleefd; daartoe beschikt zij over het sanctie-instrumentarium als verwoord in artikel 9. De toezichthouders zijn de ambtenaren in dienst van een gemeentelijke gezondheidsdienst, oftewel de GGD-inspecteurs, aan wie deze taak is toegewezen. Zij brengen minimaal één keer per jaar een toezichtsbezoek aan de jeugdverblijven. Bij het toezichtsbezoek zullen zij de naleving van de kwaliteitsvoorschriften controleren en de jeugdverblijven voorzien van advies. Vervolgens rapporteren zij aan het college.

Indien het college constateert dat jeugdverblijven geen uitvoering geven aan de wettelijke verplichtingen en bijvoorbeeld niet meewerken aan het toezicht kan het college de toegekende sanctie-instrumenten inzetten. Uiteraard zal de concrete werkwijze op decentraal niveau worden afgestemd tussen de toezichthouder en het college.

De burgemeester heeft, los van bovenstaande toezicht- en handhavinginstrumenten, de zelfstandige bevoegdheid om, in de situatie als beschreven in artikel 10, over te gaan tot sluiting van het jeugdverblijf. Deze bevoegdheid staat in principe los van het toezicht, uitgevoerd door de toezichthouder. De bevoegdheid van de burgemeester is gericht op situaties met een ernstig(er) karakter.

Gebrek aan duidelijk kader

De leden van de SP-fractie vragen om een reactie op het standpunt van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het huidige wetsvoorstel geen adequaat instrument voor gemeenten is om toezicht uit te kunnen oefenen, en vragen of de regering bereid is om het voorstel aan te scherpen zodat gemeenten een duidelijk kader hebben om toezicht uit te kunnen oefenen en zo nodig in te grijpen.

Aan het standpunt van de Afdeling advisering wordt tegemoet gekomen door in het Besluit op de jeugdverblijven een nadere invulling van kwaliteitsvoorschriften te geven. Zoals reeds eerder aangegeven zal het Besluit op de jeugdverblijven de in de wet opgenomen onderwerpen voor het op te stellen kwaliteitskader verder uitwerken.

Ontwikkeling jeugdverblijven in relatie tot administratieve lasten

De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting waarop de regering baseert dat het aantal jeugdverblijven in de toekomst niet sterk zal oplopen, in relatie tot de schatting van de toename van de administratieve lasten voor gemeenten.

Zoals eerder aangegeven onder «feitelijke informatie over de (Nederlands-Turkse) jeugdverblijven», is door de overheid actief gezocht naar in Nederland gesitueerde jeugdverblijven mede met het oog op de in voorbereiding zijnde wetgeving. Naar aanleiding van gesprekken met betrokkenen (o.a. ECN, jeugdverblijven en gemeenten) heeft de regering geen aanwijzingen dat het aantal jeugdverblijven de komende jaren sterk zal toenemen.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat gemeenten hebben aangegeven dat de uitvoeringskosten groter kunnen zijn dan de inschatting van de regering. Deze leden vragen of de evaluatie van de huidige vrijwillige regeling op dit punt meer helderheid kan verschaffen.

In het kader van bestuurlijke afspraken over het vrijwillige traject is de regering uitgegaan van maximaal € 1.000,– per inspectie. GGD-GHOR Nederland heeft de gemiddelde urenbesteding van 0-metingen in kaart heeft gebracht. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de kosten van één inspecteur uitkomen op ongeveer € 1.200,–. In het kader van het vrijwillige traject is afgesproken dat de inspecties door twee inspecteurs plaatsvinden. Verder verwacht de regering dat kosten van de inspectie in de toekomst zullen afnemen naar mate de inspecteurs meer ervaring hebben met inspecties van jeugdverblijven.

3. Wetgevingsaspecten

Aantal toezichtsbezoeken

De leden van de SP-fractie vragen naar het aantal toezichtsbezoeken per jaar.

Jaarlijks dient er minimaal één toezichtsbezoek per jeugdverblijf te worden gebracht.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering voorschrijft dat de toezichthouder minimaal jaarlijks een bezoek brengt, aangezien adequaat toezicht ook mogelijk is zonder jaarlijks op bezoek te komen. Deze leden wijzen op het voorbeeld van de onderwijsinspectie, die jaarlijks een risicoanalyse maakt van een school, maar in beginsel slechts eenmaal per vier jaar op bezoek komt. Ook vragen deze leden naar hoe deze verplichting zich verhoudt tot de gemeentelijke beleidsvrijheid en de suggestie dat ook risicogericht toezicht gehouden kan worden.

Risicogericht toezicht, dat toegepast wordt op scholen, houdt in dat de mate van toezicht wordt bepaald door aanwijzingen of er sprake is van onvoldoende kwaliteit.

Op deze vragen kan worden geantwoord dat in dit wetsvoorstel voor het eerst de relatie tussen toezichthouder en jeugdverblijven wordt vormgegeven in tegenstelling tot de onderwijssector, waar doorgaans sprake is van een jarenlange relatie waardoor een risicoanalyse veel beter onderbouwd kan worden. Daarnaast zijn veelal vrijwilligers werkzaam in een jeugdverblijf in tegenstelling tot een school, waar voornamelijk professionele krachten werken. Daarom kiest de regering voor een jaarlijks bezoek van de toezichthouder. Daarnaast is een beoogd effect van dit wetsvoorstel o.a. het bevorderen van de dialoog en overleg tussen het jeugdverblijf en de gemeente. Een jaarlijks inspectiebezoek draagt daaraan bij.

Extra criterium ongestoorde ontwikkeling

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering met het criterium van de ongestoorde ontwikkeling van het kind een criterium toevoegt aan de bestaande wet-en regelgeving. Immers, ten aanzien van onderwijs en educatie wordt gesproken over een ononderbroken ontwikkelingsproces, terwijl met betrekking tot kinderbescherming bijvoorbeeld de bedreiging van de geestelijke en zedelijke belangen en de gezondheid van het kind centraal staat. Zij vragen hoe het voorgestelde criterium zich hiertoe verhoudt.

Zoals hierboven onder «Begripsbepalingen» is geantwoord op een vraag van de leden van deze fractie, is met het begrip «ongestoorde ontwikkeling» aansluiting gezocht bij de bepalingen van Boek 1 van het BW. In artikel 255 Boek 1 BW vormt de situatie waarin een kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, een grond voor ingrijpen door de kinderrechter. In dat geval kan de kinderrechter besluiten tot ondertoezichtstelling van het kind. In het BW wordt aldus aangegeven, wanneer de overheid kan inbreken in het ouderlijk gezag: als er sprake is van ernstige bedreiging in de ontwikkeling van het kind. In het onderhavige wetsvoorstel wordt met het begrip ongestoorde ontwikkeling aansluiting gezocht bij deze bepaling. Daarom is in artikel 3 de formulering gekozen, dat het kwaliteitskader door de houder van het jeugdverblijf wordt vastgesteld «met het oog op het bevorderen van de veiligheid, de ongestoorde ontwikkeling en het pedagogisch klimaat van de minderjarigen». Het kwaliteitskader dient met zijn inhoud aldus aan deze doelstelling te voldoen.

De leden van de SGP-fractie vragen daarbij ook in te gaan op de situatie van kinderen die in een jeugdverblijf verblijven en die zijn vrijgesteld van de schoolplicht. Welke toepassing krijgt de ongestoorde ontwikkeling in dat geval, zo vragen zij.

Voor zover bij de regering bekend, zijn kinderen in een jeugdverblijf niet vrijgesteld van de leerplicht.

Relatie tussen verantwoordelijkheid houder jeugdverblijf en gemeenten en ouders

De leden van de SGP-fractie vragen naar de relatie tussen de verantwoordelijkheid van de houder van een jeugdverblijf en die van gemeenten en ouders bij artikel 2.3 van de Jeugdwet.

Artikel 2.3 van de Jeugdwet betreft de situatie dat een kind jeugdhulp nodig heeft, en het college daarvoor een voorziening treft. Deze situatie is voor kinderen die in een jeugdverblijf verblijven niet anders dan voor kinderen die niet in een jeugdverblijf verblijven maar in gezinsverband wonen. Het feit dat het wetsvoorstel eisen stelt aan de houder van het jeugdverblijf, doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de ouders; zij oefenen immers het ouderlijk gezag uit.

Meer dan randvoorwaarden ouderlijk gezag

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering gelet op deze keuze zich bij de inhoudelijke criteria niet beperkt heeft tot de randvoorwaarden die ook ten aanzien van het ouderlijk gezag gelden, maar verdergaande eisen meent te kunnen stellen, terwijl de inhoudelijke invulling ervan volledig onder de ouderlijke verantwoordelijkheid valt. Tevens vragen deze leden waarop de stelling is gebaseerd dat de zorgplicht voor de ontwikkeling van jongeren uitgebreider is wanneer zij in een jeugdverblijf verblijven, terwijl het ouderlijk gezag ook de verantwoordelijkheid voor het verblijf omvat.

Zoals hiervoor is aangegeven op de vraag van de leden van de SGP-fractie naar het begrip ongestoorde ontwikkeling, blijft de regering juist dicht bij de randvoorwaarden die voor het ouderlijk gezag gelden. Met name het feit dat kinderen die in een jeugdverblijf wonen veelal gedurende een langere periode buiten het zicht van hun ouders verblijven, maakt het wenselijk om een beperkt aantal aanvullende kwaliteitseisen te stellen aan deze jeugdverblijven.

Uitsluiting kindermishandeling

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voor kiest om het opstellen van een meldcode volgens de Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht te stellen, maar het wel aan te bevelen.

De reden om een dergelijke meldcode niet verplicht te stellen maar wel aan te bevelen, is omdat zo’n meldcode bedoeld is voor organisaties waar vanuit professioneel oogpunt met kinderen wordt gewerkt, en niet voor organisaties die met vrijwilligers werken.

De leden van de SP-fractie informeren of het beschikken over een VOG9 voldoende is om kindermishandeling uit te sluiten en welke andere maatregelen er worden genomen om kindermishandeling uit te sluiten? Welke betrokkenen moeten beschikken over een VOG? Hoe zit het met deze eis indien de houder een buitenlands rechtspersoon is? Waarom hoeven jeugdverblijven de aanwezigheid van minderjarigen niet bij te houden? Hoe kan op deze manier de veiligheid van deze jongeren worden gegarandeerd?

De verplichting tot het hebben van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) op zich is niet voldoende om kindermishandeling uit te sluiten. Om de veiligheid van kinderen te vergroten is in artikel 3 van het wetsvoorstel opgenomen dat in het verplichte kwaliteitskader voorschriften moeten staan over kindermishandeling. In het vrijwillige Landelijk Kwaliteitskader privaatgefinancierde internaten is opgenomen dat een jeugdverblijf een protocol moet opstellen met betrekking tot kindermishandeling. Deze protocollen worden momenteel opgesteld. Voor de invulling van het protocol en het beleid van een jeugdverblijf kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van de handreiking «Als vrijwilligers zich zorgen maken» van Movisie. Daarin staat aangegeven welke rol vrijwilligers kunnen spelen bij het tegengaan van kindermishandeling. Ook wordt verwezen naar ondersteunend materiaal als websites en voorbeelden. Ook dienen op basis van het onderhavige wetsvoorstel en het Landelijk Kwaliteitskader protocollen opgesteld te worden over pesten, straffen en agressie en discriminatie. Daarnaast moet ieder jeugdverblijf over een onafhankelijk vertrouwenspersoon beschikken.

De VOG is verplicht voor de bestuursleden, eventuele beroepskrachten en structurele vrijwilligers. Dit is onafhankelijk van het land waar een eventuele rechtspersoon gevestigd is.

Indien met aanwezigheid gedoeld wordt op het aantal kinderen dat op een jeugdverblijf verblijft, is dit bekend op basis van de Basisregistratie personen. Ook gaat de regering ervan uit, gezien de aard van het verblijf, dat een jeugdverblijf exact weet hoeveel kinderen er verblijven.

Opstellen protocollen en beleid

De leden van de VVD-fractie lezen dat het opstellen van het beleid en protocollen in beginsel vormvrij is. Kan de regering dit toelichten? Zijn er ook situaties waarin dit niet vormvrij is, zo willen zij weten.

Het opstellen van het beleid en protocollen van het eigen jeugdverblijf is in beginsel vormvrij. Jeugdverblijven kunnen daar hun eigen vorm aan geven. De inhoud van het beleid en de protocollen is omschreven in het wetsvoorstel. In het Besluit op de jeugdverblijven zal aan de inhoud nadere invulling worden gegeven. Een voorbeeld van een situatie waarbij de toezichthouder zich kan gaan bemoeien met de vorm van het beleid en de protocollen, is bijvoorbeeld wanneer tijdens een inspectie blijkt dat het door het jeugdverblijf opgestelde beleid en protocollen niet toetsbaar zijn. In het kader van het vrijwillige traject zijn jeugdverblijven ondersteund bij het ontwikkelen van beleidsplannen en protocollen. Deze beleidsplannen en protocollen zijn beschikbaar voor alle jeugdverblijven.

4. Consultatie

Contact met Turkse regering

De leden van de SP-fractie vragen of er bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel op enige wijze formeel of informeel contact geweest is met de Turkse regering of vertegenwoordigers van deze regering.

Dat is niet het geval. Dit wetsvoorstel is zowel schriftelijk als via internet in consultatie gebracht. Alleen de VNG, de GGD-Nederland en de ECN zijn gericht benaderd voor een formele reactie. Daarnaast bestond de mogelijkheid voor een ieder om via de internetconsultatie een reactie te geven. Met name Turkse Nederlanders hebben massaal (en georganiseerd) via de internetconsultatie hun zorgen, kritiek en bezwaren geuit op het wetsvoorstel.

Draagvlak Turkse ouders en gemeenten

De leden van de PvdA-fractie informeren of er draagvlak is voor het wetsvoorstel binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap. Ook vragen deze leden wat de regering kan doen om mogelijke bezwaren weg te nemen bij Turks-Nederlands ouders en of er met de jeugdverblijven samen wordt gewerkt. Deze leden vinden het belangrijk dat de regering benadrukt dat de wet betrekking heeft op álle jeugdverblijven, om te waarborgen dat alle kinderen in jeugdverblijven in een veilige omgeving kunnen verblijven. Daarnaast vragen deze leden in welke mate de gemeenten het wetsvoorstel steunen en of gemeenten het wetsvoorstel als een noodzakelijk vervolg op het vrijwillige kwaliteitskader voor de jeugdverblijven zien. De leden van de SP informeren naar de opbrengsten van de ouderbijeenkomsten die zijn georganiseerd en of deze bijeenkomsten de bezwaren hebben weggenomen bij de ouders.

Uit de internetconsultatie is gebleken dat er zorgen en bezwaren leven bij Turkse ouders wiens kinderen verblijven op Turks-Nederlandse jeugdverblijven. De bezwaren gaan vooral over:

  • de positie van de ouders: dit wetsvoorstel wordt door een groot deel van de ouders als ondermijning van de positie van de ouders beschouwd; ouders zien het wetsvoorstel als ongewenste overheidsinmenging waarvoor zij geen reden zien;

  • de reikwijdte van het wetsvoorstel: het wetsvoorstel wordt ervaren als discriminatie van de Turkse Nederlanders met als doel om deze specifieke internaten te kunnen sluiten;

  • het kunnen binnentreden zonder voorafgaande toestemming: dat wordt ervaren als inmenging van de overheid in een privéverblijf en zou gevoelens van onveiligheid opleveren bij de kinderen.

Uit de reacties was op te maken dat de zorgen en bezwaren mede zijn gebaseerd op onjuiste beelden, onjuiste informatie en onjuiste aannames. Ook was uit de reacties op te maken dat er onbekendheid was met de Nederlandse overheid, de werking van het openbaar bestuur en de Nederlandse wet- en regelgeving. Voor deze Turks-Nederlandse ouders is een aparte bijeenkomst belegd om nadere uitleg te geven over het wetsvoorstel. Tijdens de bijeenkomst stonden ouders en hun vragen over het wetsvoorstel centraal. Het doel van de bijeenkomst was niet zo zeer om de bezwaren bij de ouders weg te nemen en de ouders te overtuigen van het wetsvoorstel, maar de bijeenkomst bood de mogelijkheid om laagdrempelig en op toegankelijke wijze in contact te treden met ouders voor wie het wetsvoorstel relevant is, om onjuiste beelden over het wetsvoorstel weg te nemen en juiste informatie erover te verschaffen.

Betreffende het standpunt van de gemeenten over dit wetsvoorstel: een groot gedeelte van de gemeenten die deelnemen aan het vrijwillig toezichtstraject steunen het wetsvoorstel. Een wettelijk kader biedt gemeenten de mogelijkheid om daadwerkelijk in te kunnen grijpen mocht een inspectie daar aanleiding toe geven (en dialoog niet voldoende is). De VNG en verschillende gemeenten hebben tijdens de consultatie aangegeven dat het huidige wetsvoorstel onvoldoende genormeerde handvatten bevat om toezicht te kunnen uitoefenen. Daaraan zal worden tegemoet gekomen door in het op te stellen Besluit op de jeugdverblijven de in het wetsvoorstel gestelde (inhoudelijke) eisen, nader in te vullen.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

De leden van de VVD-fractie vragen waar de definitie van het begrip jeugdverblijf op gebaseerd is. En dan met name de «tenminste vier minderjarigen» en «een half jaar meer dan de helft van de tijd»? Waarbij is aansluiting gezocht, zo informeren genoemde leden.

Dit wetsvoorstel beoogt toezicht op een vorm van opvang te reguleren die niet reeds in andere wet- en regelgeving is gereguleerd. De definitie van jeugdverblijf is bewust zo gekozen, dat zowel incidentele als geprofessionaliseerde opvang niet onder de reikwijdte van de wet valt. Derhalve is de grens getrokken bij «ten minste vier minderjarigen», omdat situaties denkbaar zijn waarbij een enkele minderjarige tijdelijk buiten het gezin verblijft. Op grond van deze redenatie is tevens gekozen voor de periode van «een half jaar meer dan de helft van de tijd». Tevens zal het college van een gemeente door deze keuze gebruik kunnen maken van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 2.50 Wet basisregistratie personen10. Dit komt omdat het criterium voor het zijn van een jeugdverblijf dat van artikel 2.50 overstijgt.

Artikel 3

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de onderwerpen zoals opgesomd in artikel 3 aansluiten bij de doelstelling «ongestoorde ontwikkeling» van de minderjarigen op een jeugdverblijf.

Artikel 3, eerste lid, geeft een overzicht van de onderwerpen die in het kwaliteitskader moeten worden uitgewerkt. Deze onderwerpen zijn overgenomen uit het vrijwillig overeengekomen landelijk kwaliteitskader en kunnen, vooral in hun onderlinge samenhang, bijdragen aan een kwalitatief goede opvang. Tegelijkertijd geeft het kwaliteitskader de gemeenten handvatten om te beoordelen of de brede doelstelling (het bevorderen van de veiligheid, de ongestoorde ontwikkeling en het pedagogisch klimaat), wordt verwezenlijkt.

Artikel 5

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de kwaliteitsvoorschriften en de invulling van de kwaliteitseisen niet in onderhavig wetsvoorstel worden geregeld.

In onderhavig wetsvoorstel zijn op het niveau van de wet de onderwerpen opgenomen waarover kwaliteitsvoorschriften dienen te worden vastgesteld. De uitwerking van deze voorschriften vindt plaats op het niveau van een algemene maatregel van bestuur.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven in welke fase de voorbereiding verkeert van de op grond van dit wetsvoorstel benodigde wijziging van lagere regelgeving. Kan de Kamer al inzicht krijgen in de (wijzigingsbesluiten van de) desbetreffende ambv’s? Welke van de aangekondigde amvb’s worden bij de Kamer voorgehangen, zo vragen genoemde leden.

Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat andere regelgeving moet worden aangepast. Zoals aangegeven in de artikelsgewijze toelichting van het wetsvoorstel worden de ervaringen uit het vrijwillig traject en de reeds uitgevoerde 0-metingen meegenomen. Het is de bedoeling dat het besluit en het wetsvoorstel, nadat dit tot wet is verheven, tegelijkertijd in werking treden.

Ten aanzien van de vraag van de leden van de SP-fractie naar een eventuele voorhang van het in voorbereiding zijnde Besluit op de jeugdverblijven wordt verwezen naar aanwijzing 35 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. In aanwijzing 35 staat dat er geen formele betrokkenheid van het parlement bij gedelegeerde regelgeving wordt geregeld, tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan. Op het terrein van de jeugdverblijven en het vrijwillige traject dat is gestart met de jeugdverblijven en betrokken gemeenten, wordt het parlement met enige regelmaat geïnformeerd. Op deze manier kan op hoofdpunten van het beleid voldoende standpuntbepaling en besluitvorming plaatsvinden.

Daarnaast wordt de in voorbereiding zijnde gedelegeerde regelgeving in consultatie gebracht bij belanghebbende partijen, omdat wordt voortgebouwd op de ervaringen uit het vrijwillige traject.

Artikel 7

De leden van de SP-fractie vragen wat de regering verstaat onder het begrip «woning» en op welke wijze duidelijk is of alle aanwezige jongeren worden aangemerkt als bewoner. Daarnaast vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om de omschrijving uit de «Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan» over te nemen.

Artikel 7, derde lid, maakt de toezichthouder bevoegd om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover het jeugdverblijf in die woning is ondergebracht. Deze bepaling is opgenomen om toezicht en in het kader daarvan het jaarlijkse bezoek aan het jeugdverblijf mogelijk te maken voor zover het jeugdverblijf in een woning is ondergebracht of het jeugdverblijf als woning moet worden aangemerkt. De bepaling is noodzakelijk in verband met artikel 12 van de Grondwet, dat zegt dat het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen geoorloofd is in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. Bedoeld artikel 12 is uitgewerkt in de Algemene wet op het binnentreden welke, in navolging van de Grondwet, ook het begrip woning hanteert. Het gaat dus om het begrip woning zoals dat in de Grondwet en de Algemene wet op het binnentreden wordt gehanteerd. De in het jeugdverblijf aanwezige jongeren dienen niet als bewoner te worden aangemerkt, omdat zij minderjarig zijn. In deze specifieke situatie moet de houder van het jeugdverblijf of degene die namens hem met de dagelijkse leiding is belast als bewoner worden aangemerkt. In de «Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan» komt een bepaling als artikel 7 niet voor: daar is niet voorzien in een bevoegdheid voor de Inspectie jeugdzorg om binnen te treden zonder toestemming van de leiding van het internaat.

Artikel 11

De VVD-fractie vraagt bij welke Minister het interbestuurlijke toezicht komt te liggen.

Dat zal uiteindelijk de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn. Die kan de generieke toezichtinstrumenten inzetten indien een college zijn taak niet naar behoren uitvoert.

Deze nota wordt door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen II, 2013–14, nr. 1506–1508.

X Noot
3

Kamerstukken 33 400 XV, nr. 94.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2013–14, 33 400 XV, nr. 94.

X Noot
7

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
8

Amvb: algemene maatregel van bestuur.

X Noot
9

VOG: Verklaring Omtrent Gedrag.

X Noot
10

Bedoeld artikel 2.50 luidt als volgt: Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.